De vrouwen van Erfmann kennen geen emotie

Hij was 'een komediantenjong' tegen wil en dank, een trapeze-werker die na een val alleen nog maar 'parterre-acrobatiek' deed, een miskend schilder, een gekweld transvestiet, en een eenzame vrijgezel, die de hoon van een dominante vader over zijn voorkeur voor zwaargebouwde vrouwen niet kon verdragen....

Van onze verslaggeefster

Truus Ruiter

DORDRECHT

Op het retrospectief dat het Dordrechts Museum aan Erfmann wijdt, ligt een notitieblokje van 'N.V. N. Jacobs' IJzerhandel' dat Erfmann in 1941 als aantekenboekje gebruikte. Hij noteerde de namen van zeven van de 'schoonste meisjes' die hij ooit ontmoette. Daaronder: 'Een dezer schoonsten der schoonen had ik moeten ten huwelijk vragen!!! Jammer, eeuwig jammer, dat ik dat niet heb gedaan, want dan had ik meer geluk in mijn leven gehad dan ik nu gehad heb. Een mensch betreurt alles te laat'

Het is haast gênant om getuige te zijn van zoveel teleurstelling en eeuwige strijd. Bestaat er na de dood geen privacy, vraag je je onwillekeurig af. Het wordt iets minder pijnlijk als je weet dat Erfmann zelf het voyeurisme tot een thema in zijn werk maakte. Bovendien levert de inside-informatie inzicht op over het hoe en waarom van zijn schilderijen. Want Erfmann heeft zijn 'mastodont', zoals hij zijn favoriete vrouw zelf noemde, niet getrouwd - wat ook te maken had met zijn impotentie door suikerziekte - maar, schreef hij: 'aangezien de natuur zich toch op één of andere wijze uiten moet, kon je toen in honderden (duizenden) tekeningen en schilderijen je teeltkeuze gaan uiten, nu voor de menschen nog veel tastbaarder en duidelijker.'

Duidelijker kan het inderdaad niet. Alle schilderijen van Erfmann zijn bevolkt met grote vrouwen met zware benen en armen, kleine borsten, smalle taille en dikke billen. Dat waren zíín ideale vrouwen. Geen warme, erotische vrouwen, geen vrouwen van vlees en bloed - ze hebben geen rimpels, pukkeltjes of wratjes, alleen een enkeling heeft een tatoe. Ze tonen geen enkele emotie en als er al wordt gelachen is het een verkrampte grijns. Soms zijn Erfmanns vrouwen, hoe ideaal ook voor hem, ronduit lelijk te noemen (Badschone, uit 1961) of nietszeggend (Tennisspeelsters, 1965, en Fietsende vrouwen, 1954).

Maar meestal zijn het tafereel en de compositie van het schilderij zo interessant dat je Erfmann zijn geïdealiseer vergeeft. De vestiaire- en garderobe-scènes, en de hoer en klant-schilderijen - het zijn dwingende voorstellingen. Erfmann is met Meisje op fiets (1942) op zijn best. Het heeft een Willink-achtige sfeer: een mooi meisje op de fiets in een lege straat waar een vreemd licht hangt, er gaat een dreiging vanuit die niet te verklaren is, waar ook, zo te zien, geen enkele aanleiding voor is. Maar toch is er suspense.

Formeel gezien vallen de schilderijen van Ferdinand Erfmann binnen de realististische stroming van de Neue Sachlichkeit die in de jaren twintig in Duitsland ontstond. De Nederlandse variant werd toen 'synthetisch realisme' genoemd: men zocht naar een synthese tussen een strakke vormgeving en kleur. Erfmann zelf noemde zijn werk 'psychisch synthetisch realisme', omdat hij er een psychologisch element aan wilde toevoegen. Mogelijk bedoelde hij het autobiografische dat hij in zijn schilderijen verwerkte.

Erfmann droeg bij voorbeeld graag vrouwenkleren - hij bewonderde de vrouw zo sterk dat hij er zelf uit wilde zien als een vrouw. Het schilderij Voor de spiegel (1953) is een zelfportret als travestiet. In een jurk en op hakken, een haarborstel in de hand geklemd, staat hij voor het raam en gluurt door de gordijnen: hier gebeurt iets dat het daglicht niet kan velen. Bij De Groet (1943) en Dame voor het venster (1961) is het onduidelijker: zijn het verklede mannen of vrouwen met een kort jongenskoppie?

Ook op de vele schilderijen met acrobaten is vaak het gezicht van Erfmann te herkennen. Het zelfportret was voor hem duidelijk een belangrijk middel om zich te laten gelden. Met de zelfontspanner maakte hij tientallen foto's in gymnastische poses. De foto's gebruikte hij voor zijn schilderijen waarop hij een 'verbinding van mannelijk en vrouwelijk schoon' zocht: 'het mannelijk gespierde met het vrouwelijk sierlijke'. Met de foto's leverde hij bovendien aan iedereen die het geloven wilde het bewijs dat hij ooit trapezewerker was geweest - wat helemaal niet waar was. Maar hij geloofde er zelf in. In een interview met de Volkskrant in 1965 prees hij de contraprestatie, 'dat is een mooi ding, nu kan ik zonder acrobatentoeren rustig leven'.

Op de tentoonstelling is de schilder, in korte broek - hij schijnt in de winter steevast een plusfour (pofbroek) te hebben gedragen en zomers een korte broek - in een drie minuten durend tv-fragment te zien. Het maakt deel uit van een kunstprogramma dat in 1968 werd uitgezonden naar aanleiding van een expositie van Erfmann bij Galerie Siau in Amsterdam. Kort daarna zou Erfmann tijdens een vakantie op Sardinië overlijden.

Hem wordt gevraagd hoe hij zichzelf als schilder ziet. 'Een aparte figuur. Als mens ben ik ook apart.' Het schilderen is voor hem een vlucht uit de realiteit, legt hij uit. Of ie tegen kritiek kan? Natuurlijk, dat moet je kunnen hebben. 'Maar ze zullen nooit zeggen dat het rotzooi is, daarvoor is het te geacheveerd'. Hij bedoelt: netjes en precies afgewerkt.

Erfmann liet zijn totale oeuvre aan het Stedelijk Museum in Amsterdam na, maar galerie Mokum, die Erfmann tegen zijn zin inlijfde bij de naïeven, moest een groot deel van zijn nalatenschap terughalen van het Waterlooplein. In de jaren zeventig werd het werk van Erfmann onder de vleugels van Mokum genomen, maar in de jaren tachtig kreeg hij met solotentoonstellingen in Rotterdam en in Deurne eindelijk de 'aparte' status die hij verdient. Want apart is hij.

Ferdinand Erfmann 1901-1968. Tot en met 10 september in het Dordrechts Museum. Catalogus ¿ 35,-. Van 3 december tot en met 11 februari 1996 in Gemeentemuseum Arnhem.

Meer over