De weide die woestijn werd

AAN HET einde van de zesde eeuw trokken twee monniken te voet door de oostelijke helft van het byzantijnse rijk....

Ze zochten, zoals dat gaat, de waarheid en de wijsheid; ze deden dat niet, zoals toen in het westelijk deel van het byzantijnse rijk en nog verder naar de rand van de wereld onder hun collega's al gebruikelijk was, door stil en teruggetrokken op hun plaats te blijven, door meditatie, introspectie, lectuur en gebed, maar door zo uitvoerig mogelijk te rade te gaan bij wat her en der werd beleden en verkondigd. Ze leken in hun leefwijze meer op de zwervende monniken van het boeddhisme en hindoeïsme dan op de oorspronkelijke stichters van de kloosterorden van het christendom.

Een van hen, Johannes Moschus, heeft zijn ervaringen te boek gesteld. Dat boek heet De geestelijke weide en het bevat niet alleen een bloemlezing van wat de auteur ervan onderweg aan wonderlijke levensbeschouwelijke inzichten had opgepikt, maar ook allerlei indrukken van de reis zelf. De Schotse schrijver William Dalrymple, die tot dusverre zijn bekendheid voornamelijk ontleende aan de boeken die hij over India schreef - verleden maand verscheen in Engeland nog een nieuw India-boek van hem: The Age of Kali - Indian Travels & Encounters -, heeft de reis van Johannes Moschus in 1994 geprobeerd over te doen. Daarover schreef hij een boek dat In de schaduw van Byzantium heet.

Dat zul je wel een reisboek moeten noemen, maar veel meer dan een handreiking aan het personeel van de boekhandel, om te bereiken dat dat bij het afrekenen In de schaduw van Byzantium onder de juiste rubriek afboekt, kan dat niet zijn: William Dalrymple houdt weliswaar bij welke vervelende hindernissen hij moet nemen om zijn doel te bereiken, en ook schrijft hij wel eens over de betrekkelijke ontberingen die hij onderweg leed, maar om de prietpraat en het zelfmedelijden van de befaamde reisboekenschrijvers is het hem allemaal niet begonnen. Ook treffen we bij hem geen gezeur aan over het ontlopen van jezelf, het tegelijkertijd overal en nergens thuis zijn, vreemde gebruiken, vieze voeten of het vergeten van aantekenboekjes.

William Dalrymple's boek is alleen aan de oppervlakte een reisboek, door zijn structuur en doordat er inderdaad een reis aan vooraf is gegaan. Daaronder schuilt het betoog van een man die woedend en wanhopig is, en ik maak mij sterk dat het hem om die grote gevoelens begonnen is. Hij maakt zichzelf tot getuige van de ondergang van een beschaving, die in feite de vernietiging is van de restanten van die beschaving, met voorbedachten rade en in koelen bloede begaan. Wie Dalrymple's boek leest en niet ongevoelig is voor de weerloosheid van het verleden, wordt door zijn machteloze ontzetting aangestoken.

Toen Johannes Moschus en zijn vriend op pad gingen, jaren zeventig van de zesde eeuw, was het christendom in wat nu Oost-Turkije, Syrië, Libanon, Israël en Egypte zijn, op zijn hoogtepunt. Het had er, onder de vleugels van wat voordien het Oost-Romeinse Rijk was geweest en nu onder het christelijke Byzantium ressorteerde, een beschaving doen opbloeien die zich uitdrukte in boeken en basilieken; gedachtenspinsels en bouwwerken, ze lijken er evenzeer te zijn ontsproten aan de ingenieuze breinen van constructeurs, die zoveel mogelijk van wat ze in hun wijde omgeving hadden aangetroffen in zich hadden opgenomen, verwerkt en opnieuw gestalte gegeven.

Hun cultuur was een eclectische, een pluriforme - en wie zich er door toedoen van Dalrymple andermaal rekenschap van geeft hoeveel bizarre verschijningsvormen het christendom in de pre-islamitische Oriënt gekend heeft, beseft dat die godsdienst slechts in naam één was. In de praktijk liepen de denkbeelden er uiteen van een authentiek Aramees messianisme tot allerlei verschijningsvormen van het Zoroastrisme.

En allemaal hebben ze in het zand hun sporen achtergelaten: imposante bouwwerken van steen, leem en hout, verfraaid met mozaïeken, reliëfs, beelden. Toen Johannes Moschus er langstrok, stond die beschaving in volle bloei, werden in al die kerken en kloosters erediensten opgedragen en werd geredetwist over thans enigszins eigenaardig aandoende theologische opvattingen. Zelfs Dalrymple komt op zijn gekopieerde reis niet alleen de resten van het nestoriaanse geloof tegen, maar ook nog de Yezidi, de van oorsprong Perzische aanhangers van Lucifer, de gevallen engel.

