De week van president Obama’s debuut op het wereldtoneel

Vier jaar na zijn dood op de achtenswaardige leeftijd van 101 jaar wordt de naam van George Kennan nog altijd met eerbied uitgesproken in het buitenlands-politieke circuit....

Minder bekend is dat Kennan bepaald niet altijd een hoge achting voor de Europese bondgenoten aan de dag legde. In de discussie over het Marshall-plan voor grootscheepse hulp aan het door de oorlog ontredderde Europa adviseerde hij zijn politieke superieuren om de regie over de besteding van de gelden vooral niet uit handen te geven. Want naar zijn oordeel schrokken de Europeanen terug voor heuse verantwoordelijkheid en wilden ze eigenlijk ook liever dat de VS fungeerden als leidsman.

Een saillante observatie, die in de navolgende zestig jaar nog vele malen de kop zou opsteken. In verschillende vormen en gradaties. Nu eens klaagde een Amerikaanse president dat de Europese aanspraak op invloed omgekeerd evenredig was aan de last die de meeste bondgenoten bereid waren op zich te nemen (John Kennedy). Dan weer vroeg een Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken zich openlijk af welk telefoonnummer hij toch in hemelsnaam moest bellen als hij Europa wilde raadplegen (Henry Kissinger).

Wrijvingen tussen Amerika en Europa deden zich bij herhaling voor. Ook op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, toen het vijandbeeld helder was en de confrontatie tussen Oost en West dwong tot discipline. De ene keer ergerden Amerikaanse politici zich aan Europees gepalaver, de andere keer stoorde men zich in de Europese hoofdsteden aan Amerikaans dirigisme.

Sommigen schijnen te denken dat het Europese vertrouwen in de VS pas onder George Bush jr. een lelijke knauw kreeg – en misschien beleefde de transatlantische alliantie inderdaad een dieptepunt tijdens zijn presidentschap – maar nieuw waren de Europese jeremiades allerminst. Democratische presidenten waren net zo goed het mikpunt van Europese kritiek als Republikeinse. Soms luidde de klacht dat het Witte Huis veel te bruusk opereerde, maar er werd ook wel getwijfeld aan de Amerikaanse vastberadenheid. Jimmy Carter werd ervan beschuldigd dat hij een te naïeve visie op de Sovjetintenties had. In de eerste jaren van Bill Clintons presidentschap werd ook geklaagd over gebrek aan Amerikaans leiderschap – totdat Washington tot de slotsom kwam dat de crisis op de Balkan pas kon worden opgelost als het niet langer bleef vragen aan de Europeanen wat zij ervan vonden, maar resoluut de leiding nam.

Nu staat Barack Obama aan het roer in de VS. Deze week heeft hij zijn debuut gemaakt op het wereldtoneel, en overal wordt met vreugde vastgesteld dat hij zo veel meer souplesse en tact aan de dag legt dan zijn voorganger. Waar deze excelleerde in het belijden van beginselen, wordt er thans weer volop diplomatie bedreven, inclusief het berusten in compromissen als het plafond van het haalbare is bereikt.

Toch rijst de vraag of de Europeanen zich niet te vroeg rijk rekenen, althans wat de Amerikaanse insteek betreft. Want hoe joyeus Obama zich ook presenteert, op een aantal essentiële punten blijven er duidelijke verschillen van inzicht en temperament bestaan.

Volgens Stephen Sestanovich, een scherpzinnige analyticus die is verbonden aan Columbia University en aan de Council on Foreign Relations, doen in Obama’s entourage dezelfde misprijzende kwalificaties over Europa de ronde als in vroegere Amerikaanse regeringen. Ongeacht of het over de economische crisis of Afghanistan gaat, de Europeanen zijn timide en schuwen verantwoordelijkheid, schrijft hij in Foreign Policy.

Kritiek op Europa wordt ter linkerzijde nauwelijks minder geventileerd dan in conservatieve kring. Waar het gaat om de bestrijding van de wereldwijde economische crisis, zijn het vooral liberale, progressieve economen die de Europeanen, de Duitsers voorop, gebrek aan durf en daadkracht aanwrijven. Na de G20-top oordeelde The New York Times in een commentaar dat de verzamelde leiders tekort waren geschoten. De krant noemde het begrijpelijk dat Obama het meningsverschil over de reikwijdte van het stimuleringsbeleid niet op de spits had gedreven, maar maande het Witte Huis om de komende tijd met nog meer kracht te ijveren voor grotere geldinjecties.

Op dit specifieke punt hebben de Europeanen goede argumenten om de boot af te houden. Maar als het gaat om Afghanistan, is het treurig om te zien hoe weinig toeschietelijk Europa blijft – ook nu Bush als zondebok van het toneel is verdwenen. Robert Kagan (die de Amerikanen van Mars en de Europeanen van Venus liet komen) weet de oorzaak wel: het ontbreekt Europa nu eenmaal aan mondiale ambitie. Ook hier doet zich een verschil in temperament gelden, schrijft hij in The Washington Post. Amerikanen zien onrust als een bron van creativiteit, Europeanen zijn afkerig van risico.

Hoe zal de regering-Obama omgaan met deze kloof? Minzaam, maar zonder veel scrupules, denkt Kagan. Hij heeft er een mooie term voor: het ‘zachte unilateralisme van de lage verwachting’.

Meer over