De toren werd al hoger en hoger

Voor de directeur van de Amsterdamse dienst Ruimtelijke Ordening is de hoge kantoortoren bij het Amstelstation 'een straf die ik elke dag moet ondergaan'....

DE NAAM is vanwege zijn omineuze lading aangepast. Kantoortoren De Omval bij het Amstelstation heet in de advertenties Rembrandt Tower. Dat trekt nu eenmaal makkelijker ondernemers die zich representatief willen huisvesten op een toplocatie. De Rembrandt Tower heeft zich tegen het Amstelstation aangeschurkt en voldoet daarmee aan de eis van bereikbaarheid per openbaar vervoer, die oud-minister Alders toekomstige bedrijfsvestigingen oplegde.

Onder invloed van die 'Alders-norm' gordt Amsterdam zich de komende jaren met een kordon van kantoortorens, als een eigentijdse vestingwal rond de stad. De plattegrond van de stad geeft aan waar: behalve bij het Amstelstation zijn gedoodverfde kantoorlocaties Teleport (Sloterdijk), station Lelylaan, Amsterdam Zuid-WTC, Amstel III bij station Bijlmer en nog steeds ook de IJ-oevers aan weerszijden van het Centraal Station.

Ook al heeft een grote huurder zich nog niet gemeld voor de Rembrandttoren, de gemeente zet fors in bij de kantooruitbreiding. In een recent verschenen nota van de Dienst Ruimtelijke Ordening houdt Amsterdam rekening met 2,5 miljoen vierkante meter extra tot 2005, 60 procent bovenop het bestaande arsenaal. Vanwege het 'grillige verloop van de economische ontwikkeling', vooral de komende drie jaar, is er ook een realistische kanttekening geplaatst. Behoedzame investeringen zijn geboden, zo staat het in de nota. Pas rond 1998 zal er behoefte rijzen aan nieuwe kantoorruimte, wanneer de bestaande leegstand is weggewerkt.

De Rembrandt Tower, een ontwerp van het Amstelveense bureau ZZ & P, krijgt volgens de planning gezelschap van twee lagere torens, ontworpen door Skidmore, Owen en Merrill uit New York. Als vervolgens ook de oever van de Amstel is bebouwd met een blokje villa's van Cees Dam, is het terrein van de voormalige cacaofabriek Blooker (met de fameuze klok met de tekst 'Het is weer Blooker-tijd') grotendeels gevuld.

De eerste tekeningen, die van 1986 dateren, gaven een bedrijfsbestemming aan, en daar was de Amsterdamse Raad van Stedebouw het mee eens. Secretaris B. Huls: 'Het is geen plek om te denken aan middelhoge woningbouw; je kon er iets meer mee doen.' De kritiek luidde alleen dat het plan rommelig in elkaar zat. 'Toeters zonder enige structuur.'

Het overleg met architect De Clerq Zubli van ZZ & P leidde volgens Huls tot verbetering. Maar elke herziening bracht ook een verhoging van de toren met zich mee, zonder dat de gemeente zich daartegen kon verzetten. Huls: 'Die had het terrein helemaal uit handen gegeven. En Ruimtelijke Ordening fluisterde: we zijn al lang blij dat ze het netjes doen. We hebben niets in te brengen.' Ze: daarmee wordt gedoeld op Zubli en diens projectontwikkelaar Sedijko.

'Het is een straf die ik elke dag moet ondergaan', zucht directeur van Ruimtelijke Ordening ir A. Oskam, die vanuit zijn kamer uitkijkt op Amsterdams hoogste toren in wording. 'Het enige positieve dat je erover kunt zeggen is dat hij mooi in de as van de Wibautstraat staat. En dat is, zoals bekend, niet de fraaiste straat van West-Europa. Wat me vooral stoort, is het zicht op de toren vanaf de Amstel. Als je de stad uit fietst, valt het nog mee, maar als je terugkeert. . .'

De welstandscommissie had grote bedenkingen tegen het ontwerp. P. Jongen, secretaris van de commissie: 'Heel mager. Middelmatige kwaliteit, waar je niet vrolijk van wordt. Amerikanen hebben een traditie in hoogbouw; wij niet en dat merk je. Je zou kunnen zeggen dat er een verticaal Maupoleum verrijst.' Het nu afgebroken Maupoleum was indertijd een ontwerp van Zanstra, de andere Z van ZZ & P.

Projectontwikkelaar Sedijko verweerde zich tegenover welstand met het argument dat men klem zat tussen Amsteloever en spoorlijn en daarom in een grote concentratie moest bouwen. Jongen noemt het één in de reeks misstappen. 'De centrale stad heeft de fout begaan door het project over te doen aan het stadsdeel Watergraafsmeer, waar men doodsbenauwd is voor eventuele schadeclaims van een projectontwikkelaar.'

