De strijd om de tijd

Het jaar nul heeft nooit bestaan. Jezus werd al in 5 of 6 vóór Christus geboren. En niet met kerst, maar rond de tijd dat de eerste lammeren in de wei verschenen....

Peter Brusse

WAAROM HET jaar 2000 - en waarom de Gregoriaanse, paapse kalender uit 1582, waar protestanten zich meer dan een eeuw tegen verzet hebben, zodat het in Brabant al Nieuwjaar was als het in Groningen nog Kerstmis moest worden? Uiteindelijk hebben de zonen van Luther en Calvijn hem morrend aanvaard: ja, zelfs de goddeloze Sovjets hebben na de Russische Revolutie de Gregoriaanse kalender ingevoerd. En de bekroning kwam toen Mao Zedong in 1949 op het Plein van de Hemelse Vrede meedeelde dat deze pauselijke kalender voor eens en altijd in de Chinese Volksrepubliek zou gelden, want hij was in 1912 te vrijblijvend overgenomen. Desondanks blijven de Chinezen hun eigen nieuwjaar vieren. Op 5 februari begint het Chinese jaar 4698.

In het jaar 2000 wordt de 'grootste gebeurtenis aller tijden' herdacht, de geboorte van Jezus Christus, 2000 jaar geleden. Het klopt niet helemaal, de geleerden hebben zich een paar jaar vergist. Vermoedelijk is Christus 5 à 6 jaar voor Christus geboren: en zeker niet rond Kerstmis.

Bovendien is het jaar 1 niet het jaar dat Christus één jaar oud werd, maar het jaar waarin hij, dacht men, geboren werd: eenvoudig omdat men in de vroege middeleeuwen, toen de christelijke jaartelling, het Anno Domini, het jaar des Heren, werd bedacht, in Europa het begrip nul niet kende. Vermoedelijk kenden de Maya's uit Mexico de nul wel, maar we weten het niet zeker, omdat na de komst van de Spanjaarden de bisschoppen opdracht gaven alle duivelse boeken te verbranden.

De nu alom officieel gehanteerde Gregoriaanse kalender uit het Jaar des Heren 1582 is een grote verbetering op die van Julius Caesar - de Juliaanse kalender - uit 46 vóór Christus, maar hij is nog steeds niet perfect. Nog steeds loopt de klok niet gelijk met de zon, die in werkelijkheid ons jaar bepaalt. Ieder jaar raken we ongeveer 26,3 seconden achter, zodat we over bijna drie millennia, in het jaar 4909, een hele dag achterlopen op de zon.

Volmaakt is de zonneklok niet te krijgen, omdat een etmaal in de winter niet even lang duurt als een etmaal in de zomer. Ver van de zon draait de aarde éénzestigduizendste seconde sneller om haar as dan dicht bij de zon. En bovendien hort en stoot de aarde op haar jaarlijkse tocht rond de zon. Niet veel, maar soms wel een paar seconden.

HOE LANG duurt een jaar? De mensheid heeft zich met deze vraag bezig gehouden toen zij zich bewust werd dat er zoiets als seizoenen bestond en dat hetzelfde jaargetij met regelmaat terugkeerde. Jagers wisten wanneer het goed jagen was, boeren wanneer het tijd was om te zaaien en te oogsten. Volkeren met een hoogstaande landbouw- en jachtcultuur beschikten vrijwel altijd over 'goede' kalenders die door sterrenkundigen werden ontwikkeld. De sterrenhemel veranderde met de seizoenen en de maan leek de grote constante. Die kwam en ging in ongeveer dertig dagen.

Langzamerhand ontstond het idee dat het jaar uit twaalf 'maanden' bestond. Een maanjaar bestaat uit 354 dagen. Dit betekent dat een maanmaand 29,5 dagen telt. Men loste dit probleem op door de ene maand 30 en de volgende 29 dagen te laten duren.

Het is niet duidelijk wanneer men zich begon te realiseren dat het maanjaar 'te kort' was en het zonnejaar iets meer dan 365 dagen telt. Ruim 2300 jaar vóór Christus vonden de Chinezen er iets op. Zij lasten iedere vijf jaar, en in latere eeuwen iedere negentien jaar, extra maanden in. De Babyloniërs en de Grieken hanteerden 1500 jaar later min of meer dezelfde berekeningen. De joodse kalender gaat nog steeds terug naar de Babylonische en Chinese astronomen. In een periode van 19 jaar worden er vijf extra maanden aan het joodse jaar toegevoegd. Joden en islamieten zijn de maan trouw gebleven, terwijl de christenen hun kalender afstemmen op het zonnejaar.

