De toekomst van de boer is groen

Dagelijks verdwijnen in Nederland zeven agrarische bedrijven. Ze renderen niet meer of er is geen opvolger. Is er nog toekomst voor de boer?...

door Ineke Jungschleger

DE DAG DAT de eerste grutto terugkeert, is voor Jaap Hoek Spaans 'een kippenveldag'. Ook zijn 12-jarige zoon heeft het al, dat opmerkzame turen over het land. Hoek Spaans schaamt zich er niet voor te praten over het geluk dat hij ontleent aan de dagelijkse omgang met de natuur.

Boerenwoordvoerders roepen met hun harde stemmen en gebalde vuisten niet bepaald het beeld op van natuurbeschermers. Ze komen voort uit het vergadercircuit in dorpscafé's, ze zijn geselecteerd op hun vermogen een vol café te overschreeuwen. Geen wonder dat het imago van de Nederlandse boer is vertekend tot een schreeuwlelijk die te veel mest produceert.

Toch hebben duizenden Nederlandse boeren al 'groene' contracten met de overheid. Elke dag komen er nieuwe bij: boeren beginnen toekomst te zien in een betaalde taak als landschapsbeheerder. Voor velen zal het waarschijnlijk ook de enige manier zijn om als boer te overleven. Per dag verdwijnen in Nederland zeven agrarische bedrijven. Omdat ze niet meer genoeg opbrengen om van te leven of omdat er geen opvolger is.

De grond in Nederland is al jaren gemiddeld zestigduizend gulden per hectare waard. In vergelijking met de omringende landen is dat duur. Een jonge boer kan geen kant op als hij niet het bedrijf van zijn vader of schoonvader kan overnemen. Ook zonen en dochters met veel animo voor het boerenbedrijf zien nogal eens noodgedwongen af van opvolging omdat ze, als erfgenaam van het bedrijf, nooit genoeg zullen kunnen verdienen om hun broers en zusters uit te kopen.

Ook al kromp de boerenstand de laatste jaren met drie procent per jaar, toch is zestig procent van de grond in Nederland nog 'open groene ruimte', grotendeels in het bezit van boeren. Grote boeren kopen de grond van andere grote, die geen bedrijfsopvolger hebben, en van kleine die het niet langer redden. Zonder neveninkomsten is er voor kleinere boerenbedrijven geen toekomst in Nederland.

Op zichzelf is het al een merkwaardig gegeven dat Nederland, met Europese subsidie, tweemaal zoveel voedsel produceert als de eigen bevolking op kan eten. Terwijl Polen en Hongarije op de poort van de Europese Unie kloppen en er geen enkele technische reden is waarom graan niet goedkoper door Nederlandse ondernemers in Zuid-Amerika verbouwd kan worden, zoals nu al gebeurt met bloemen en peultjes in Afrika.

De Nederlandse boer staat op een keerpunt: schaalvergroting, omschakelen naar biologische teelt, of een andere taak erbij nemen. Boeren die doorgeleerd hebben, zoals de Zeeuw dr. Herman Wijffels, vanaf 1 april voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, zijn helemaal niet pessimistisch over de toekomst van de Nederlandse boer. Wijffels ziet veel in inkomensverbreding door de boer betaalde taken te geven in het natuurbeheer.

Prof. dr. ir. Vinus Zachariasse, ook een Zeeuwse boerenzoon, is directeur van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) en hoogleraar in Wageningen. Hoewel het LEI het instituut is dat de cijfers van de terugloop produceert, ziet ook Zachariasse voldoende toekomstmogelijkheden. Natuurbeheer, toerisme en ecologisch ondernemerschap zijn volgens hem drie nieuwe peilers voor inkomensverbreding van de Nederlandse boer. Zowel voor de kleine, om te overleven, als voor de grote, om het bedrijf gezond te houden.

De Landbouwuniversiteit Wageningen zit ook op de eco-lijn: Nederland moet voorop gaan lopen in het milieuvriendelijk boeren. In de tuinbouw bestaat die tendens al langer. In de veehouderij wordt de laatste jaren succesvol geëxperimenteerd. Minister Apotheker van Landbouw verhoogde deze week de subsidie voor de biologische landbouw van twee tot vierenhalf miljoen gulden.

Slechts een procent van de agrarische grond in Nederland wordt zonder kunstmest of bestrijdingsmiddelen bewerkt. Toch besloot Albert Heijn onlangs meer ruimte op de schappen te maken voor biologische producten, want de belangstelling van de consument groeit. Echt aantikken kan het pas wanneer meer grootwinkelbedrijven de regie in handen nemen en de prijzen van biologische producten omlaag brengen.