In de steden van Oost-Turkije - Urfa, het vroegere Edessa, Diyarbakir - en Syrië zoekt hij contact met de laatste overlevenden van allerlei godsdienstige splintergroepen. Hij drukt er de handen van schichtige vreemdelingen en bezoekt hun belegerde en weggemoffelde heiligdommen. Tussen die steden liggen de vrijwel of inmiddels geheel verlaten kloosters, als schepen die na de zondvloed zijn achtergebleven; de handjesvol stokoude kloosterlingen die er nog verblijven mummelen een laatste echo van de eeuwen. In het onverschillige landschap rijst zo nu en dan een schaapskooi op, die bij nadere inspectie een vroeg-christelijke kerk blijkt. Toegewijd zoekt Dalrymple de dunne draadjes bij elkaar en al schrijvend weet hij er waarachtig nog een streng van te vlechten ook, een streng die ons verbindt met een fascinerende tijd en een grote beschaving.

Maar het is een laatste poging, en het is een constructie - en Dalrymple weet dat. Hij schrijft bij elkaar wat allang niet meer bij elkaar gehouden wordt, hij plaatst een hele reeks gebouwen en relicten onder de slagschaduw van een centrum dat al heel lang geen centrum meer is. Zelfs die schaduw heeft plaats moeten maken voor een verzengende zon. De mozaïeken schitteren nog wel, maar het land dat hen omringt is dor en verbrand.

Het naargeestige is echter dat het wegvallen van de middelpuntzoekende kracht die al deze cultuur bijeenhield, eeuwenlang geen fatale gevolgen heeft gehad voor de afzonderlijke elementen van die cultuur, maar dat juist in onze tijd ook die oorspronkelijke delen verkruimelen. Of liever gezegd: aan gort geslagen worden. De droogte en de brandlucht zijn niet teweeggebracht door de zon, maar door de aanstekers van een stelletje bigotte barbaren.

En in de verbijstering en het verdriet daarover zit de grondtoon van Dalrymple's In de schaduw van Byzantium. Die schaduw is geen schaduw, maar een ijskoude nacht - en Byzantium heeft er allang niks meer mee te maken, maar het gaat vooral om Ankara en Mekka, om barre ideeën over culturele hegemonie en historische correctie. Dalrymple maakt al liftend en kijkend de balans op van wat de eeuw van het godsdienstig en politiek nationalisme in de Levant aan het aanrichten is. Niet zozeer de verwoestingen die in het heden worden aangericht zijn zijn obsessie, maar de verduistering die de geschiedenis wordt aangedaan.

De lijstjes van wat de Turken in het oosten van hun land aan Armeense geschiedenis aan het uitwissen zijn, kun je niet met droge ogen en een ineenschrompelend hart lezen. Nog geen eeuw geleden werden de mensen om wie het ging in groten getale om zeep gebracht, nu worden de plaatsen die aan hen herinneren uitgewist - met mokers en springstof, met bulldozers en stuwdammen.

Wie het leest wordt er radeloos van.

Waar hij ook komt, deze sobere en sombere Schot, bij de laatste kloosters van Turks Koerdistan of de nationalisten van Noord-Egypte, overal treft hij wel een groepje idioten aan die in de weer zijn de geschiedenis naar hun hand te zetten door haar uit te wissen. Zijn reis met Moschus' De geestelijke weide in zijn handbagage wordt een reis door de culturele wildernis, de weide werd een woestijn.

Hij is wat dat aangaat een goede leerling van Moschus: niet stilzitten en somberen, maar zelf poolshoogte gaan nemen. Dat hij dat doet met een indrukwekkende en op plezierige wijze gedoseerde kennis van de byzantijnse en vroeg-christelijke beschaving maakt het lezen van zijn boek tot een genoegen - de mate waarin hij begaan is met het lot dat de overblijfselen van die beschaving treft, maakt het tot een ongemakkelijk genoegen.

Soms lijkt het wel of Dalrymple op het punt staat op te roepen tot een nieuwe kruistocht. En je zou waarachtig bereid zijn eraan mee te doen, al was het maar omdat je dan met eigen ogen nog iets zien kon van wat met een paar jaar de onderlaag van een vrolijk geasfalteerde snelweg zal zijn - een snelweg uit de tijd, een hersenloze toekomst in.

Meer over