De vele wegen die naar Rome leiden

Weelderig, verleidelijk en verdorven, zo verschijnt Rome in Paolo Sorrentino's La grande bellezza. Maar iedere regisseur geeft Rome een ander gezicht. De Eeuwige Stad in vijf filmgedaanten.

1 (Nep)pittoresk Rome

Zelfs afgekloven filmlocaties als het Colosseum verschijnen in La grande bellezza weer als nieuw. Een hele prestatie: de meeste (niet-Italiaanse) filmmakers degraderen de stad tot voorspelbare plaatjes. Film cartolina worden zulke films in Italië laagdunkend genoemd. Vaak nemen ze ook een loopje met de stadsplattegrond, om de toeristische route zo beknopt mogelijk te houden. Wanneer Audrey Hepburn in Roman Holiday (William Wyler, 1953) van de Trevifontein naar de Spaanse Trappen struint, kost die wandeling haar dankzij de sluwe montage nog geen minuut. In werkelijkheid had ze op haar kuiertempo zeker tien minuten moeten lopen.


Je hoeft Rome ook helemaal niet te kennen om zo'n ansichtkaartenfilm te kunnen maken. Zo liet Woody Allen de locaties van To Rome with Love (2012) gewoon door zijn artdirector uitkiezen. 'Ik wist niet waar de opnamen gingen plaatsvinden. Veel van de plekken en straten zag ik voor de allereerste keer', vertelde hij in een interview met Collider.com.


2 Het rauwe Rome

'Het Rome dat de toeristen niet kennen, genegeerd door de kortzichtigen en non-existent op de plattegrond, is immens', schreef Pier Paolo Pasolini ooit. Wie deze 'buitensporige stad, verzonken in duizenden grandioze en ongelijksoortige poelen' wil zien, moet niet in het keurige centrum van de stad blijven hangen, zoals La grande bellezza doet. De borgate, de armoedige buitenwijken, dat is waar volgens Pasolini het echte Romeinse leven zich afspeelt. In Accattone (1961) strijkt Pasolini neer in de borgata Gordiani, tussen de gesloopte, vervallen of nooit afgebouwde huizen. Zonder mooifilmerij verleent hij het miezerige bestaan van klaploper Accattone een rauwe schoonheid. Al is het maar in de rafelige scènes waarin Accattone met zijn al net zo lamzakkerige vrienden zit te zuipen op het terras van hun verlopen stamkroeg.


Dat café, vlakbij de Via del Pigneto, bestond wél echt. Tot aan zijn gewelddadige dood kwam Pasolini er ook wijntjes drinken. Tegenwoordig maakt Gordiani een doorstart als hippe buitenwijk, en is in het pand van Accattone's kroeg een knusse 'retro-dandy bar' gevestigd. Pasolini-fans kunnen er boven een bord pasta verlangen naar de ruigere dagen van weleer. Intussen ligt het grauwe herdenkingsmonument voor Pasolini, zo'n 30 kilometer verderop, er kaal en verweesd bij. Ook dat is Rome.


3 Hoerig en groezelig Rome

Strippers en hoeren duiken overal op in La grande bellezza. Daarmee staat de film in een lange Italiaanse traditie. De prostituee is een geliefd en dubbelzinnig figuur in de Italiaanse cinema. In veel naoorlogse Italiaanse films speelt ze, ondanks haar erbarmelijke omstandigheden, een troostrijke of komische bijrol. Fellini was met het deels door Pasolini geschreven Le notti di Cabiria (1957) de eerste die de Romeinse hoer tot hoofdpersonage promoveerde. Het indrukwekkendst kreeg ze gestalte in Pasolini's Mamma Roma (1962). Diva Anna Magnani speelt hierin een ex-prostituee die door haar rampzalige thuissituatie wordt gedwongen weer te tippelen. Een grootse en betreurenswaardige heldin is ze, zichzelf met opgeheven hoofd door het slijk halend tot er niets meer te redden valt.


Mamma Roma lijkt in niets op de vrouwen die in La grande bellezza hun lichaam verkopen. Bijna altijd hebben die iets glamoreus en magisch. Zo passen ze mooi in de smetteloze, glossy neon-wereld van Sorrentino's Rome. Net als de film cartolina interesseert hij zich nauwelijks voor de rafelranden en afvoerputjes die de stad óók rijk is.