Prof. Zachariasse wijst op het voorbeeld van de Engelse supermarktketen Tesco. Die kondigde aan alleen nog maar varkensvlees te accepteren dat in groepshuisvesting is geproduceerd. 'Dat is veel dwingender dan allerlei milieubeschermende maatregelen van de overheid.' De markt voor agrarische producten is een vragersmarkt geworden. Door een overmaat aan concurrentie is de tijd voorbij dat het aanbod bepaalde wat er te koop was.

Door dalende prijzen staat het inkomen van veel boeren onder druk. Volgens de cijfers van het LEI lag vorig seizoen het inkomen bij 61 procent van de bedrijven onder de 50 duizend gulden. Bij 15 procent was het bedrijfsinkomen zelfs negatief. Dat zijn de boeren die het alleen redden door hun neveninkomsten, door het salaris dat hun vrouw buitenshuis verdient, of doordat ze niet meer investeren en hun bedrijf langzaam opeten.

Hoeveel voedsel Nederland over twintig jaar nog zal produceren, kan Zachariasse niet voorspellen. Maar het scenario dat alles ingevoerd zou worden - groente uit Afrika, melk uit Nieuw-Zeeland - is volgens hem ondenkbaar. 'Wie onderhoudt de grond als je geen akkerbouw en veeteelt meer hebt? Wat dacht u daarvan? Moeten we dan een heleboel mensen gaan opleiden om te zorgen dat Nederland niet dichtgroeit? Het beste wat je bijvoorbeeld voor het onderhoud van veenweidegrond kan doen, is er koeien en schapen op laten lopen.'

Als de weidegrond niet begraasd en bemest wordt, krijg je uiteindelijk bos. Wat niet onderhouden wordt, neemt de natuur terug. Niemand die dat beter weet dan de boer die van generatie op generatie leeft met de grond. Maar kom bij hem niet aan met romantische verhalen over zijn toekomstige taak in een parkachtig landschap.

'Het woord park is besmet', zegt Jan Boom, chemicus en voormalig veehouder. 'Het doet denken aan reservaten waar boeren agrarische schijnbewegingen uitvoeren.' Boom is een van de pioniers van de biologische veehouderij in Waterland. Hij werd voor 'geitenharen sok' uitgemaakt toen hij 25 jaar geleden besloot kruiden en bloemen te laten staan in zijn weide. 'Maar ik ben nooit tegengewerkt. In Twente, waar ik vandaan kom, zijn de mensen geslotener. Daar zou je sinds drie generaties alternatieve boer moeten zijn voordat ze je serieus nemen. De Noord-Hollandse boeren zijn kritisch maar open. Je moet met goede argumenten komen.'

Zolang de boeren zoveel melk konden verkopen als ze konden produceren, was de tijd niet rijp voor bloemrijke weiden. Pas na de melkquotering was er reden echt naar de argumenten voor minder voedselrijk gras te gaan luisteren. Sinds anderhalf jaar verdient Boom een deel van zijn brood met het wegwijs maken van Waterlandse boeren die geïnteresseerd zijn in 'groen gaan'. Betaald door Laser, een door het ministerie van landbouw opgerichte stichting voor vernieuwende projecten, houdt hij kantoor aan de Koemarkt in Purmerend. Laser stimuleert de meest uiteenlopende zaken die het inkomen van de boer kunnen verbreden. Van het invriezen van biologisch geteelde producten, tot het in huis nemen van bejaarden.

De promotie van streekeigen producten door boeren is in meer gebieden van Nederland een manier om het inkomen te vergroten. In De Peel wordt, met subsidie van Laser, gewerkt aan het instellen van een keurmerk. In Waterland bestaat dat al, de coöperatie van veehouders in dit gebied loopt voorop. Hun kaas ligt inmiddels al bij Albert Heijn, onder de naam Polderkaas. En het rund- en lamsvlees met het Waterlandkeurmerk wordt geroemd door de chef-koks van sterrenrestaurants. 'Als individuele boer ben je nooit een onderhandelingspartner voor het grootwinkelbedrijf, als coöperatie wél', zegt Boom.

Op de veemarkt in Purmerend gaat het over geld en niet over grutto's. Toch weet iedere boer tussen Zunderdorp - vlak boven Amsterdam - en Purmerend dat de eerste grutto in Waterland dit jaar werd gehoord op 28 februari. De eerste voorjaarsbodes waren vroeg dit jaar, zo vroeg dat de ganzen nog niet eens vertrokken waren naar het noorden. Het geluid van vertrekkende ganzen concurreerde in de vroege ochtend met dat van aankomende grutto's. 'Heb je dat eerder meegemaakt?', vroegen Waterlandse boeren aan hun oudere buren.

