De visie van curator Kirk Varnedoe Zwagerman kijkt (extra aandachtig)

Abstracte kunst verguizen, dat is toch gewoon gemakzuchtig? Blijf kijken, probeer het werk te lezen. Dat is een kleine moeite.

De Franse kunstenaar Yves Klein stierf jong, in 1962, op 34-jarige leeftijd. In 1957 raakte hij bekoord van de kleur blauw, en was vastbesloten het mooiste blauw ter wereld te ontdekken. Hij trof dat mooiste, diepste blauw aan in de Sint-Franciscusbasiliek in Assisi, op de fresco's van Giotto. Klein experimenteerde met een ultramarijn pigment en een specifiek fixatief en vroeg patent aan op zijn zelfontwikkelde kleur die hij IKB noemde, International Klein Blue. In zijn laatste jaren legde hij zich geheel en al toe op wat hij noemde het verspreiden van de 'blauwe revolutie'. Eén pijler van die revolutie bestond uit allerlei excentrieke performances en (half geslaagde en half ludieke) acties; een andere pijler was de grote reeks blauwe monochromen op doek.

Op tafel in De Wereld Draait Door stond op een klein statief een reproductie van zo'n intens blauw monochroom. Titel: Untitled, zoals de meeste van zijn monochromen.

DWDD's huisdichter Nico Dijkshoorn was die avond ook te gast. Na afloop zei Dijkshoorn tegen me: 'Al praat je er geen 6 maar 60 minuten over, het blijft natuurlijk helemaal niks. Ik zie gewoon een blauwe muismat achter glas.' Die zin had uitstekend in een van zijn gedichten gepast en met een voordracht heb je er in een handomdraai de lachers mee op je hand.

Daags na de DWDD-uitzending kwam het verhaal over Klein op de site Dumpert terecht, met als ankeiler 'Dikke 6 minuten gelul over de kleur blauw'. In de comments gingen heel wat reaguurders los. Het is een pavlovreactie: toon een abstract kunstwerk en er zijn er die zich direct bedienen van een vast aantal woorden en uitdrukkingen: oplichterij, subsidievreters, ons belastinggeld, nieuwe kleren van de keizer - je kunt de lijst zonder enige moeite aanvullen.

Sinds Malevitsj' Zwarte vierkant uit 1914 bestaat er een - relatief jonge - traditie van abstracte kunst. Onverbrekelijk verbonden met die traditie is de afkeuring ervan en de minachting ervoor. Niemand hoeft zich natuurlijk genoodzaakt te voelen abstracte kunst een warm hart toe te dragen, maar de felheid en gretigheid waarmee die kunst tot op de dag van vandaag wordt afgeserveerd, blijft verbazen.

Een genre in de beeldende kunst dat zó fel en volhardend wordt geminacht, blijft apologeten nodig hebben, liefhebbers die gevrijwaard zijn van het stofwolken verspreidende moderne-kunstjargon.

Een van de mooiste apologieën komt van Kirk Varnedoe en heet Pictures of Nothing. Abstract Art since Pollock (2006). Het boek is gebaseerd op zes lezingen die Varnedoe niet lang voor zijn overlijden in 2003 gaf in de National Gallery of Art in Washington.

Varnedoe, het bekendst geworden als curator van het MoMA in New York, begon zijn lezingen met de opmerking dat hij niet geloofde in 'ismen'. De labels modernisme en postmodernisme ontnamen volgens hem het zicht op de individuele beweegredenen van uiteenlopende abstracte kunstenaars, vooral die uit de VS. Rothko en De Kooning verschilden van elkaar als Rembrandt en Vermeer. Rothko maakte vanaf de jaren vijftig sferisch, verstild, teer en broos werk; Pollock bekwaamde zich juist in woeste, dyonisische, bijna animistisch-wilde abstractie. Wie de twee louter op grond van de abstractie in hun werk met elkaar verbindt, is te vaag.

Dat de beeldende kunst zich, aldus Varnedoe, ontwikkelde van Cézanne via Malevitsj, Kandinsky en Mondriaan naar Pollock, De Kooning en Rothko, betekent niet dat het belang van het werk van de drie laatstgenoemden automatisch is af te leiden van de statuur en werkwijzen van de vier eerstgenoemden. Waarop hij, in een van de lezingen, zijn credo presenteerde: als er op het eerste gezicht weinig tot niets is te zien op een (abstract) schilderij, is dat juist een aansporing om langer en beter te kijken.