4 Decadent Rome

Liever dompelt Sorrentino zijn personages onder in overvloedige luxe. Als bijtend portret van de Romeinse jetset vervolgt La grande bellezza gretig het pad van Fellini's La dolce vita (1960): nog meer eindeloze feestscènes, nog meer egocentrische leeghoofden.


In La dolce vita vindt dat gefeest voor een deel niet in het echte, maar het in de studio gefabriceerde Rome plaats. Zo liet Fellini de Via Veneto tot in de kleinste details nabouwen in Cinecittà, het grote, Romeinse studio-complex. Uiteindelijk vond hij die filmset bijna realistischer dan de daadwerkelijke locatie. 'Als ik nu langs het Café de Paris loop, heb ik het gevoel dat de echte Via Vineto in Studio 5 van Cinecittà was', zei Fellini in 1989 in een interview. 'Ik voel dan de bijna niet te onderdrukken neiging om op straat met net zo veel despotische controledrift te handelen, als ik op de filmset doe.'


Blijkbaar treden bij films die zich afspelen in het mondaine Rome, wel vaker zulke verwarringen van film en werkelijkheid op. In The Talented Mr. Ripley (1999) mengt Matt Damon zich met een valse identiteit in de Romeinse high society. In een van de scènes wilde Anthony Minghella zijn personages aan de Piazza di Spagna, vlakbij de Spaanse Trappen, op een caféterras laten zitten. Omdat daar geen terras was, veranderde hij een kledingwinkel in espressobar Dinelli's, vernoemd naar het Engelse café van zijn tante. Al snel ging een elegante Romeinse aan een van de tafeltjes zitten, die zich niet liet wegsturen omdat ze zeker wist dat ze bij Dinelli's had afgesproken met haar vriend, die vervolgens daadwerkelijk kwam opdagen.


5 Surrealistisch Rome

In La grande bellezza is Rome een eerder mentaal dan realistisch landschap, met een stilletjes tobbende held die dwaalt door een labyrint van geheime tuinen en barokke paleizen. Die versmelting van psyche en stedelijk landschap heeft Sorrentino goeddeels afgekeken van Michalengelo Antonioni. Toch schiep Antonioni met dezelfde aanpak een heel ander Rome. Is de stad bij Sorrentino vooral droomachtig en verleidelijk surreëel, in Antonioni's L'eclisse (1962) is Rome eerder het oord uit een nachtmerrie. Antonioni draaide de film grotendeels in het door Mussolini gebouwde EUR-district, om zo de emotionele malaise van zijn personages naar hun omgeving te vertalen: doelloos lopen ze langs het doodse beton, picknicken in smoezelige plantsoenen en kijken vanuit hun flats uit op een futuristische, atoomwolkachtige watertoren (door de Romeinen Il Fungo genoemd, tegenwoordig een chic panoramarestaurant).


Heel geschikt voor horrorfilms, de wezenloze einde-der-tijdenschoonheid van het EUR-district. Dat bewijst Ubaldo Ragona's The Last Man on Earth (1964), waarin Vincent Price de enige menselijke overlevende is temidden van een horde zombies. Waagt hij zich buitenshuis, dan zien we weer diezelfde watertoren en betonfaçades, én een glimp van het Paleis van de beschaving van de arbeid, ook wel het Vierkante Colosseum en de Gruyère kaas van Rome genoemd. Met zulk mooi gebruik van Rome's spookarchitectuur is de grootste zonde van deze film al snel vergeven: waarschijnlijk is The Last Man on Earth de enige film die Rome als New York probeert te verkopen.



Lees verder op pagina V4


Filmisch volgens Fellini


Van alle regisseurs wordt Federico Fellini (1920-1993) het meest met Rome geassocieerd. Niet alleen omdat hij er leefde en werkte, maar ook omdat veel van zijn films zich in Rome afspelen. Met name Fellini's La dolce vita (1960) en Roma (1972) blijven onvermijdelijk vergelijkingsmateriaal voor iedereen die zich aan een filmisch portret van de stad waagt.


Vervolg van pagina V3

undefined

Meer over