Vaak zit de boodschap van de boer over de natuur verpakt in gekanker. 'Zelfs de mollen die ik vang, zien er slecht uit', zegt Ted Boon, veeboer in Waterland. Dat is de schuld van 'de ambtenaren' die voor het hele land dezelfde regels hebben gesteld voor het uitrijden van mest, terwijl de veenweide in Noord-Holland heel anders reageert op mest dan de zandgrond in Brabant en op de Veluwe. Een Waterlandse mol krijgt geen worm meer te vreten doordat daar even weinig bemest mag worden als op de door het overschot verpeste zandgronden elders in het land. En Boon moet nu lijdelijk toezien hoe er sinds de invoering van die mestwet, drie jaar geleden, minder weidevogels komen in zijn Eilandspolder.

In februari heeft hij mest moeten verkopen omdat hij het niet mocht uitrijden. Terwijl hij wist dat de grutto's begin maart zouden snakken naar een lekker hapje wormen in de drassige weide. Ted Boon doet met zijn grote handen na hoe de vogelpootjes die uit de grond trappelen. Ze hebben ze nodig om aan te vetten, voordat ze gaan nestelen en eieren leggen. Hij kan van de overheid geld krijgen om een deel van zijn grond onder water te laten lopen, zodat het een drasplas wordt. Een drasplas is het favoriete gebied voor weidevogels om aan te sterken en vervolgens te nestelen. Maar zonder mest geen wormen.

'Dat hebben die vogels snel genoeg in de gaten, dus trekken ze verder.' De tegenstrijdigheid van beide maatregelen, beloning voor het maken van een drasplas en straf op het uitrijden van mest, brengt Boon weer op zijn stokpaardje: 'Wat goed is voor een ambtenaar, is slecht voor de boer.'

Hij heeft zijn 280 koeien vooral op stal staan, omdat stalmest - koemest met stro vermengd - zo'n mooie humuslaag vormt in de veenweiden. Daar krijg je een gezonde bodem van, goed voor zijn geliefde vogels, maar ook voor de koeien en de mensen. Hooi en kuilgras dat 's winters de zomer in de stal brengt, met rode klaver en leeuwentand erin. Die plantjes zijn niet alleen de bewijzen dat er een minimum aan stikstof in de grond zit, maar een beest dat van zulke weidegrond eet, levert ook lekkerder vlees. En kan, met het Waterlandkeurmerk, meer opbrengen bij de slacht.

Vogelkenner is Ted Boon al sinds hij, meer dan veertig jaar geleden, achter zijn vader aan hobbelde rond de boerderij. Maar hoe je met minder koeien hetzelfde kunt verdienen, is voor hem een nieuw boek, waar hij schoorvoetend aan begint.

'Hij heeft ervoor doorgeleerd' zegt hij grijnzend, met een knik naar Jaap Hoek Spaans, die behalve boer ook leraar aardrijkskunde is. Hoek Spaans komt uit een boerengezin van negen kinderen. Zijn oudste broer nam de boerderij over en Jaap was jarenlang tevreden met zijn leven als schoolmeester en deeltijdboer.

Door zijn vaste baan en die van zijn vrouw, onderwijzeres, kon hij zich milieuvriendelijke experimenten veroorloven. In zijn stal dartelen de lammetjes vrij rond op een ondergrond van geurig stro, en een oude ram mag uit dank voor de bewezen diensten blijven rondsukkelen tot hij doodgaat. De koeien kijken belangstellend over het hek. Er zijn nog geen kalveren: de geboorte wordt zo gepland dat ze een halfjaar bij hun moeder in de wei kunnen lopen. Dat is niet alleen een mooi gezicht maar ook lonend: een Waterlands kalf dat een halfjaar een mooi leven gehad heeft, brengt tweeduizend gulden op.

'Als ik het kalf direct na de geboorte verkoop aan een kalvermesterij, krijg ik er duizend voor. Ik kan dus kiezen: verkoop ik ze direct na de geboorte, of richt ik mijn bedrijf zo in dat ik er in een halfjaar voor duizend gulden aankweek.'

Als de totale kosten van de bedrijfsomschakeling worden doorberekend, houdt de boer die 'groen' gaat werken, de eerste jaren niet veel over van de extra opbrengst van zijn kalf. 'Het puur economische verhaal valt op het moment moeilijk te vertellen', zegt Hoek Spaan. 'De overheid zegt: wij willen meer extensieve landbouw en veeteelt. Daar komen stimuleringsmaatregelen voor. Het hangt ervan af wat je verder voor mogelijkheden hebt of je als boer op die uitnodiging ingaat.'

De grond in Waterland is goedkoop, dertig duizend gulden per hectare. Boeren in Waterland kunnen ook de keuze maken hun grond te verkopen aan grote veehouders uit andere delen van het land. Bijvoorbeeld varkenshouders uit Brabant, waar de grond zeventig duizend doet. 'Op die manier krijg je gesleep met de intensieve veehouderij, dus vooral met mest, door heel Nederland', zegt Hoek Spaan. 'Dat is heel goed mogelijk, maar de vraag is of we het willen.'

