De vergeefse zoektocht naar onze identiteit

In het verleden zijn vele pogingen gedaan een antwoord te geven op de vraag of Nederland een natie was en zo ja waardoor die werd gekenmerkt....

IN de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw zijn velerlei beschouwingen verschenen over de vraag of Nederland een natie was en zo ja, wat voor inhoud en functie deze natie had. Wij kennen op zijn minst vijf benaderingswijzen.

1. Daar is wat men de egocentrische kan noemen: Nederlandse auteurs bestuderen de Nederlandse 'volksaard' en geven een lijst van eigenschappen waardoor dit volk eeuw na eeuw gekenmerkt zou zijn. De oogst is rijk.

Typisch Nederlands zijn bijvoorbeeld deugden als vrijheidszin, tolerantie, burgerlijkheid, gematigdheid, ordelijkheid, nuchterheid, flegma, en ondeugden als drankzucht, goklust, ontuchtigheid, neiging tot sektevorming, koppigheid, prekerigheid.

De lezer van zulke overzichten is geneigd de juistheid ervan te bevestigen en te concluderen dat Nederlanders in het openbare leven blijkbaar alle mooie en slechte kanten van de menselijke psyche breed etaleren. Veel houvast geeft dit niet.

2. Men kan om de Nederlandse eigenheid op te sporen ook nagaan wat er in de verslagen van reizigers die ons land bezochten vanaf de zestiende eeuw over de inwoners ervan werd verteld. Misschien levert dat concreter inzicht op dan de Nederlandse zelfbeschouwing.

Het valt niet mee. De buitenlandse reiziger die hier naar de Nederlandse volksaard komt speuren met de bedoeling er een boek of artikel over te schrijven, neemt ter voorbereiding allerlei literatuur door; de stereotypen die hij daarin heeft gevonden, toetst hij meestal niet grondig aan de werkelijkheid, integendeel hij wil die zo snel mogelijk bevestigd zien.

Bovendien moet hij zijn lezers proberen te boeien en dat doet hij door het voor hen vreemde veel nadruk te geven zodat het soms lijkt of Nederland een raar, bijna exotisch landje was. Dat deden Engelse reizigers graag in de zeventiende eeuw; en Duitse reizigers uit de negentiende kenden voor het geminachte Holland van toen geen betere term dan 'de Chinezen van Europa' - exotischer kan het niet! Met andere woorden, al zijn er door buitenlanders bepaald prachtige uiteenzettingen over Nederland geschreven, de Nederlandse volksaard of identiteit leert men uit deze hele literatuur niet kennen.

Indien een Nederlandse volksaard op deze manieren dus blijkbaar niet zichtbaar is te maken, zal de onderzoeker een andere methode proberen te gebruiken. Hij leidt de Nederlandse nationaliteit niet af uit haar niet goed definieerbare inhoud, maar uit de functie die de Nederlandse cultuur in het internationale verkeer heeft vervuld en eventueel nog vervult. Dat is een dynamischer aanpak.

In dit soort beschouwingen gaat het niet om de duurzame eigenschappen van een bevolking maar om de manier waarop zij met het buitenland en het buitenland met haar, omgaat. Daar blijken ten minste drie opvattingen over te bestaan.

3. In 1884 poneerde Conrad Busket Huet in zijn beroemde Het land van Rembrandt dat de bevolking van een staat pas een natie mag worden genoemd wanneer zij iets oorspronkelijks produceert dat in het buitenland wordt gewaardeerd en nagevolgd omdat het zowel mooi en belangrijk als voor die bevolking karakteristiek is. Het is dus het buitenland dat bepaalt of een bevolking een nationaliteit bezit.

Welnu, in Busken Huets eigen tijd voelde het buitenland diepe bewondering voor de Nederlandse schilderkunst van de zeventiende eeuw. Nergens, dacht men, werd toen op die manier gewerkt. Er bestond geen twijfel aan dat Nederland in die periode een bij uitstek nationale bijdrage aan de Europese cultuur heeft kunnen leveren en dus een natie genoemd mocht worden. Maar in Huets negentiende eeuw was dat al lang niet meer zo.

Het buitenland had geen belangstelling voor de eigentijdse Nederlandse produktie op het gebied van de cultuur, herkende er niets van belang in en zag in het weinige dat wellicht bruikbaar was geen oorspronkelijk Nederlands karakter weerspiegeld. Nederland had dus geen nationaliteit meer.

De relatie met het buitenland kon echter ook op een heel andere manier worden geïnterpreteerd. Een iets oudere tijdgenoot van Huet, Johannes van Vloten, geloofde wel vurig in de werkelijkheid van een eigenaardige Nederlandse natie. Het karakteristieke ervan was echter niet in de eerste plaats dat zij volstrekt originele werken voortbracht die geschikt waren voor de export, maar dat zij alle vernieuwingen die in het buitenland werden geprobeerd importeerde, op basis van de eigen Nederlandse maatstaven beoordeelde en, wanneer zij van voldoende kwaliteit bleken, ook voor eigen gebruik gereed maakten.