Vermoedelijk waren de Egyptenaren de eersten die bij het zoeken naar een kalender het zonnejaar volgden. Zij hadden een jaar van 365 dagen: twaalf maanden van dertig dagen en vijf religieuze feestdagen. Hetzelfde deden de Fransen, toen zij na de Revolutie van 1789 hun eigen kalender invoerden en alle heiligendagen en kerkelijke feesten overboord gooiden: 12 maanden van 30 dagen. De vijf Republikeinse feestdagen, zes in een schrikkeljaar, heetten: de dag van de deugd, het genie, de arbeid, de rede, de beloning en van de revolutie. De kalender van de Franse revolutie gold van 24 november 1793 tot 1 januari 1906. Het volk bleef morren, omdat een week tien dagen kreeg (drie weken per maand). Negen dagen werken en de tiende dag rusten. Zo stond het niet in de bijbel.

DE OUDE Egyptenaren hadden al vóór de bouw van de pyramides ontdekt dat als de ster Sirius weer aan het firmament verscheen, in de stralen van de opkomende zon, de winter voorbij was en de Nijl als ieder jaar buiten zijn oevers zou treden.

Op obelisken waren koperen ringen bevestigd, waardoor sterrenkundigen vanaf een vast punt naar Sirius keken. Het viel hen op dat Sirius ieder jaar ongeveer zes uur later in het vizier verscheen. Dus, zeiden zij, duurde het jaar 365 dagen en zes uur (of een kwart dag). Ze zaten er elf minuten naast. Om precies te zijn: het zonnejaar duurt 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 46 seconden.

De Romeinen zaten er met hun jaartelling heel ver naast. Het Romeinse jaar, dat Romulus, de stichter van Rome in 753 vóór Christus, zou hebben bepaald, had slechts 304 dagen - 61 te weinig. Er waren tien maanden van 30 en 31 dagen, te beginnen bij maart, gewijd aan Mars, de god van de oorlog; daarna april, misschien gewijd aan de godin van de liefde; mei, ter ere van Maia, de moeder van Mercurius; juni, gewijd aan Juno, de vrouw van Zeus; en toen gingen ze tellen, tot tien. November was de negende en december de tiende maand. De dichter Ovidius schreef dat er tien maanden waren, omdat de mens ook tien vingers heeft om mee te tellen.

De opvolger van Romulus, Numa Pompilius, bracht de elfde en twaalfde maand, januari (gewijd aan de tweekoppige Janus die naar het oude en nieuwe jaar kon kijken) en februari (vernoemd naar het reinigingsfeest). Het jaar kreeg 355 dagen, een dag meer dan het maanjaar heeft. De reden van de extra dag zou bijgeloof zijn geweest. 354 was een ongeluksgetal.

Om het tekort aan dagen aan te vullen moest de pontifex (rechter én priester) schrikkelmaanden en dagen invoegen. Dit werd een politiek, tot corruptie verlokkend middel om verkiezingen te vervroegen of om meer belastingen te innen. De Romeinen kenden bij het oorlogvoeren een winterstop. Naar gelang het hen beter uitkwam verlengden of verkortten zij de wintermaanden, zodat zij de vijand konden verrassen.

De chaos was groot en Julius Caesar besloot de lente weer in de lente te laten beginnen. En niet in mei. In Alexandrië, het wetenschappelijk centrum van de westerse wereld, ontmoette Julius Caesar, volgens de legende, op een feest voor de beeldschone Cleopatra de sterrenkundige Sisogenes. Cleopatra schonk hem de zoon Julius en Sisogenes gaf Caesar de Juliaanse kalender.

Sisogenes greep terug op het oude zonnejaar van de Egyptenaren; 365 dagen en iedere vier jaar, zo bepaalde Julius Caesar, een schrikkeljaar, wat neerkomt op 3651/4 dagen. De Juliaanse kalender werd ingevoerd op 1 januari van het jaar 46 vóór Christus. Dit werd het Jaar van de Grote Verwarring. Dat eerste jaar duurde 445 dagen, omdat er negentig dagen moesten worden ingehaald. De zevende maand werd naar Caesar, Julius genoemd. Zijn opvolger keizer Augustus eigende zich de achtste maand toe. Augustus moest ook 31 dagen hebben. Dat ging ten koste van februari.