Hoek Spaans bedrijf is een voorbeeld van milieuvriendelijk ondernemerschap dat loont. Omdat hij toch al gewend was meer dingen naast elkaar te doen, ruilde hij het onderwijs vorig jaar in voor een deeltijdbaan bij het projectbureau Ontwikkeling Streekeigen Produktie Waterland, het bureautje waar ook Jan Boon werkt.

Een meerderheid van de boeren in Waterland is voor natuurbehoud. Ruim tweehonderd zijn lid van de Vereniging Agrarisch Natuurbeheer Waterland, hetgeen betekent dat ze 'groene' contracten afsluiten met de overheid. Tot nu toe sloten zich 51 van hen aan bij de coöperatie van extensieve veehouders. 'Allemaal serieuze ondernemingen', zegt Hoek Spaan. 'Bedrijven met twintig tot honderd hectare. Geen hobbyboeren.' Toch hebben de meesten van hen neveninkomsten, variërend van het ontvangen van schoolklassen tot het runnen van een schoonmaakbedrijf in de nabije grote stad.

Ted Boon, die 280 koeien en 80 hectare weidegrond heeft, wil ook overgaan op extensieve veeteelt. Dat wil zeggen: minder koeien, die toch evenveel opbrengen. 'Maar ik ben nu 50 en ik ga niet nog eens tien jaar wachten tot Staatsbosbeheer mij gaat betalen.' Zijn vrouw zegt dat het best in orde komt, want zij praat nu met 'die ambtenaren' en die hebben volgens haar een hoop bijgeleerd, de laatste jaren.

'Omdat Ted zo'n vogelboer is, hebben we op de barricaden gestaan toen veel boeren hier weggepromoveerd werden, naar de Flevopolder.' Staatsbosbeheer wilde zelf het veenweideland gaan beheren. 'Ons hebben ze niet weggekregen', zegt Afra Boon. 'Maar als ik niet al die jaren zo'n goede baan bij de Rabobank had gehad, dan hadden we het kunnen schudden.' Boon verkocht 25 jaar geleden een deel van zijn land aan Staatsbosbeheer en bleef de grond zelf beweiden, als pachter. 'Had ik nooit moeten doen, want een paar jaar later komt er een nieuwe pachtwet en toen kwam de duvel uit het doossie. De pacht werd verhoogd.'

De vrouw van Jaap Hoek Spaan, ook een boerendochter uit de streek, begrijpt best dat het wantrouwen van boeren tegen ambtenaren niet als sneeuw voor de zon verdwijnt nu beide partijen een hoop te winnen hebben bij samenwerking voor het milieubeheer. 'Ga van mijn erf af', slaat niet zo maar om in: 'Kom binnen, ik voel wel voor een overheidsbaantje als landschapsbeheerder.'

In het begin lachten de boeren in Waterland zich rot om het feit dat de overheid hun geld betaalde om dingen na te laten. Niet alleen omdat een boer niet gewend is betaald te worden voor nietsdoen, maar ook omdat er nogal veel tegenstrijdigheden in de regeling zaten.

Tot half juni niet maaien, bijvoorbeeld, verbetert de kwaliteit van het weiland, maar niet die van de koeien, want die moeten een paar maanden langer op stal staan. Wanneer je echter eenmaal ruime loopstallen hebt, met op de grond strooisel van riet dat je als het gemengd is met mest weer kunt verkopen als 'humest', is het geen probleem meer de koeien wat langer binnen te houden.

De beesten hebben dan inmiddels ook het profijt van de bloemrijke weiden, in de vorm van hooi en ingekuild gras dat geurt naar de zomer. Jaap Hoek Spaan: 'Je bepaalt zelf voor welk deel van je weiland je een contract sluit om tot juni niet te maaien. Er is een heel pakket van contracten dat je kunt sluiten voor natuurbeheer. Voordat je dat doet, maak je een bedrijfsplan. Alleen voor iemand als Ted Boon, die het grootste deel verkocht heeft aan Staatsbosbeheer, is dat lastig, omdat Staatsbosbeheer nogal wat regels oplegt.'

Hoek Spaan levert dit jaar tien runderen en tweehonderd lammeren voor de slacht af. Net als iedere boer die is aangesloten bij de coöperatie, laat hij zijn beesten keuren om te weten of ze voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het keurmerk. Vooralsnog komen alleen de beste dieren van de aangesloten bedrijven in aanmerking voor het Waterland-keurmerk.

Nu ze de groene productie goed georganiseerd hebben, willen de Waterlandse boeren bij politici gaan pleiten voor regionale aanpassing van de milieuwet. Wat goed is voor de Brabantse zandgrond, kan slecht zijn voor de weidevogels in Waterland. Als de Nederlandse boer zijn toekomst verbindt aan het milieubeheer, wil hij ook meepraten over de regelgeving.

Meer over