Zodoende verwerkte de Nederlandse beschaving steeds het beste uit het buitenlandse cultuurgoed op geheel eigen manier. Daaruit ontstond een geavanceerde en gevarieerde produktiviteit die bepaald niet onderdeed voor de soms al te uitbundige en vaak tegenstrijdige verzinsels uit de buurlanden. Dank zij zijn openheid en weerbaar eclecticisme was de Nederlandse geest in staat tot het scheppen van een nationale stijl van denken, schrijven en schilderen.

5. Een halve eeuw na Huet en Van Vloten werkte J. Huizinga verder aan de gedachtenspinsels van zijn voorgangers. Men vindt bij hem Huets stelling dat Nederlands eigenheid in de zeventiende eeuw te danken was aan de uitzonderlijkheid van zijn bestaan, een rijk land in een arme tijd, een republiek te midden van monarchieën, een 'realistische' kunststijl in een door de barok beheerst Europa.

Ook vond hij dat deze Nederlandse nationaliteit in de achttiende eeuw veel van haar kracht en inhoud verloor. Maar dat zij toen verdween, nee, dat aanvaardde hij niet. Zij bleef in stand en vond een functie. Net als Van Vloten accentueerde hij de openheid van de Nederlandse geest en cultuur. Hij deed met deze gedachte echter iets anders. Het ging Huizinga niet zozeer om de transformatie van de buitenlandse import voor nationaal gebruik als wel om de preparatie ervan ten bate van de export. Nederlands betekenis voor Europa, waaraan het een deel van zijn permanente grootheid had te danken, was zijn geografische situatie en de daarmee ongetwijfeld samenhangende intellectuele geaardheid.

Zoals de Hollandse stapelmarkt in de zeventiende eeuw goederen uit de hele wereld aantrok, bewerkte en doorverkocht, zo trekt de Nederlandse cultuur ook in de twintigste eeuw nog de kostbaarste cultuurgoederen uit het buitenland naar zich toe om ze na bewerking aan andere landen door te geven, van Duitsland naar Engeland, van Engeland naar Frankrijk. De functie van de zelfstandige Nederlandse cultuur was bemiddeling, middelaarschap, en Huizinga hechtte daar grote waarde aan.

Men ziet het, Nederlands openheid, dat is afhankelijkheid van vreemde culturen, dat is passiviteit en receptiviteit, werd door Huizinga tot een activiteit omgevormd en kreeg daardoor diepe zin.

Op de vijf hier geschetste thema's zijn in de loop der jaren velerlei variaties gecomponeerd maar die kunnen we laten voor wat ze zijn. Ze veranderen de conclusie niet die iedereen waarschijnlijk moet trekken: in 1995 biedt geen van deze benaderingen ons nog houvast. Zelfs die van Huizinga niet. Hij meende dat het gemak waarmee de Nederlander Frans, Duits en Engels spreekt hem een bemiddelende rol in het internationale verkeer verschaft. Wij kennen dat gemak niet meer. Het heeft dan ook geen zin door te blijven praten over de duurzame volksaard of internationale functies nu de omstandigheden totaal anders zijn dan in het verleden. Nederland heeft na 1945 met een gezond realisme bevorderd dat zijn politieke en economische zelfstandigheid werd uitgehold en daar op den duur profijt van gehad. Waar maken wij ons dan zorgen over?

WIJ zouden minder dan onze buren met onzekerheid over onze identiteit behoeven te worstelen. Al proberen sommigen het Nederlandse volk ervan te overtuigen dat het lijdt aan schuldcomplexen met betrekking tot de bezettingstijd en zijn koloniale geschiedenis, steeds weer blijkt het nationale debat daarover bij gebrek aan belangstelling te worden opgeschort.

Men laat zich blijkbaar geen collectieve schuld aanpraten en, heel anders dan in Duitsland, men hoeft dat ook niet. Het kan nergens toe dienen. En anders dan Frankrijk en Engeland hebben wij geen moeite met onze status van klein land: wij zijn daar sinds 1830 aan gewend en kennen de voordelen ervan. En wat onze zogenaamde culturele identiteit betreft, de definitie ervan is, zoals het bovenstaande toonde, al meer dan een eeuw zo geforceerd geweest dat het kennelijk onmogelijk is daar iets overtuigends over te formuleren.

Het is ook niet nodig. Het onophoudelijk gesprek dat wij in Nederland vaak op een redelijk peil met elkaar voeren in een eigen, oude en aangename taal, bewijst onze zelfstandigheid meer dan voldoende.

E.H. Kossmann is emeritus hoogleraar geschiedenis na de middeleeuwen.

Dit is de zevende aflevering in een serie over Nederland en Europa.

Meer over