De Romeinse keizer Constantijn de Grote die aan het begin van de derde eeuw de christenen goed gezind was en zich op zijn sterfbed liet dopen, voerde, naar joods voorbeeld, de zevendaagse week in. De dag des Heren verplaatste hij van de zaterdag naar de zondag.

David Ewing Duncan, schrijver van het boek Calender (uitgave Avon Books) wijst erop dat vanaf keizer Constantijn de Kerk zich de Juliaanse kalender toeëigende als een door God gegeven waarheid. De macht van het Romeinse Rijk verzwakte en de Kerk nam de macht over. De christenen bestudeerden weliswaar de Joodse maankalender, maar wilde Pasen, het belangrijkste christelijke feest, niet laten samenvallen met het joodse paasfeest, waarnaar in het nieuwe testament verwezen wordt. Op het door Constantijn bijeengeroepen Concilie van Nicaea van 325 besloten de bisschoppen na veel ruzie dat het christelijke paasfeest voortaan altijd zou vallen op de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente.

Met Kerstmis hadden de vroege christenen minder moeite. Het was in de eerste eeuwen geen belangrijk feest en kreeg een vaste datum rond de kortste dag. Kerstmis viel samen met de Saturnalia, een week van Romeinse dankdagen ter ere van de God Saturnus. Het heidens feest werd zeer bewust overgenomen en gekerstend. Vermoedelijk is Christus in werkelijkheid in maart geboren, als de schapen lammeren.

Het berekenen van het paasfeest hield de christenen eeuwenlang bezig. In 525 gaf paus Johannes I opdracht aan de monnik Dionysius, afkomstig uit de Donaudelta, om weer een reeks paastabellen te maken. Al cijferend stelde de monnik vast dat Christus 754 jaar na de stichting van Rome moest zijn verwekt. Dat was volgens hem op 25 maart, negen maanden voor Kerstmis. Dionysius besloot 'als eerste' voortaan vanaf het geboortejaar van Christus de jaartelling te beginnen. Hij nam dat historische besluit in het jaar 532, dat toen aangeduid werd als het 248ste jaar sinds Diocletianus keizer van Rome was geworden. Diocletianus was de laatste grote christenvervolger en de vrome monnik wilde bij het bepalen van de paastabellen niet refereren aan 'de duivelse keizer die duizenden christenen had gedood.'

Pas tweehonderd jaar later, in de achtste eeuw, werd het Anno Domini, het Jaar des Heren, gemeengoed in de westerse wereld. En prompt werd voorspeld dat de wereld in het jaar 1000 zou vergaan. In delen van het katholieke Spanje en Portugal bleef men tot in de twaalfde en zelfs vijftiende eeuw de oude Romeinse jaartelling trouw. Er waren vele jaartellingen in omloop.

De islamieten kozen de vlucht van Mohammed van Mekka naar Medina in 622 als het begin van hun jaartelling. Zij krijgen op hun nieuwjaar - 6 april - niet het jaar 1378 (2000 min 622), maar het jaar 1421, omdat hun maanjaar slechts 354 dagen telt. De islamitische feesten verspringen ieder jaar met elf dagen. In 321/2 jaar hebben de islamieten het zonnejaar ingehaald. De islamitische kalender is ten opzichte van de maan heel precies en slechts één keer in de 2570 jaren moeten zij hem met een dag bijstellen.

De joden gingen later dan de islamieten over tot hun eigen jaartelling. Zij namen de schepping van de wereld tot uitgangspunt, 7 oktober 3761 vóór Christus. (Volgens de Koptische jaartelling schiep God de aarde eerder, namelijk 5500 jaar vóór Christus, de Byzantijnen deden er negen jaar bij en kwamen op het jaar 5509 vC). De joden passen hún maanjaar voortdurend aan, zodat zij, in tegenstelling tot de moslims, dit jaar wel tot 3761 + 2000 = 5761 komen.

De joodse nieuwjaarsviering begint op vrijdagavond 29 september. De joodse dag begint niet te middernacht maar bij zonsondergang. De boeddhisten komen volgend jaar tot het jaar 2543, omdat zij beginnen bij de geboorte van Boeddha in 543 voor Christus. De Chinezen bereiken op 5 februari het jaar 4698, de Tibetanen op 6 februari het jaar 2127, Iran op 21 maart het jaar 1379. De Hindoes hebben verschillende jaartellingen. De meest gevierde zijn 2057 op 14 april en 1922 op 21 maart.

