De week van de accolades van Bush en de angsten van Israël

Er zijn uitdrukkingen en begrippen die een tijdlang hevig in de mode zijn, om vervolgens even snel uit het spraakgebruik te verdwijnen als ze in zwang zijn geraakt....

Paul Brill

Je hoort de woorden klip en klaar nog maar zelden. Tegenwoordig houden politici meer van de term transparantie. De politiek en de overheid moeten vooral transparant zijn.

Een begrip dat ook op de achtergrond is geraakt, is pax americana. Lange tijd werd het gebruikt om een kritische noot te plaatsen bij wat dan wel een toestand van vrede was, waarvan evenwel de inslag goeddeels werd bepaald in Washington – zoals twee millennia geleden de pax romana werd bestierd vanuit Rome.

Anno 2008 gelden de Verenigde Staten nog steeds als de machtigste mogendheid, maar kun je in gemoede niet meer menen dat de internationale of zelfs een regionale constellatie wordt gekenmerkt door een pax americana. (Al zullen er altijd mensen blijven die zeker weten dat er niets in de wereld gebeurt zonder dat het in het Witte Huis of het Pentagon is bekokstoofd.)

Dit geldt in het bijzonder voor het Midden-Oosten. Nu wordt deze regio zo vaak geplaagd door gewapende conflicten, dat het woord vrede sowieso niet erg toepasselijk is. Maar in het verleden liet dat onverlet dat er wel degelijk zoiets als een pax americana heerste: zeker na de ontbinding van de Sovjet-Unie zagen bijna alle partijen de VS als belangrijkste speler. Niet alleen Israël, maar ook een groot deel van de Arabische wereld stemde zijn politiek daarop af.

Een groeiend aantal waarnemers vraagt zich af of de VS anno 2008 nog wel de overhand hebben in de regio. En voor sommigen is het zelfs geen vraag meer. In zijn column in het tijdschrift Jerusalem Report lanceerde de goed ingevoerde Israëlische commentator Ehud Yaari twee weken geleden een opmerkelijke term: in het Midden-Oosten worden de contouren zichtbaar van wat je volgens hem een pax iranica zou kunnen noemen, met dien verstande dat het woord vrede hier met nog wat meer korrels zout moet worden genomen.

Want Iran kan inmiddels bogen op een riante invloedssfeer. In Irak mag het rekenen op de toegewijde aandacht van premier Nuri al-Maliki en fungeert het als peetoom voor diverse sjiitische milities. Samen met bondgenoot Syrië heeft het Hezbollah opgebouwd tot een strijdmacht die in Libanon haar gelijke niet heeft, zoals bij de gewapende confrontatie van het vorige weekeinde duidelijk is gebleken, en die een serieus gevaar voor Israël vormt. Ten slotte onderhoudt het warme relaties met Hamas in Gaza, waardoor het de vredesbesprekingen tussen Israël en de Palestijnse president Mahmoud Abbas kan dwarszitten. Alles bij elkaar betekent dit dat ‘Teheran een situatie heeft geschapen waarin een ieder die de Iraanse nucleaire faciliteiten wil aanvallen, zich er rekenschap van moet geven dat dit tot bittere strijd zal leiden’, aldus Yaari.

Wat stellen de VS hiertegenover? Onder het leiderschap van George W. Bush zijn de Amerikanen in een positie terechtgekomen waarin ze ‘niet geliefd, niet gevreesd en niet gerespecteerd’ worden, schrijft oud-diplomaat en Midden-Oostenkenner Aaron David Miller in een zojuist verschenen boek (het citaat ontleen ik aan New York Times-columnist Thomas Friedman). Minister van Buitenlandse Zaken Rice reist om de haverklap naar het Midden-Oosten. President Bush zelf is er binnen vier maanden twee keer geweest.

Maar het zet allemaal weinig zoden aan de dijk. Bush’ belangrijkste wapenfeit deze week in Israël was zijn indirecte aanval op Barack Obama, die er naïeve ideeën op zou nahouden over de mate waarin terroristen kunnen worden overreed het geweld af te zweren. Er is geen enkele indicatie dat het vorig jaar met veel tamtam herstarte vredesproces substantiële vordering maakt.

Voor een deel is dit ongetwijfeld te wijten aan de zwakte en de dubbelhartigheid van de regering-Olmert. Maar die is tot op zekere hoogte ook het product van het gehavende Amerikaanse aanzien. Zo doet zich de curieuze paradox voor dat onder de misschien wel meest pro-Israëlische president die ooit in het Witte Huis heeft gezeteld, Israël zich juist onveiliger is gaan voelen en de Iraanse ‘omsingeling’ ervaart als een existentiële dreiging.

Helaas biedt Europa ook weinig soelaas – voorzover het in politiek-strategisch opzicht überhaupt iets te bieden heeft aan spanningshaarden. De regering-Sarkozy richtte vorig jaar een robuuste waarschuwing aan het adres van Teheran, maar doet er na de publicatie van het verwarrende rapport van de Amerikaanse inlichtingendienst over Irans nucleaire programma het zwijgen toe. Nog verontrustender voor Israël zijn de prominente stemmen in Duitsland – zoals van een naaste adviseur van minister van Buitenlandse Zaken Steinmeier – die pleiten voor niets minder dan een ‘strategisch partnerschap’ met Iran. Stemmen die wijzen op het (potentiële) economische belang van Iran en die menen dat de nucleaire aspiraties van het land als een gegeven moeten worden beschouwd. Stemmen die deze week een vergenoegde weerklank vonden in Teheran, waar de ultraconservatieve regeringskrant Kayhan schreef: ‘In de machtsstrijd in het Midden-Oosten zijn er slechts twee kampen: Iran en de VS.’

Meer over