De symboliek telt, niet de 45 man extra voor Irak

Sergio Vieira de Mello was zwaar gewond en moeilijk te bereiken voor reddingswerkers. Maar zij die hem probeerden te bevrijden uit het puin in Bagdad konden Vieira de Mello wel horen....

Van onze correspondent Diederik van Hoogstraten

Vieira de Mello stierf even later in de ruïnes van het opgeblazen Canal Hotel, waar het hoofdkwartier van de Verenigde Naties was gevestigd. Het was 19 augustus 2003, een zwarte dag in de geschiedenis van de VN. Bij de aanslag kwamen 22 mensen om.

Vier jaar later heeft de Veiligheidsraad van de VN besloten de aanwezigheid in Irak voor het eerst sinds 2004 serieus uit te breiden. In de praktijk betekent de resolutie, die afgelopen vrijdag met unanieme steun werd aanvaard, een bescheiden uitbreiding van de missie in Bagdad: van ongeveer vijftig mensen naar 95. Dit tot groot ongenoegen van de vakbond van VN-personeel, die bezorgd is om de veiligheid, maar de resolutie niet kon tegenhouden.

Belangrijker dan de praktische gevolgen is de symbolische betekenis van resolutie 1770. Het debat over de maatregel werd in een opvallend positieve, eensgezinde sfeer gevoerd. ‘Dit nieuwe mandaat markeert een belangrijke stap op de weg naar toegenomen steun voor Irak van de regio en de internationale gemeenschap’, zei Zalmay Khalilzad, de Amerikaanse VN-ambassadeur die als ambassadeur in Irak heeft gediend.

Secretaris-generaal Ban Ki-moon was uitgenodigd voor het speciale beraad over de UN Assistance Mission for Iraq. Hij ontwaarde eveneens hoop in de nieuwe gezamenlijkheid; ook Qatar, het enige Arabische lid van de Veiligheidsraad, stemde vóór. ‘De Verenigde Naties zijn zeer begaan bij de hulp aan het Iraakse volk’, zei Ban, ‘en ik ben blij de mogelijkheid te hebben om onze bijdragen uit te breiden op cruciale terreinen, zoals nationale verzoening, regionale dialoog, humanitaire hulp en mensenrechten.’

Verzoening is ook wat de VN zelf zoeken. In de aanloop naar de oorlog, begin 2003, trachtte de regering-Bush de Veiligheidsraad mee te krijgen door druk uit te oefenen. Bush redeneerde dat het aan de VN was om Irak in het gelid te krijgen. Saddam Hussein negeerde al jaren resoluties. Het regime van sancties en wapeninspecties werkte niet, en het was tijd voor ingrijpen, betoogden de Amerikanen.

De internationale legitimering kwam er niet. Pas nadat de invasie van de Verenigde Staten en de ‘coalition of the willing’ een feit was, besloot de toenmalige VN-baas Kofi Annan om een substantieel VN-contingent naar Bagdad te sturen. Annan noemde de oorlog ‘illegaal’, maar hij had wat over voor een positieve uitkomst in Irak: hij stuurde Sergio Vieira de Mello, die bekendstond als de beste topdiplomaat die de VN in huis hadden. Nog geen drie maanden na zijn aankomst vond de Braziliaan de dood.

Later dat jaar werden alle lichtblauwe vlaggen in Irak gestreken. De Verenigde Naties waren opnieuw afwezig. In 2004 kwam een bescheiden VN-missie terug. Het maximum aantal mensen was 35. Inmiddels zijn er zo’n vijftig, een aantal dat onder resolutie 1770 bijna zal verdubbelen.

De vraag is wie er gaan. De vakbond van VN-personeel kwam met een verklaring waarin Ban Ki-moon dringend werd gevraagd geen nieuwe mensen naar Irak te sturen en de mensen die er zitten terug te halen. Er valt onder deze omstandigheden niet te werken, betoogde de vereniging. Anoniem voegen VN-mensen toe dat niemand als een verlengstuk van de Amerikaanse bezetting wil worden gezien.

Hier heeft de Iraakse ambassadeur bij de Verenigde Naties, Hamid Al Bayati, geen boodschap aan. Hij uitte dankbaarheid voor de betrokkenheid van de Veiligheidsraad. ‘Irak heeft u nodig’, zei Al Bayati. Ban Ki-moon stemde daarmee in. Hij beloofde dat de veiligheid ‘de hoogste prioriteit’ krijgt, maar zei ook dat de VN niet van brandhaarden weg moeten lopen omdat het er onveilig is. ‘Er moet iemand zijn om deze mensen te helpen.’

Zo geeft Ban in wezen gehoor aan de oproep van de VN-diplomaat Benon Sevan. Drie dagen na de dood van Vieira de Mello zei hij in Irak: ‘Sergio was betrokken bij de Verenigde Naties tot zijn laatste adem. Hij zei tegen de man die hem probeerde te redden: laat ze de missie niet terugtrekken. Geen gruwelijke daad van terrorisme zal ons afhouden van de nobele taken die wij in dienst van de Verenigde Naties op ons hebben genomen.’

De leider van het grootste soennitische blok in het Iraakse parlement, Adnan al-Dulaimi, heeft zondag in een emotionele oproep hulp van Arabische landen gevraagd tegen ‘door Iran gesteunde doodseskaders en milities’. De oproep is een nieuwe slag voor de verzoeningspogingen van de Iraakse regering.

Al-Dulaimi, de leider van het Iraakse Front van Overeenstemming, waarschuwde voor ‘een ongekende genocide’ en zei dat Bagdad dreigt in handen te vallen van Perzen en Safawi's, termen die verwijzen naar Iraniërs. Hij riep ‘alle Arabieren, moslims, presidenten, koningen en mensen’ op te interveniëren.

De oproep weerspiegelt de groeiende frustratie onder het soennitische bevolkingsdeel in Irak over de regering van premier Nouri al-Maliki, die nauw verbonden is met sjiitische partijen en Iran.

Al-Maliki heeft opgeroepen tot een top van alle politieke facties in de hoop een oplossing te vinden voor de politieke verlamming waarin het land zich bevindt. De afgelopen weken zijn bijna alle soennitische parlementsleden opgestapt. Anderen boycotten het parlement, waardoor in totaal zeventien zetels niet worden bezet.

‘De eerste bijeenkomst zou morgen of overmorgen al moeten plaatsvinden’, aldus Al Maliki. Een Koerdische leider, Massoud Barzani, is al in Bagdad aangekomen voor het overleg.

Meer over