De toekomst is aan de bejaarden

Er wordt nieuwgebouwd, uitgebreid, gerenoveerd...

door Lucette ter Borg

ALS ideaal gold lange tijd het museum op de rots. Adam Verver, de gefortuneerde hoofdpersoon uit Henry James' roman The Golden Bowl (1904), gaf er gestalte aan. De Amerikaanse zakenman Verver wilde maar wat graag iets terugdoen voor de duizenden arbeiders dankzij wie hij rijk was geworden. En dus wilde hij de mensheid een museum schenken vol Europese kunst van onschatbare waarde, een museum vol 'ingedikte beschaving'. 'Een huis met openstaande deuren en ramen, vanwaaruit de hoogste kennis zou uitstralen over dankbare, dorstige miljoenen.' Dit visionaire museum kreeg het aanzien van een Griekse tempel, als het Partenon bovenop de Akropolis.

Verheffing van de massa. Kennis door middel van schoonheid die is ingebed in een klassieke omgeving. Bijna alle musea in Europa en Amerika zijn erdoor beïnvloed, ook die voor moderne en actuele kunst. Van New York tot Londen, Amsterdam tot Madrid: kunst werd bij voorkeur getoond in een rechthoekige ruimte met witte muren en bovenlichten. 'Four Walls and Light from Above or Else no Painting on the Wall' luidde de titel van een lezing die de Duitse neo-expressionistische schilder Georg Baselitz in 1979 hield. Die titel klonk als een bevel.

In zo'n neutrale ruimte 'kwam' de kunst het beste tot de bezoeker. In die witte, hiërarchisch geordende en van de buitenwereld afgesloten zalen, waar het rumoer van de straat nauwelijks doordrong, konden de 'dorstige miljoenen' het kunstwerk op zich in laten werken, de bundeling van creatieve energie beschouwen die aan de muur hing of op zaal stond.

Die strategie is volgens velen sleets geworden. Het is een illusie te denken dat museumruimtes 'neutraal' zijn, ook al zijn ze wit. Het is een illusie te geloven dat 'het' publiek van tegenwoordig één publiek is, dat dezelfde normen en waarden deelt en zich laat verheffen volgens één ideologie. En - tot slot - het is een illusie te denken dat hedendaagse kunst uit China, Nigeria, Amerika of de Bijlmer zich zonder meer laat voegen in onze museumcultuur. Die cultuur is er immers een van op je zelf kijken, van persoonlijke devotie - want dat is waar modernistische kunst toe aanspoort. Al die illusies hebben hun beste tijd gehad.

'Ze bieden niet langer een antwoord op de maatschappelijke en politieke uitdagingen en trauma's' van het multiculturele en pluriforme westerse leven, stelde de filosoof Thomas McEvilley in 1992. Bourdieu en Danto zeggen het met hem. En onlangs schreef ook Jan Vaessen ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar kunstsociologie aan de Universiteit van Amsterdam dat we in een tijd leven van 'institutionele, museale onzekerheid'. 'Museumbezoekers zijn niet langer medespelers in een gezamenlijk spel, mede-celebranten in een gedeeld ritueel of geëngageerde subjecten verbonden in gedeelde waarden', aldus Vaessen. En dus moeten de musea andere richtingen betreden, andere wegen inslaan - of ten minste daarover nadenken.

In Nederland is tamelijk eenvoudig te zien of die veranderende opvattingen ook in de museumarchitectuur en -inrichting zijn doorgedrongen. Want geen museum zo klein of het verbouwt, breidt uit, renoveert, maakt plannen voor de toekomst. En waar de betonmolens niet draaien, is de verbouwing klaar, het gebouw opgeleverd.

Hedendaagse kunst geldt als hét symbool voor vitaliteit en levenslust. Niet toevallig zette Wim van Krimpen met een programma van hedendaagse kunstenaars het Fries Museum weer 'op de kaart'. En niet toevallig is het succesvolle Guggenheim in Bilbao gevuld met moderne en hedendaagse kunst.

Twee grote musea in Nederland zijn op dit moment verwikkeld in een ingewikkelde nieuwbouwoperatie: het Stedelijk Museum in Amsterdam en museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam. In Amsterdam gaat de nieuwbouw gepaard met renovatie van de oudbouw, het uit 1895 daterende ontwerp van Weissman. In Rotterdam is vermoedelijk alleen geld voor nieuwbouw. Twee musea zijn al een tijdje geleden in nieuwe gedaante verrezen: het Groninger Museum opende eind 1994 zijn deuren, het Bonnefantenmuseum in Maastricht in de lente van 1995. Waar Mendini's ontwerp in Groningen opteerde voor spektakel, was Aldo Rossi's schepping aan de Maas veel ingetogener van karakter. 'Dienend' heet dat in museumkringen.