Pictures of Nothing bestaat uit zes proeven van gedetailleerd kijkonderzoek. Zijn lezingen waren niet evangeliserend bedoeld; hij won geen zieltjes voor de abstractie in de kunst. Toch is nou net die titel ongelukkig gekozen. Varnedoe ontleende de titel aan de Britse 19de-eeuwse essayist William Hazlitt. In een polemisch essay wees Hazlitt het latere werk van zijn tijdgenoot J.M.W. Turner af. Turner (1775-1851) begon zijn carrière als een maker van technisch knappe, maar conventionele landschappen en zeegezichten, maar evolueerde tot een in zijn tijd onbegrepen excentriekeling die zich toelegde op het vervaardigen van schilderijen waarin louter licht en lucht het beeld domineerden. Turner als vernieuwer en revolutionair tegen wil en dank; als de man die abstractie 'uitvond' zonder er in die termen naar op zoek te zijn - zo wordt deze Britse kunstenaar tegenwoordig gepresenteerd.

In Tate Britain verdringen de meeste bezoekers zich voor juist die sferische, ijle werken die in zijn eigen tijd werden gediskwalificeerd. Ook Hazlitt vond die latere werken ondermaats en vooral veel te makkelijk: 'Pictures of nothing, and very alike.'

Dat Varnedoe juist die frase tot titel van zijn apologie voor de naoorlogse abstracte kunst promoveerde, heeft iets triomfalistisch. Hij suggereerde ermee dat het uitsluitend een kwestie van tijd is voordat de abstracte werken van met name Pollock, De Kooning, Rheinhardt en Rothko door een massapubliek net zo zal worden gewaardeerd en zelfs gekoesterd als tegenwoordig bij Turner het geval is. Wijzelf zijn eenvoudig niet 'rijp' voor de abstracte kunst sinds Pollock, Rothko en Klein. Onze achterkleinkinderen zullen zich voor de werken van abstracte kunstenaars verdringen zoals het massapubliek nu eertijdse nieuwlichters als Turner, Van Gogh en Claude Monet verafgoodt.

Dat is, helaas, een luie en gemakzuchtige veronderstelling, zwaar leunend op wat 'de folklore van de avant-garde' is gaan heten. Kenmerk van die folklore is de - voor ons o zo prikkelende en amusante - weerzin tegen het eertijdse publiek voor de werken van Turner, Van Gogh en Monet. Want ga maar na: waar ontleenden de impressionisten hun (geuzen)naam aan? Juist, aan een intens verontwaardigde Franse criticus die in een tijdschrift het werk van Monet belachelijk maakte doordat de werkelijkheid, vooral op Monets doek Impression, soleil levant (1873), was verarmd en gebanaliseerd tot louter, juist, 'impressionisme'. Juist dít kunstwerk van Monet is inmiddels ingedaald in het collectieve beeldbewustzijn blijkens de reproducties, tot op een muismat aan toe.

Onbegrip onder het grote publiek, een sneer van een tot conservatief bestempelde kunstcriticus en het klusje is geklaard: we kunnen een nieuwe kunststroming op basis van die afkeuring automatisch tot waardevol en belangwekkend promoveren. Maar die afkeuring heeft zó vaak plaatsgevonden dat het bijna een automatisme is geworden en aldus is vastgeroest tot die eerdergenoemde folklore, juist omdat óók hedendaagse sceptici bekend zijn met dit automatisme. In geval van Kirk Varnedoe en zijn Pictures of Nothing volstaat een simpele verwijzing naar een mopperende essayist uit de 19de eeuw niet om de abstracte kunst sinds Jackson Pollock op het schild te hijsen. De kunstgeschiedenis is toch niet te reduceren tot een soort repeterende reflex?

Ja, de Amerikaanse abstract-expressionisten waren, net als eertijds Van Gogh en Cézanne, lange tijd onbekend en straatarm, ja, zij moesten knokken voor erkenning in de internationale kunstwereld en ja, zij leefden als onbegrepen bohémiens in een burgerlijke samenleving - allemaal waar. Maar vormen die levensfeiten nog steeds een lakmoesproef voor kwaliteit en originaliteit?

Onbedoeld droeg Kirk Varnedoe met de titel Pictures of Nothing bij aan een inmiddels verkitscht beeld van de abstracte kunstenaar als miskende genius. Vergeet dus die boektitel. Maar koester wél die zes lezingen. Varnedoe 'las' abstracte schilderijen zoals de ideale lezer een gedicht leest: secuur, regel voor regel, woord voor woord bijna.

Rothko, Pollock en De Kooning waren bereid hun halve leven te wijden aan (de grenzen van) abstractie. Het is in vergelijking hiermee een geringe moeite aandacht te hebben voor de resultaten van hun levenswerk. Niet iedereen hóéft die moeite te doen. In dat geval zie je inderdaad: niets. Of hooguit een blauwe muismat.

undefined

Meer over