De speeltuin gaat nooit verloren

De buurtspeeltuin – welk Nederlands kind is er niet mee opgegroeid. Nederland telt zo’n achthonderd speeltuinen, die nog altijd goed bezocht worden....

Joey (5) en Jordi (6) hebben het er maar druk mee. Ze zitten op hun knietjes aan het eind van een kronkelende waterbaan, en het meisje dat aan het begin bij de waterpomp staat, lijkt niet door te hebben wat ze aanricht. ‘Ho, het water, de dijk overstroomt!’, roept Jordi. Maar het meisje pompt maar door. Tegen Joey: ‘Scheppen, meer zand! We moeten een dam bouwen, snel!’

Het is woensdagmiddag, een uur of drie. Topdrukte in speeltuin De Speelderij in Volendam. Kinderen krioelen tussen de toestellen door, de ‘schatkisten’ (met cadeautje) en andere ijsjes vliegen over de toonbank, oma’s lezen de Privé, opa’s duwen wiebelige fietsjes, moeders zitten met moeders onophoudelijk te kletsen.

Het weer kan niet beter. Zonnig, warm, maar niet te. Want ‘bij echt mooi weer gaat iedereen naar het zwembad’, zegt vrijwilligster Angelique Langerveld (43).

De speeltuin gaat nooit verloren, zo lijkt het. Overal in Nederland worden van water en zand nog altijd de heerlijkste taartjes gebakken, de diepste putten gegraven en de grootste dammen gebouwd. Hoe natter en viezer handen en kleren, hoe leuker. ‘Het geheim van de speeltuin?’, zegt Langerveld. ‘Kinderen hebben niets nodig.’

Sinds de oprichting van de speeltuin, tien jaar geleden, is Langerveld, moeder van drie kinderen, al vrijwilligster. Elke woensdagmiddag. ‘Ik wilde ermee stoppen, maar dat mocht niet van mijn kinderen, ook al zijn zij de speeltuin eigenlijk al ontgroeid.’

Net als vroeger
Dat het goed gaat met de speeltuinen in Nederland blijkt ook uit een recente enquête van belangenvereniging Nuso onder 184 speeltuinen. Opvallend: hoewel verreweg de meeste speeltuinen van nu stammen uit de jaren vijftig en zestig of ervoor, nemen de bezoekers- en ledenaantallen de laatste jaren nog altijd toe.

Naar schatting bezoeken ruim 73 duizend mensen dagelijks een speeltuin; jaarlijks zijn dat er 11,5 miljoen. Hoe dat kan, is de vraag. Hoe kan een speeltuin anno 2010 overleven in het geweld van moderne attractieparken, overdekte speelparadijzen, klimhallen en ballenbakken?

Eén antwoord is: kinderen zijn van nature conservatief. Vraag een willekeurig kind wat het het leukst vindt en het antwoordt: klimmen, kliederen, klauteren. Tijd of mode lijken daar geen vat op te hebben. Ook in De Speelderij worden schommels nog altijd een eeuwigheid bezet door meisjes met staartjes, paardjes rijden de kleinsten eindeloos in het rond, op de draaischijf slingeren de ‘grote jongens’ elkaar tot misselijkmakends toe door de lucht. Alles is er nog als vroeger. Alsof de tijd er minstens dertig jaar heeft stil gestaan.

‘Samen spelen is samen delen’, staat op het bord met ‘speeltuinregels’ bij het toegangshek. Een andere regel, zo uit de jaren vijftig: ‘Echte speeltuinliefhebbers komen lopend of op de fiets.’

Met dertienhonderd leden – een lid is vaak een heel gezin inclusief opa, oma en de oppas – is De Speelderij een goed lopende speeltuin. Langerveld: ‘Ook mensen die niet meer komen, betalen nog steeds een abonnement.’

Achthonderd van dit soort speeltuinverenigingen telt Nederland in totaal. Laagdrempeligheid is troef, wat goed uitkomt in tijden van crisis. Want waar maak je dat tegenwoordig nog mee: toegangsprijs 1 euro, of een jaar lang onbeperkt spelen voor 12 euro. ‘Wij houden de prijzen bewust laag’, zegt Langerveld. Koffie, thee en snoep kosten allemaal minder dan een euro – je eigen boterhammen meenemen mag ook. Alleen frisdrank is 1,20, want ongezond.

Nog zoiets: de meeste speeltuinen zijn alleen op werkdagen geopend, tot vijf uur ’s middags; tussen de middag en in de weekends zijn ze dicht.

Ontmoetingsplek
‘Heel moderne speeltuinen bestaan niet eens’, zegt Cees Kramer van Nuso. ‘Er is een bedrijf uit Goor, Yalp, dat experimenteert met computergestuurde apparatuur: een voetbalmuur met lichtjes die aangaan als je een bal tegen de muur schiet, een speeltoestel, Sona, met gekleurde vakken op de grond dat allerlei geluiden produceert. Maar ik ken geen speeltuin met alleen maar dit soort toestellen. De meesten durven het risico niet te nemen dat het niet aanslaat.’

