De week van een Russische boodschap uit Peking aan Europa

Het gebeurt niet zo vaak dat de eerste twee zinnen van een betoog meteen ook twee kapitale misvattingen bevatten. Die twijfelachtige eer komt toe aan een column die Thomas von der Dunk deze week schreef op de opiniesite van de Volkskrant....

Paul Brill

‘Voor historici is het even vanzelfsprekend om fundamentele kritiek op Amerika als op Rusland uit te oefenen. Voor de buitenwacht ligt dat anders’, zo begon Von der Dunk een kleine boutade over de slaafsheid die Nederland aan de dag zou leggen tegenover bondgenoot Amerika.

Is het voor historici inderdaad ‘even vanzelfsprekend’ om de Verenigde Staten als om Rusland op de korrel te nemen? Om te beginnen spreekt hieruit een curieuze taakopvatting. Van historici mag je verwachten dat ze zich toeleggen op het beschrijven en duiden van ontwikkelingen. Uiteraard kan dat uitmonden in een kritische weging van het reilen en zeilen van diverse mogendheden. Historici zijn per slot van rekening net mensen. Maar de historicus die met hetzelfde vuur het democratische Amerika en het autocratische Rusland (verwekker en erfgenaam van de totalitaire Sovjet-Unie) de mantel uitveegt, is toch vooral een slechte historicus.

Volgt misvatting nummer twee, namelijk dat de ‘buitenwacht’ de hogere staat van het ongezouten kritiek leveren op de VS helaas nog niet zou hebben bereikt. Van een paar jaar geleden herinner ik me opiniepeilingen met de vraag wie het grootste gevaar voor de wereldvrede vormde. Praktisch overal in West-Europa, Nederland niet uitgezonderd, leverden die peilingen lijstjes op waar George W. Bush bovenaan prijkte.

De enige die hem qua vervaarlijkheid naar de kroon stak, was Ariel Sharon. Osama bin Laden, Mahmoud Ahmadinejad, vader of zoon Kim uit Noord-Korea, Vladimir Poetin – ze figureerden in de peilingen allemaal als brave borsten in het aangezicht van de president der Verenigde Staten.

Soortgelijke onderzoeken ben ik recentelijk niet meer tegengekomen, maar ik durf te wedden dat de uitslag ruwweg dezelfde zou zijn, met Bush als onbedreigde winnaar van de titel Gevaarlijkste Man ter Wereld. Ook in Nederland, inclusief het Binnenhof. In 2004 werd daar massaal en openlijk gebeden voor de kansen van John Kerry (zoals nu bijna iedereen voor Barack Obama is). Met de kritische gezindheid van de ‘buitenwacht’ ten aanzien van het Witte Huis loopt het dus wel los.

Daarmee is uiteraard niet ontkend dat de Nederlandse buitenlandse politiek vanouds wordt gekenmerkt door een sterke oriëntatie op de Angelsaksische wereld, eerst Groot-Brittannië, later de Verenigde Staten. Dat heeft te maken met onze handelstraditie en met het streven naar rugdekking tegen de twee continentale mogendheden die ons omringen.

Maar ook hier is de realiteit genuanceerder dan je zou denken als je louter afgaat op de beeldvorming, die sterk is beïnvloed door bijvoorbeeld de dociele indruk die Jan Peter Balkenende en Jaap de Hoop Scheffer maakten toen ze voor het eerst het Oval Office betraden. In de loop der jaren heeft Den Haag meer dan eens een andere positie gekozen dan de VS.

Dat loopt van de controverse over de plaatsing van kruisraketten begin jaren tachtig, tot het dispuut over verdere uitbreiding van de Atlantische alliantie, dat zich op de recente NAVO-top in Boekarest ontspon. Ook de oriëntatie van Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken in de afgelopen twintig jaar wilde nogal eens verschillen. Sommigen waren uitgesproken atlantici, maar anderen (Kooijmans, Van Mierlo, Bot) hadden duidelijk meer affiniteit met de Europese samenwerking.

Vijf jaar geleden kon je op redelijk goede gronden nog wel beweren dat Den Haag uit de Europese pas liep. Of althans uit de Frans-Duitse pas, die destijds voor landen als Denemarken, Italië en Polen – om maar te zwijgen van Groot-Brittannië – ook niet bepaald de maat der dingen was. Maar goed, met Jacques Chirac en Gerhard Schröder zat Nederland duidelijk niet op één lijn – hoewel de divergentie voor Berlijn en Parijs niet ernstig genoeg was om de benoeming van De Hoop Scheffer tot NAVO-chef te blokkeren.

Anno 2008 is van een strategische uitzonderingspositie voor Nederland al helemaal geen sprake meer. Zonder dat het Haagse kompas is vervangen, want in feite is de Europese mainstream naar onze kant opgeschoven. Duitsland, dat ten tijde van Schröder een betere relatie met Moskou had dan met Washington, heeft onder Angela Merkel de banden met de VS weer aangehaald. Dat geldt a fortiori voor het Frankrijk van Nicolas Sarkozy, die bezig is zijn land te situeren op de voorste rij van het Atlantisch koor, wat mag worden betiteld als een kleine revolutie na meer dan veertig jaar exception française.

Maar al is deze realignment een gunstige ontwikkeling, ze laat onverlet dat er nog steeds een bevredigend antwoord moet worden gevonden op de vraag of en hoe Europa een machtsfactor op het wereldtoneel wil zijn. Moet de Europese Unie zelfstandig haar invloed kunnen doen gelden in internationale crises, en zo ja: wat komt daarbij kijken?

Voorlopig prevaleert de doctrine van de soft power, een handzame doctrine voor een continent waar het leven goed is en dat niet graag wordt herinnerd aan de spoken van het verleden. Maar dwingt die voldoende respect af bij andere grote spelers? Afgelopen week maakte de nieuwe Russische president Dmitri Medveded zijn eerste buitenlandse reis. Die voerde naar Astana (Kazachstan) en Peking, niet naar Berlijn en Brussel. Een saillante vingerwijzing – zelfs al is Medvedev niet de ware machthebber in Moskou.

Meer over