Maar Paula van den Bosch, de jonge conservator hedendaagse kunst van het Bonnefantemuseum, is beslist. 'Rossi heeft dit museum niet ontworpen voor de kunst, maar voor de architectuur.' Toen zij twee jaar geleden werd aangesteld in het Bonnefanten, riep ze tegen directeur Alexander van Grevenstein: 'Waar is de kunst? Het is hier zo leeg!' Nu zegt ze: 'Het is mooi hoor, maar vooral voor architectuurstudenten.'

Dat die leegte inmiddels gevuld is - met een ambitieus internationaal tentoonstellingsprogramma van moderne en hedendaagse kunst - is op zichzelf geen verdienste. De vraag is: hoe vul je de ruimtes op een goede manier?

Van den Bosch: 'Toen ik hier kwam stuitte ik meteen op de architectuur van dit gebouw. Dit is een klassiek gebouw dat op status gaat, met een kopzaal die werkt als een erezaal, met dominante houten planken op de vloer, met een lastige maat van zalen en grote doorgangen van zaal naar zaal. Rossi ontwierp de zalen vrijwel vierkant. Die vloer is dan ook nog eens van opgeruwd hout dat in een dominante lengterichting is gelegd.' Het resultaat betekent strijd, strijd en nog eens strijd voor de kunst - maar wel een interessante.

'Grote kunst overleeft zo'n architectuur wel', weet Van den Bosch. 'Denk maar eens hoe prachtig Soll Lewitts spiraal-tekening in de Kopzaal was. Maar jonge kunstenaars moeten een enorm gevecht leveren - en velen sneuvelen.'

We lopen naar de tweede verdieping van het museum, waar in de ene vleugel de zes genomineerden voor The Vincent Award zijn tentoongesteld. Vrijwel alle kunstenaars op deze tentoonstelling hebben de ruimtes aangepast. De Portugees Pedro Cabrita Reis heeft de strijd met het gebouw letterlijk opgevat en de beuk erin gezet. 'Eerst wilde hij de hele muur uit de zaal slopen', zegt Van den Bosch' collega Wouter Koelman, 'maar dat vonden we toch wat ver gaan, in verband met de kosten.' Het werd een compromis: Cabrita Reis sloopte de twee deuren van de zaal eruit op voorwaarde dat een extra sponsor de deuren na afloop van de tentoonstelling weer terug zou plaatsen. 'Zie je hoe goed het werkt?' zegt Van den Bosch. 'Het gebouw sputterde geweldig tegen, maar dat gaf juist een meerwaarde aan het kunstwerk.'

PIET de Jonge, conservator Collecties in museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam, vindt de actie van Cabrita Reis in Maastricht 'wel allejezus ver gaan'. Eén keer heeft hij in zijn twaalfjarige loopbaan als conservator moderne kunst bij Boijmans meegemaakt dat daadwerkelijk iets uit het Van der Steur-gebouw werd gesloopt. Dat was bij de tentoonstelling in 1997 van Joep van Lieshout, toen een raam uit de gevel ging om een 'overlevingswagen' naar binnen te takelen. Maar muren schilderen of muren afbreken omdat de kunst dat zelf verlangt? Nee, dat nooit. Bij Boijmans hoeft dat ook niet, want in de kolossale grote zaal op de eerste verdieping kan, bij wijze van spreken, een heel nieuw museum worden gebouwd.

In de tuin van het museum zegt hij mild: 'Wat betreft het denken in museumarchitectuur zie je dat we nog steeds doorgaan op het neoclassicistische patroon van Schinkel. Dat is jammer maar begrijpelijk. Klassiek is altijd goed. Het biedt een zekere neutraliteit. Dat kennen we, dat geeft stabiliteit. Misschien vinden we experimenteel bouwen wel te eng.' Carl Friedrich Schinkel, in de negentiende eeuw dé architect van Berlijn, ontwierp daar het Altes Museum en de Neue Wache.

Ook Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, kiest voor klassieke contemplatie in een klassiek gebouw. In het recente beleidsplan voor het Stedelijk, Het Museum als school, argumenteert hij dat het oude gebouw van het Stedelijk moet worden gerenoveerd, 'niet alleen om dat zinvol en mooi op de nieuwbouw aan te laten sluiten, maar ook en vooral om de eigen traditionele kwaliteit te kunnen articuleren.'

'Na decennia van interne verbouwingen en toevoegingen', schrijft Fuchs, 'was de oudbouw tot een verwarrend en rommelig geheel geworden.' De toekomst in het Stedelijk zal er daarom ongeveer zo uitzien: 'De inrichting moet in alle opzichten smetteloos en onberispelijk zijn.' De architectuur moet 'simpel en dienend en rustig' zijn 'in plaats van opgewonden en ijdel'.

Ook de nieuwbouw van het museum in Rotterdam, ontworpen door het architectenpaar Robbrecht/Daem, zal geen 'museum voor de 21ste eeuw' worden, zegt Piet de Jonge. 'Onze nieuwbouw hult zich weliswaar in een hedendaags jasje, met hedendaagse materialen, maar de inrichting en façade zijn klassiek. Daem en Robbrecht grijpen terug op de Griekse architectuur met verwijzingen naar zuilenstructuren, en op Schinkel.'