DE CHRISTENEN ontdekten vrij snel dat hun kalender , afkomstig van Julius Caesar (365 en een kwart dag), niet feilloos was, maar lang veronderstelde men dat God verbood om correcties aan te brengen. In één jaar raakte men elf minuten achter, oftewel 0,78 dag per eeuw. In de zestiende eeuw was dat tot tien dagen opgelopen. Sterrenkundigen die durfden beweren dat het in werkelijkheid al januari was als de geboorte van Christus werd gevierd, riskeerden levenslange gevangenisstraf of zelfs de doodstraf.

Uiteindelijk nam paus Gregorius XIII, op advies van Luigi Lillio Ghiraldi, arts en sterrenkundige te Napels, in het jaar 1582 de sprong. Hij zocht tien dagen zonder belangrijke heiligendagen en decreteerde dat het na 4 oktober, het feest van de dierenvriend Sint Franciscus van Assisi, meteen 15 oktober zou worden. Dit werd de feestdag van Theresia van Avilla, de beschermelinge van de Spaanse koning Philips II. Zij overleed uitgerekend op 4 oktober 1582 en werd ogenblikkelijk als heilige vereerd.

Paus Gregorius slaagde er in de elf minuten van Julius Caesar terug te brengen tot 26,3 seconden. Zijn geniale vondst was om een eeuwwisseling alleen als schrikkeljaar te erkennen als het jaartal door 400 deelbaar was: en niet door 4 zoals in 'normale' jaren. 1600 en 2000 werden op die manier wél schrikkeljaren, 1700, 1800 en 1900 niet.

Om de huidige 26,3 Gregoriaanse seconden weg te werken die in 3323 jaren zullen zijn opgelopen tot een hele dag is al overwogen het jaar 4000 niet als schrikkeljaar te erkennen. De wereldorganisaties beschouwen dit probleem overigens niet als urgent.

De katholieke landen, Polen, Italië, Spanje en Portugal stapten meteen, zoals de paus had bepaald, op 4 oktober 1582 over op de nieuwe kalender. Frankrijk wachtte tot 9 december en in de Zuidelijke Nederlanden, Holland en Gelderland besloten de autoriteiten om het de dag na 14 december Kerstmis te laten worden.

Het protestante Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel aanvaardden pas, ruim een eeuw later, in december 1700, de Gregoriaanse kalender en moesten toen elf in plaats van tien dagen weggooien.

Ewing Duncan schrijft dat de invoering van de Gregoriaanse kalender tot veel woede en onbegrip heeft geleid. Er waren volksrellen, omdat de paus het leven van de mensen had verkort. Werklieden kregen over de tien geroofde dagen geen loon uitbetaald en bankiers wisten niet hoe zij de rente moesten bepalen. Protestantse predikanten riepen van de kansel dat de paus met zijn beslissing om tien dagen over te slaan inderdaad een kind van de duivel was.

De Engelsen, hoe kan het anders, gingen pas in 1753 over op de Gregoriaanse kalender. In de chaos vielen verscheidene doden. Maar in Amerika, dat toen nog een Britse kolonie was, vatte men het laconieker op. Benjamin Franklin schreef in Poor Richard's Almanack: 'Wat een heerlijkheid om op de tweede van de maand (september) het hoofd vredig op het kussen te mogen leggen en pas in de ochtend van de veertiende wakker te worden.'

De Gregoriaanse kalender mag dan wel drie eeuwen lang alom hier in het land gelden, maar het duurde tot 1 mei 1909 voordat alle klokken in Nederland gelijk waren gezet en overal de Amsterdamse zonnetijd moest gelden. Tot dan toe lazen veel steden en gemeenten de juiste tijd af van hun eigen plaatselijke zonnewijzer, zodat het in het oosten des lands later was dan aan de kust. De Duitsers brachten de Midden-Europese tijd. Dat betekent dat de klokken in Nederland in de winter gemiddeld veertig minuten vóór lopen. De Sterrenwacht in Utrecht viert daarom - en de NOS zendt het rechtstreeks uit - de eeuwwisseling om veertig minuten over twaalf. Om twaalf uur is het 'om precies te zijn' in Enschede pas 23 uur 28 en in Middelburg 23 uur 14.

Wie gelooft in Dageraad van het Nieuwe Jaar moet naar Vaals, waar het zonnegloren om 8 uur 32 wordt geboren: het zijn de eerste zonnestralen van het land, althans bij goed weer.

Meer over