De te rustige jaren van Kok

Wim Kok hoorde bij de apolitieke jaren van de eeuwwende. Hij hield niet van experimenten. Hij was altijd een man van consensus, het poldermodel, en reageerde vooral vanuit het centrum, als een confessioneel premier van oude snit....

door Jan Joost Lindner

BIJNA ALOM is Wim Kok geprezen voor het aftreden van het kabinet, hoewel dat ook als ietwat bizarre symboolpolitiek gezien kan worden. Srebrenica was een internationaal-politiek, maar ook een nationaal-politiek debâcle. Er is geen reden om Wim Kok (als vice-premier of als premier) meer na te wijzen dan andere Nederlands-politieke betrokkenen van de laatste tien jaar. Echter, hij stond deze week het dichtst in de buurt van het boetekleed, al scheelde het weinig met Jan Pronk.

In zeker opzicht kan de Nederlandse behandeling van Srebrenica model staan voor de beperktheden van de politicus Wim Kok en diens periode. Er was conformisme: een nogal kritiekloos meedoen met de mode van halfslachtige vredesoperaties. Er was stuurloos palaver in de 'bunker' toen het grotelijks misliep. Er was veel traagheid en geklungel bij de politieke afhandeling.

Kok en zijn medebestuurders hadden aan het ietwat technocratische beheer van de welvarende polder al de handen vol. Balkanpolitiek en verwarde oorlogen lagen buiten hun horizon. Men kan politici met beperkte mogelijkheden moeilijk verwijten dat ze op een kritiek en hoogst ongewoon moment niet boven zichzelf uitgroeien. Srebrenica tekent het - sombere - einde van Koks actieve politieke loopbaan, maar mag in een finaal oordeel over diens premierschap van acht jaar geen overheersende rol spelen.

De vertrekkende premier verdient respect én zware kritiek. 'Een volbloed politicus ben ik nooit geworden', zei hij nog steeds na twaalf Binnenhofse jaren. Hij kon moeilijk wennen aan de politiek en had meer tekorten dan arenavechters als Lubbers, Den Uyl en Wiegel.

Hij was een laatbloeier die als 47-jarige na een glanzende loopbaan in de vakbeweging nog het roer moest omgooien. In de 'WAO-zomer' van 1991 wilde hij zelfs - wanhopig - ophouden met het PvdA-leiderschap. Maar het Nijmeegse PvdA-congres schonk hem met tachtig procent van de stemmen vertrouwen.

Daarna leken zijn zelfvertrouwen én bestuurskracht snel te groeien, zelfs niet gehinderd door een verkiezingsnederlaag (1994) van twaalf zetels. Na alle tegenslagen en met beperkte politieke uitrusting groeide Wim Kok uit tot een solide, technisch bekwame en in brede kring populaire premier. Een bescheiden overkomende, door en door betrouwbare Hollander. Een beproefd tv-politicus, zonder de franje van Van Agt, Wiegel of Nijpels.

Kortom, Wim Kok is een man van karakter en zijn groei als geslaagd bestuurder verdient respect. Hij hoorde bij de apolitieke jaren van de eeuwwende en had het economische en financiële getij mee. De mensen houden van rustige premiers als en zolang het goed gaat.

Maar zijn jaren waren té rustig. Kok was, afgezien van buitenissigheden als Srebrenica, een redelijk oplosser en zelfs voorkómer van politieke conflicten. Hij kende zijn dossiers beter dan niet economisch geschoolde voorgangers als Piet de Jong en Dries van Agt. Maar hij ging er inhoudelijk weinig creatief mee om. Hij hield niet van experimenten en slingerde geen ideeën de samenleving in, zoals Lubbers en vooral Den Uyl deden.

Kok is wel vergeleken met zijn idool en voorbeeld Willem Drees. Er is inderdaad overeenkomst in stijl en imago, maar er zijn ook kardinale verschillen. Drees was ook een regent, maar in een tijd waarin dat zo leek te horen. De PvdA-aanhang moest nog emanciperen en na de oorlog moest in stevig tempo worden op- en uitgebouwd. Drees was ook een sociaal vernieuwer van formaat en dankte mede daaraan een enorme populariteit.