Toch is er iets veranderd sinds de jaren zeventig. ‘Kinderen gaan niet meer alleen naar de speeltuin’, aldus Kramer. ‘De ouders gaan mee. Ze zijn angstiger geworden door alle verhalen over pedofielen, kinderlokkers.’

Voor veel moeders – vaders zijn er vandaag in De Speelderij niet veel, welgeteld één – betekent de speeltuin dan ook een ontmoetingsplek én een moment van ontspanning. Langerveld: ‘Moeders kunnen de kinderen hier helemaal vrij laten. Ze hoeven even niet op te letten. Het is veilig. De kinderen kunnen niet weglopen want er is een hek. Je kent iedereen en wij letten wel op dat er geen vaders zonder kinderen binnenkomen.’

Maar niet alle speeltuinen kunnen makkelijk overleven. Uit de enquête van Nuso blijkt dat een kwart van de speeltuinen binnenkort groot onderhoud nodig heeft, eenderde is toe aan verandering en vernieuwing van de inrichting. En het gemiddeld jaarbudget van een speeltuin is minder dan 1.000 euro.

Kramer: ‘Vroeger werden de speeltuinen gesubsidieerd. Maar dat is vijf, zes jaar geleden wegbezuinigd. Nu moeten we zelf schooien om geld. Dat is allemaal heel moeizaam.’

De Speeltuinmens
Ook de strengere regelgeving op het gebied van veiligheid betekent voor veel speeltuinen de doodsteek. Kramer: ‘De veiligheidseisen hebben de speeltuinen op veel hogere kosten gejaagd. Vroeger timmerden handige mensen uit de buurt een toestel in elkaar maar dat mag niet meer sinds het Attractiebesluit van 1997.’

Maar veel levensbedreigender is het permanente tekort aan vrijwilligers die de boel runnen, toezicht houden, pleisters plakken en chips verkopen. Driekwart van de speeltuinen heeft moeite met het werven van vrijwilligers. Kramer: ‘Speeltuinmensen is een speciaal soort: nooit chagrijnig, oneindig veel geduld. Vroeger werden ze vaak Tante genoemd: tante Corrie of tante Gerrie. Maar ze zijn bijna niet meer te vinden.’

Zo’n speciaal mens is vutter Garrelt Bont (69). Samen met zijn vrouw Nel (65) beheert hij al zes jaar de speeltuin in Monnickendam. Voor hen een fulltime job. ‘Als het mooi weer is, zijn we zeven dagen in de week open. Alleen als het regent, komen we niet. Ik heb het nu drukker dan toen ik voor mijn baas werkte.’

Hij lacht nu, maar eigenlijk zijn ze er te veel tijd mee kwijt. In 2005 hebben ze de hele tuin laten renoveren: nieuw gras, paadjes aangelegd, een groot klimhuis uit Amerika aangekocht. De inkoop van het winkeltje doet hij ook – elke maand schiet hij de kosten voor van zijn eigen AOW. Ondertussen is hij al tijden op zoek naar een opvolger. ‘In januari word ik 70, dan wil ik er eigenlijk wel mee stoppen. Maar we hebben al zo veel advertenties gezet. Zonder resultaat. De mensen betalen hun contributie en daarmee willen ze ervanaf zijn.’

Toch maakt hij zich net als de meeste speeltuinen geen zorgen over het voortbestaan. ‘Nee dat komt wel goed.’ En ook andere speeltuinen laten zich niet afschrikken. Sterker nog: er worden de laatste jaren naar verhouding veel nieuwe speeltuinen opgericht. ‘Vooral in vinexwijken’, zegt Kramer. ‘Daar is altijd de kritiek dat er te weinig speelruimte voor kinderen is. Nu zie je veel initiatieven.’

Marc Jacobs is trekker van het burgerinitiatief op het Amsterdamse IJburg voor een nieuwe speeltuin. ‘De overheid heeft de mond vol over buiten spelen en meer bewegen, maar op mooie dagen sta je hier in de rij voor de wipkip en de schommel.’

Ruim 260 handtekeningen zijn er inmiddels verzameld, en nu ligt het bij het stadsdeel.

Wat hij voor ogen heeft, is niet een ouderwetse vrijwilligersvereniging, maar een soort ‘speeltuinvereniging 2.0’. ‘Je moet het zo zien: wij investeren in denkkracht, ontwikkelen het creatieve idee. We willen de speeltuin ook wel deels opzetten, maar dan geven we hem terug aan het stadsdeel voor de exploitatie. Dat is, denk ik, het meest kansrijke scenario.

‘Je kunt van tweeverdieners en bakfietsvaders niet verwachten dat ze ook nog een speeltuin gaan runnen.’

Meer over