De vraag is: schep je met dit soort ontwerpen een ruimte voor hedendaagse kunst? Die kunst wordt immers steeds vluchtiger en efemerer. Ze onttrekt zich in toenemende mate aan traditionele criteria, ze vertakt zich naar gebieden die nooit de hare zijn geweest, en lijkt in veel gevallen alleen buiten het museum te functioneren.

Paula van den Bosch van het Bonnefantenmuseum ziet het probleem niet. 'Kunstenaars willen communiceren, net als wij', zegt ze. Zij en haar collega Koelman beklemtonen van het museum 'vooral een vrijplaats' te willen maken voor de kunst, een platform waar in principe alles mogelijk is. Kleuren op de muur, de muren eruit, een veejay-show erin. Dus waarom zouden kunstenaars niet willen? 'Ook kunstenaars zoeken uiteindelijk naar waardering binnen hun eigen discipline', zegt Van den Bosch.

De Jonge ziet evenmin een probleem. 'Fenomenen als Fluxus en dada hebben zich altijd onttrokken aan het museumcircuit. Die happenings en performances van de jaren dertig of zestig zijn gedocumenteerd. De overblijfselen zijn tot symbool gemaakt en door musea verzameld. Als kunst van nu zich wil onttrekken aan het museum dan is dat prima. Dan moet je dat respecteren en niet weer gaan kolonialiseren.'

Maar voor wie zijn die op klassieke leest geschoeide musea bedoeld?

'We zijn nu allemaal gefocust op jongeren, op allochtonen', zegt Piet de Jonge van Boijmans van Beuningen. 'Dat zijn groepen die van nature niet naar musea gaan.' Om die doelgroepen toch binnen te halen, strooien musea 'roomsoezen' in het rond. Daarmee bedoelt hij spectaculair gepresenteerde tentoonstellingen.

Mark Wilson, sinds 1995 conservator moderne kunst in het Groninger Museum en sinds een half jaar inrichter van alle tentoonstellingen in het gebouw, is vertrouwd met de roomsoes-strategie. 'Alles kan kunst zijn', zegt Wilson, terwijl we door de in knallende kleuren geschilderde zalen van het door hoofdarchitect Alessandro Mendini ontworpen paviljoen lopen. De kleurprogramma's in het museum zijn net nieuw en veranderen onder zijn regie nog voortdurend. Oranje wordt gecombineerd met fuchsia-roze en afgewisseld met knalgroen voor de foto's van Anton Corbijn. Knallend okergeel is de achtergrond voor de sombere schilderijen van De Ploeg. Iedere zaal een suikertaart.

Wilson maakt een beweging met zijn arm alsof hij touwtrekt: 'Je moet de bezoeker een zaal in en uit trekken. Beschouw mij als een invader, een manipulator. Ik pak iets uit het verleden en manipuleer dat in iets dat succes heeft. Door een bepaalde manier van presenteren kun je iets wat er he-le-maal niet uitziet een geweldige uitstraling geven.' Dat is niet nep, vindt Wilson. 'Je hélpt de bezoeker om op een bepaalde manier naar een voorwerp te kijken.'

TOCH heeft ook Wilsons ideale museum de uitstraling van een gewijde ruimte. 'Een museum voor hedendaagse kunst is in het slechtste geval een kerkhof van dinosaurus-botten', zegt hij. 'In het beste geval is het een kerk, een tempel, een inspirerende omgeving waar je niet alleen door de kunst wordt vermaakt, maar ook tot reflectie wordt aangezet.'

Het Groninger Museum beschouwt hij als zo'n 'tempel', met de kunst als fetisj. En dus is iedere inrichting die hij ontwerpt, gebaseerd op meetkundige principes. De foto's van Corbijn bijvoorbeeld hangen allemaal precies op 1 meter 60 hoogte - onderzoek heeft uitgewezen dat dát de beste hoogte is om kunst te zien. De ruimte is verdeeld in zicht-assen, en vooral: er hangt of staat niet te veel werk in één zaal. 'Ik ben een minimalist', zegt hij. En minimalisten eisen concentratie en rust voor kunst - precies datgene wat de moderne 'flexibele mens' zo moeilijk kan opbrengen.

We leven in een pluriforme zapcultuur, had De Jonge van museum Boijmans van Beuningen gezegd. Maar hij noch iemand anders in de museumwereld denkt dat de oplossing in aanpassen schuilt. 'Wie zegt dat die cultuur in de toekomst niet verandert?' vraagt De Jonge. 'Ik kan me goed voorstellen dat we op een gegeven moment accepteren dat de toekomst aan de bejaarden is. Dat we gewoon toegeven: allochtonen komen toch niet naar musea, net zo min als jongeren. Pas als mensen veertig, vijftig jaar oud zijn, komen ze. En weet je waarnaar ze dan verlangen? Naar een klassiek museum.'

Meer over