Kok was helemaal geen vernieuwer. Het enig nieuwe was de paarse samenstelling van zijn twee kabinetten en die waren hem door de omstandigheden van 1994 en 1998 vrijwel opgedrongen. Eigenlijk wilde hij niet in 1994, te meer daar de VVD onder Frits Bolkestein krachtig overvroeg. Maar de omstandigheden dwongen tot paars en tot een weinig sociaal-democratisch regeerprogram.

Alleen dankzij het feit dat meer overheidsgeld beschikbaar kwam dan sinds de jaren zestig het geval was, konden de tegenstellingen tussen VVD en PvdA overbrugd worden en kon Koks eigen partij nog enigszins tevreden worden gehouden. Een tevredenheid die in de aanloop naar de verkiezingen van 2002 overigens erg schraal werd. Kok lijkt - nog steeds - buiten de PvdA populairder dan bij de eigen achterban.

Zijn eigen agenda en zijn balanceren met coalitiepartner VVD lieten weinig ruimte voor linkse idealen. Kok heeft vooral vanuit het centrum geregeerd, als ware hij een confessioneel premier van oude snit. Zijn kabinetten waren ondernemersvriendelijk; de economie ging duidelijk voor het milieu.

Kok is geen partijman en onderhield geen dialoog met zijn partij. De PvdA werd de laatste acht jaar meer een kiesvereniging voor de lijst-Kok. Men pikte het, want het waren - voor wie niet te zeer op de inhoud lette - toch wel glorieuze tijden. Een succesvol eigen premier, de eigen onmisbaarheid als grootste regeerpartner en een groeiende maatschappelijke dominantie, want PvdA'ers wisten steeds meer christen-democraten in het 'maatschappelijk middenveld' te verdringen.

Bijna alle beschouwers van acht jaar paars zijn het erover eens dat Koks kabinetten meer een voortzetting waren van de periode-Lubbers dan een sprankelend herbegin - wat het buiten de deur zetten van het CDA enigszins deed verwachten. Goed, de winkels mochten later openblijven en er was het homohuwelijk, maar paars was een 'doodgewoon kabinet', zei Kok meteen al in 1994. Overigens een rare uitspraak, want iedere nieuwe premier mag wel beginnen zijn kind heel bijzonder te vinden. Het zei ook iets over zijn aspiratieniveau.

Kok en zijn kabinet zijn vrijwel zeker te lang op de bezuinigingstoer van Lubbers I, II en III doorgegaan. Publieke diensten in de sfeer van onderwijs, openbaar vervoer en gezondheidszorg zijn eerder verslechterd in acht jaar van grote welvaart. Nieuwe investeringen kwamen laat en werkten niet best.

Het is kennelijk niet alleen een kwestie van geld. Evenzeer van belang is creatief en innovatief investeren. Juist dát heeft op bijna alle fronten schromelijk ontbroken in de paarse jaren. Pogingen het medische bestel ingrijpend te hervormen, zijn bangelijk gestaakt. De WAO bleef onopgelost. Het politieke bestel kreeg vooral kosmetische nieuwvormen (een al te zuinig referendum).

Kok is een traditioneel man. Het doodgewone is algauw genoeg. Zijn ministers - Zalm voorop - pasten goed op het geld maar maakten zelden de indruk dat ze graag pionierden en nieuwe wegen insloegen. Het beleid behield een boekhouderige indruk. Nederland is daardoor vrijwel zeker achteropgeraakt met zijn instituties en publieke diensten. Dit verwijt moet meer aan Wim Kok dan aan iemand anders worden gericht.

Hij was altijd een man van consensus, breed overleg, het poldermodel. Nooit nam hij in discussies het voortouw, maar hij wist uitstekend de grootste gemene deler van de opvattingen te vinden. Common sense, het juiste midden, maar nooit de vonk van het nieuwe, de sprong vooruit.

Het poldermodel is geschikt voor de meer obligate sociaal-economische jaarlijkse afstemming, bijvoorbeeld de loonmatiging. Het dient minder voor grote principiële vraagstukken, zoals de WAO. Wie het poldermodel als richtlijn voor politiek denken en handelen neemt, mist de creatieve controverse, het vernieuwende debat. Men luistert naar de toppen van belangengroepen, niet naar verrassende outsiders met nieuwe ideeën. Men kijkt nooit over de dijk aan de horizon.