Hoe heeft het zo ver en vooral zo hoog kunnen komen? Oskam grijpt voor het antwoord op die vraag terug naar de geschiedenis van Amsterdam. Tot de invoering van het erfpachtstelsel in 1901 was de hoofdstedelijke grond voornamelijk in eigendom van particulieren. Een kaart van het Grondbedrijf illustreert de huidige situatie. Met uitzondering van de grachtengordel, de Vondelparkbuurt en de Amsteloevers is de meeste grond tegenwoordig in bezit van de gemeente, ongeveer 85 procent. Zo niet het Omval-terrein. Oskam: 'Dat was en is in handen van particulieren; daar heeft de gemeente geen vat op.'

Zodra de Raad voor de Stedebouw had geadviseerd dat er rond het Amstelstation hoogbouw mocht komen, waren volgens Oskam alle remmen losgegooid. De toren werd hoger en hoger, van 100 naar 125, en uiteindelijk 150 meter. En Oskams dienst realiseerde zich plotseling dat harde regels over hoogbouw ontbraken. 'We hadden een voorschrift paraat moeten hebben; we zijn ons te pletter geschrokken van De Omval. Je zou kunnen zeggen dat het een casus is van hoe het niet moet; hoe we de greep hadden verloren. Wat mij betreft voor het laatst.'

Merkwaardig genoeg heeft niet alleen de Dienst Ruimtelijke Ordening een steek laten vallen. Ook de kritische burgerij liet verstek gaan. Oskam: 'Mij heeft het altijd verbaasd dat tegen de tweede toren van De Nederlandsche Bank, waarvan het ontwerp in dezelfde tijd werd ingediend, geen enkel bezwaarschrift is ingediend.' De Rembrandt Tower profiteerde eveneens van een onbewaakt ogenblik in het actiewezen.

In het Structuurplan is nu vastgelegd waar hoogbouw mag komen en hoe hoog: rond de Singelgracht veertig meter en aan de Ringweg negentig meter. Bouwt de projectontwikkelaar hoger, dan krijgt hij een hoogbouw-effectrapportage aan zijn broek, waarin factoren worden gemeten als uitzicht, windhinder en verkeersafwikkeling. Er zijn al twee ontwerpen die daarvoor in aanmerking komen: de Maincourt bij Sloterdijk en de ABN Amro-toren bij WTC. Maar het is zeer de vraag of Maincourt, vroeger Larmag-toren geheten, er ooit komt. Oskam: 'Ik vermoed dat de projectontwikkelaar met argusogen kijkt naar de verhuurbaarheid bij De Omval. Je neemt per slot van rekening een groot risico met een toren van 270 meter, zeker als er nog zo veel leegstand is.' Als Maincourt inderdaad een luchtkasteel blijft, wordt de gemeente Amsterdam gered door de bel, of liever: door de onzekere markt. Er was een te groot kavel uitgegeven aan de Zweedse projectontwikkelaar Lars Magnusson. Naderhand bleek dat de gemeente een deel daarvan nodig had om de bocht in de ringspoorweg te kunnen aanleggen. Oskam: 'Je kunt dan twee dingen doen. Onteigenen met het risico dat de procedure vier à vijf jaar duurt en dat het openbaar vervoer moet wachten. Of in der minne schikken.'

Het laatste is gebeurd, en Magnusson greep zijn kans. Dan moest 'zijn' toren maar hoger worden, zelfs hoger dan 300 meter. Ter vergelijking: De Nederlandsche Bank en het Okura Hotel reiken niet verder dan 75 meter. Hoewel de Amsterdamse politiek zich aan Magnussons eis overgaf, waren de stedebouwkundigen, Provinciale Staten en omliggende gemeenten allesbehalve gelukkig. Oskam vat de kritiek samen: 'Eén zo'n object moet niet mogen.' Voor Jongen van de welstandscommissie daarentegen maakt het niet uit of een toren 125 of 300 meter wordt. Die is dan toch zowel van Alkmaar als van Utrecht zichtbaar.

Hoewel de Rembrandt Tower tot in de verre omtrek het silhouet beheerst, is hoogbouw voor Oskam niet per se taboe. 'Je mag een stad zien liggen. Het Academisch Medisch Centrum bewijst dat als je het zorgvuldig doet, er niets op een signalering tegen is.' Detaillering of een fijnzinnige structuur is met zulke mega-complexen niet meer aan de orde. 'Je ziet uiteindelijk een paal, een silhouet.' Bij al het negatieve geeft hij een pluim aan De Omval: 'De Rembrandt Tower is tenminste slanker dan het Okura-hotel. Dat is pas een plompe doos.'

Meer over