De week van Israels lotgevallen in Washington

Bij de geboorte van de Joodse staat in 1948 was de affiniteit met het zionistische project in Washington beperkt. Vele Amerikanen meenden dat goede betrekkingen met de Arabische wereld dienden te prevaleren.

In retrospectief zijn we vaak geneigd historische gebeurtenissen op te vatten als de logische uitkomst van bepaalde eerdere ontwikkelingen. Zo wordt de geschiedenis een vloeiende beweging van oorzaak en gevolg. De voor Duitsland vernederende vrede van Versailles na de Eerste Wereldoorlog moest wel leiden tot de opkomst van revanchisme en nationalisme – het onzalige mengsel dat Hitler voortbracht. Na de weifelmoedige indruk die president Kennedy in eerste instantie had gemaakt op Sovjet-leider Chroesjtsjov, kon het niet uitblijven dat deze hem op de proef zou stellen – en die beproeving werd de Cuba-crisis van 1962.

Uiteraard is er voor dergelijke causale verbanden het nodige te zeggen. Maar ze veronachtzamen nogal eens de persoonlijke factor en de rol van het toeval. Neem het diplomatieke spel dat zich afspeelde vlak voor het uitroepen van de Israëlische onafhankelijkheid, waarvan dezer dagen de zestigste verjaardag wordt gevierd.

Truman

Vanwege de zeer hechte Amerikaans-Israëlische banden wordt alom aangenomen dat Washington ook een toegewijde peetoom was bij de geboorte van de Joodse staat. Niets is minder waar. In feite was het een dubbeltje op zijn kant dat president Harry Truman zijn steun aan de nieuwe staat uitsprak, zoals Richard Holbrooke deze week memoreerde in een artikel voor The Washington Post.

Diplomaat Holbrooke, die onder meer VN-ambassadeur was in de laatste twee jaar van de regering-Clinton, kent de periode goed omdat hij twintig jaar geleden Trumans naaste adviseur (en latere minister van Defensie) Clark Clifford terzijde stond bij het schrijven van diens memoires. Hij sprak uitvoerig met Clifford en interviewde de kopstukken uit de regering-Truman (voor zover nog in leven). Daaruit rees het beeld op van wat Holbrooke in zijn artikel betitelt als een ‘episch gevecht’ over de vraag hoe de VS moesten reageren op de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring.

Weinig animo voor directe erkenning

In feite wilde bijna de hele Amerikaanse regeringstop wachten met erkenning van Israël. Sommigen hadden grote aarzelingen over de voorgenomen deling van het mandaatgebied Palestina in een Joodse en een Arabische staat. Ze zagen liever dat Washington steun zou geven aan het voorstel van Groot-Brittannië (de koloniale machthebber in Palestina), dat het beheer over het gebied eerst wilde overdragen aan de Verenigde Naties.

Slechts een handjevol lieden in het Witte Huis was geporteerd van directe erkenning. Een van hen was Truman zelf. Maar al was hij de president, hij kon niet simpelweg zijn zin doordrijven.

Tegenstanders

De mannen die hij tegenover zich vond, waren de grote namen van zijn eigen buitenlandse politiek: minister van Buitenlandse Zaken George Marshall, minister van Defensie James Forrestal, wise men als George Kennan en Dean Acheson. Vooral Marshall, door Truman bewierookt als ‘de grootste Amerikaan van deze tijd’, was mordicus tegen. Tijdens een topberaad in het Witte Huis viel hij heftig uit tegen Clifford, die op Trumans verzoek beargumenteerde waarom snelle erkenning de beste optie was. Hij dreigde zelfs in de verkiezingscampagne publiekelijk stelling te nemen tegen Truman als deze zijn voornemen zou uitvoeren. Dit dreigement kon de president niet negeren. Hij stond er op dat moment in de peilingen slecht voor en kon zich een openlijke aanvaring met de alom gerespecteerde Marshall en andere coryfeëen in zijn eigen regering niet permitteren.

Uiteindelijk vond het Witte Huis onderminister Robert Lovett bereid om op Marshall in te praten en hem te vragen zich van commentaar te onthouden als Truman toch tot erkenning van Israël zou overgaan. Enkele uren voordat het Britse mandaat afliep en David Ben-Goerion de Israëlische onafhankelijkheid zou uitroepen, zwichtte de machtige minister. Welgeteld 11 minuten na het moment suprême in Tel Aviv volgde de Amerikaanse steunverklaring. Het leek gezwinde diplomatie, maar het was kunst- en vliegwerk.

Arabische wereld

Daarbij gaven Trumans persoonlijke overtuiging en zijn politieke onverschrokkenheid de doorslag. Want de affiniteit met het zionistische project was beperkt in Washington. Velen meenden dat goede betrekkingen met de Arabische wereld dienden te prevaleren. Vanwege de numerieke verhoudingen (30 miljoen Arabieren versus 600 duizend Joden), vanwege de olie en bij een enkeling ook vanwege antisemitische sentimenten.

Het was dan ook verbazend om deze week om de Israëlische president Shimon Peres deze week publiekelijk te horen verzuchten dat hij nog altijd niet begrijpt waarom de regering-Truman in de periode rond de onafhankelijkheidsverklaring geen wapens leverde aan Israël. De president zelf wilde vermoedelijk wel, maar hij had te maken met aanzienlijke weerstand.

Mythes over Joodse lobby

In het licht van de huidige innige relatie VS-Israël valt dat moeilijk voor te stellen. Maar die innigheid wordt ook wel eens overschat, mede vanwege mythische noties over de invloed van de ‘Joodse lobby’. President Bush kan op goede gronden worden aangemerkt als de meest pro-Israëlische president die ooit in het Witte Huis heeft gezeteld. Maar het is zeer de vraag of hij de bestaanszekerheid van Israël per saldo heeft vergroot. Met Hamas in Gaza, Hezbollah in Libanon en de toegenomen dreiging van Iran dringt zich een ontkennend antwoord op. Niet alleen aan Israël, dat zijn 60ste verjaardag met een enigszins beklemd gemoed viert, maar ook aan de zo machtig gewaande Amerikaanse Joden, van wie trouwens een meerderheid in 2004 op Bush’ tegenstander stemde.

null Beeld
Meer over