Het grootste en meest pijnlijke tekort van de Kok-jaren was het gebrek aan relevante en spannende democratische discussie. Dat kan natuurlijk niet alleen Kok verweten worden. Volkskrant-columniste Dorien Pessers sprak van een 'permanente narcose' voor parlement en pers. Voor beide gold kleurverlies en het zoeken van middenposities. De grote politieke partijen zitten als een grijze gehaktbal samengeklonterd. Zelfs GroenLinks vertoont centrum-achtige neigingen.

Lubbers zei dat hij Nederland saaier heeft gemaakt. Inderdaad, maar bij Kok werd de democratische bloedarmoede langzamerhand een ziektepatroon. (En nog meer na het vertrek van Bolkestein en Van Mierlo in 1998). Lubbers daagde nog af en toe uit en ging ook het gevecht aan met de conservatieve krachten (Ruding) als die doorsloegen.

'Kok wist vertrouwen te wekken zonder in te gaan op de inhoud van zijn beleid', schreven Pieter Hilhorst en Hans Wansink op 1 september in de Volkskrant. En: 'Kok hoefde nooit meer op een belofte terug te komen, omdat hij nooit meer een belofte deed.' Natuurlijk zijn politici niet immer geneigd hun voornemens enthousiast in de grote groep te gooien, maar iets meer zorg om het democratische gehalte van de samenleving had een premier toch wel gepast.

Het gaat niet aan al te simpele verbanden te leggen tussen te technocratisch-autoritair regeren en de opkomst van curieuze zwetsers als Pim Fortuyn. Protestpartijen (Koekoek) waren ook in democratisch levendiger tijden succesvol. Maar het functieverlies van gezeten politieke partijen (die hun interne democratie tot vrijwel lege hulzen hebben gereduceerd) en het veel meer gaan 'zweven' van de kiezers zijn toch duidelijke uitingen van onvrede met de huidige stand van de democratie.

Wanneer de democratische arena vooral belangenbehartigers bevat die met al te veel misbaar om een klein beetje extra buit voor hun achterban vechten, verlaat het publiek de tribune. Democratie hoort daarentegen ideeënstrijd te zijn en die strijd gaat dan bijna altijd tussen vernieuwers en meer behoudzuchtigen.

Als politieke elites die strijd mijden en zelfs afkeer vertonen van ideëel debat, treedt democratische verschraling op. De kiezers krijgen het gevoel dat politici geen belangstelling meer hebben voor grotere verbanden en inbreng van buiten de eigen elitaire kring. Er is - behalve bij een machteloos D66 - geen teken dat de politici de mensen meer democratische ruimte willen geven: de vernieuwing van het oudbakken politieke en bestuurlijke bestel blijft al decennia achter.

Spreiding van macht en een vollere democratie zijn vanouds linkse idealen. Ze horen nog steeds op het program te staan van partijen die menen dat de samenleving verbeterd kan worden en dat de democratie meer moet zijn dan een siergevel van het staatsbestel.

Wim Kok was vijftien jaar PvdA-leider en acht jaar minister-president. Hij heeft geen glimp laten zien van dit soort democratisch idealisme en heeft het debat met achterban en kiezers waar het kon gemeden. En toen hij eenmaal in direct conflict kwam met zijn eigen partij zag hij geen andere uitweg dan het - democratisch ruwe - vertrouwensvotum.

Hij bleef als premier in gebreke omdat hij te weinig aan vernieuwing deed en in het geheel niet aan zelfvernieuwing. Hij voerde nog steeds de agenda van Lubbers uit, ook toen de economische vooruitgang en de financiële sanering al royaal waren bevochten. Nieuwere uitdagingen werden genegeerd, het debat met land en partij geschuwd. Met uitzonderlijke situaties wist hij - zie Srebrenica - niet goed om te gaan. Zijn politieke palet was te klein.

Wim Kok was geen slecht premier, want veel voorgangers schoten meer tekort. Maar hij was een te beperkt premier om tot de groten gerekend te worden. Zijn premierschap was een teleurstelling voor wie van een volle, intens beleefde democratie houdt en tevens - in navolging van Plato - het regeren slechts aan wijze en veelzijdige medelanders toevertrouwd wil zien.

Meer over