De soepelheid van de Romeinse Curie

DE CLASSICUS en historicus W.F. Akveld is rector geweest van twee middelbare scholen en doceert nu kerklatijn aan een priesteropleiding....

Sinds het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) wordt zwaar op de Curie gekankerd. Dit bestuursapparaat heeft de naam archaïsch, kil en conservatief te zijn en centralistisch. De autoritaire Curie, heet het, verzet zich stelselmatig tegen vernieuwingen, is per definitie ontoegankelijk voor de buitenwereld en ongevoelig voor kritiek. Maar een appelboom draagt nu eenmaal geen peren: een organisatie als de katholieke kerk kan moeilijk een ander soort bestuursapparaat hebben dan de Curie.

Toch is het niet waar dat de Curie een verstard mechanisme is. Uit Akvelds boek blijkt dat ze zich steeds heeft aangepast aan nieuwe pausen en nieuwe eisen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat ze dat in de toekomst niet zal blijven doen. Natuurlijk reageert zo'n instituut traag op veranderingen: de kerk heeft alle tijd en is van nature niet geneigd tot nieuwlichterij. Maar er komt een moment dat ze wél reageert. Anders zou de kerk het nooit al tweeduizend jaar lang hebben volgehouden. In strijd met de heersende mening heeft ze zich in de loop der eeuwen op vele gebieden zeer elastisch getoond.

Vanaf het begin van het christendom nam de bisschop van Rome in de kerk een bijzondere plaats in, maar zijn absolute leiderschap was eeuwenlang nog niet vastgelegd. Als opvolger van Petrus was de paus de primus inter pares, zoals in de orthodoxe kerk de patriarch van Constantinopel dat nog steeds is. Net als andere bisschoppen had ook die van Rome zijn helpers.

Naarmate het christendom zich uitbreidde en de macht van de paus toenam, kregen zijn assistenten en adviseurs meer taken en meer gezag. Pas in de elfde eeuw raakte de term Romeinse Curie in zwang, in de betekenis van 'pauselijk hof'. De wereldse vorstenhoven stonden daarvoor model, ook al viel die hervorming samen met de herontdekking door paus en geestelijkheid van hun spirituele taken.

In De Romeinse Curie beschrijft Akveld nauwkeurig en kritisch de geschiedenis van de ontwikkelingen in het kerkelijke bestuursapparaat, zowel van de Curie als geheel als van de afzonderlijke Curie-instanties. Het zwaartepunt lag aanvankelijk bij het college van kardinalen, het Consistorium. Tegelijk kwamen de grote centrale bureaus en rechtbanken op, instrumenten waarmee de pausen hun sterk gegroeide macht en controle uitoefenden.

In de zestiende eeuw werd het Consistorium verdrongen door afzonderlijke commissies van kardinalen, de congregaties. Die moesten reageren op de uitdaging van de Reformatie en toezien op de uitvoering van de Contrareformatie. De eerste congregatie was de in 1542 gestichte Inquisitie, die later het Heilig Officie en nog later de Congregatie voor de Geloofsleer ging heten. In 1585 stelde paus Sixtus V tien congregaties in voor kerkelijke zaken en vijf voor het bestuur van de kerkelijke staat.

In de daarop volgende eeuwen ging deze structuur een eigen bureaucratisch en vaak zinloos leven leiden, waaruit ten slotte niemand meer wijs kon. Pius X bracht in 1908 orde in die chaos. In 1967, na het Tweede Vaticaans Concilie, voerde Paulus VI belangrijke veranderingen in: toekenning van een centrale rol aan de Staatssecretaris (die ging fungeren als premier en als minister van Buitenlandse Zaken) en aan zijn Substituut (tweede man); opheffing van functies voor het leven en van andere privileges; pensionering van alle ambtenaren op hun 70ste of 75ste; uitsluiting uit het conclaaf van kardinalen van 80 jaar en ouder; internationalisering van de Curie, die tot dan toe praktisch een Italiaans onderonsje was geweest. Deze en andere hervormingen werden door de huidige paus in 1988 gestroomlijnd.

In de Curie in Vaticaanstad, waartoe ook gebouwen behoren die buiten de Vaticaanse muren liggen, werken 1740 personen - geestelijken en leken - bij een groot aantal instanties. Dat zijn het staatssecretariaat, negen congregaties, elf pauselijke raden, drie tribunalen en een reeks van secretariaten, prefecturen, commissies, stichtingen en andere organen. Ze houden zich bezig met bijna alles: leerstellige kwesties, pelgrimstochten naar Rome, bisschopsbenoemingen, huwelijksontbindingen, controle op theologen en priesters, de Vaticaanse winkels, relaties met de andere godsdiensten, diplomatieke betrekkingen, de postzegels van Vaticaanstad, noem maar op.

Akveld heeft zich systematisch, accuraat en minutieus van zijn taak gekweten. Een leuk leesboek is De Romeinse Curie daardoor niet geworden, zeker niet het taaie, maar zeer informatieve deel II over de geschiedenis van de afzonderlijke Curie-organen. De hoofdstukken zijn keurig onderverdeeld, onder-onderverdeeld en soms onder-onder-onderverdeeld.

Zo duidt in deel II de cijfercombinatie 3.3.5.2 de tweede paragraaf aan van het vijfde lemma van het derde onderdeel van het derde hoofdstuk: de hervorming door Paulus VI van een bepaald soort kerkelijk tribunaal. Aan de organisatiestructuur van dit boek over de kerkelijke organisatiestructuur ontbreekt niets.

Jan van der Putten

De Romeinse Curie - De geschiedenis van het bestuur van de wereldkerk.

Valkhof Pers; 432 pagina's; ¿ 59,50.

ISBN 90 5625 007 8.

Meer over