De smaak van Holland

De Vereniging Rembrandt, het grootste particuliere aankoopfonds van kunst in Nederland, bestaat 125 jaar en toont in het Van Gogh Museum 125 van ‘haar’ aankopen....

Wieteke van Zeil

Dat kom je niet vaak tegen aan de wand in een museum. ‘Voor 700 duizend gulden kocht de Vereniging Rembrandt dit schilderij van Rembrandt.’ ‘Aan deze Magritte besteedde de gemeente Rotterdam 2,4 miljoen gulden.’ ‘Deze zilveren kan werd voor 700 duizend gulden op een veiling gekocht in 1976.’

Een beetje onwennig, zo’n prijskaartje bij die chique kunst. Musea zijn inhoudelijke instituten, daar wordt niet over geld gepraat met de bezoeker. Te plat, laat dat maar aan de handel over. Maar toch ook spannend. Want als bezoeker zie je heus wel dat die beroemde Titus in monnikspij (1660) nu een veelvoud waard is van de zeven ton die er in 1933 voor werd betaald aan de Sovjetrepubliek – ínclusief Rembrandts Verlooching van Petrus (1660). Even verderop hangt de laatste Rembrandt die door een Nederlands museum werd aangekocht: Portret van een oude man (1667) uit het Mauritshuis. Daarvoor werd in 2000 32 miljoen gulden betaald.

De Vereniging Rembrandt zet de luiken open. Nederlands eerste particuliere aankoopfonds voor kunst in de publieke ruimte is 125 jaar geworden. In de tentoonstelling 125 grote liefdes in het Van Gogh Museum in Amsterdam speelt daarom bij uitzondering geld wel een rol. Wat normaal not done is, kan nu juist gezegd worden. Want de aankoopgeschiedenis van de kunstwerken, met steun van de vereniging, is immers het belangrijkste bindende onderwerp van de kunstwerken. Dus naast aankoopbedragen wordt ook verhaald over het belang van de kunstwerken en de redenen waarom het in de collectie van de musea past die het verwierven.

De tentoonstelling is een feestje, de vereniging is de jarige. Daardoor lijkt het wel een beetje alsof alle kunstwerken helemaal gekocht en cadeau gedaan zijn door de Vereniging Rembrandt aan de Nederlandse musea. Maar dat is niet waar. De Vereniging Rembrandt betaalt méé, als de leden het eens zijn met een voorgestelde aankoop. Het grootste deel van de aankoopsom, zeker tegenwoordig, wordt nog altijd neergeteld door de staat en een aantal grote sponsors. Belastingbetalers, lotenkopers, bedrijven.

Maar de vereniging is wel van groot belang. De goodwill, kennis, en lobby van de leden spelen een grotere rol dan geld. Ze werd opgericht door een welgestelde club heren die nu in kennerskringen als legendarisch worden beschouwd: Victor de Stuers, cultuurhistoricus en latere minister van Cultuur, die zich opwond over de leegloop van Hollandse kunststukken naar buitenlandse collecties. In het bestuur zaten bierbrouwer Gerard Heineken, burgemeester van Amsterdam Gijsbert van Tienhoven, Rijksakademiedirecteur August Allebé, verzamelaar Daniël Franken. Even later voegde Abraham Bredius zich erbij, toen de grootste kenner van 17de-eeuwse kunst, die belangrijk was voor de hernieuwde kennis en interesse in Rembrandt. De groep breidde zich al vrij snel uit. En inmiddels telt de Vereniging tegen de tienduizend leden.

De club idealistische notabelen begon na het zien vertrekken van belangrijke verzamelingen naar het buitenland – vrijwel de hele collectie van de Amsterdamse familie Van Loon ging met Rembrandts en al naar de Rothschilds in de VS – te strijden voor behoud. 19de eeuw: Vermeer werd herontdekt, Rembrandtwaardering steeg tot een eerste kookpunt, ook met kleiner werk uit de Gouden Eeuw werd gedweept door kunstenaars en liefhebbers overal ter wereld.

De publicatie bij de tentoonstelling leest, voor wie het geduld ervoor heeft, als een spannende geschiedenis van wat de vereniging wel en niet is gelukt. Wat tóch naar het buitenland verdween (de kantwerkster van Vermeer, Nicolaas Ruts en dominee Anslo van Rembrandt), en wat werd behouden voor de Nederlanders, waaronder delen van de Six-collectie als Het Straatje en de Melkmeid van Vermeer.

Wat de Vereniging nu in de tentoonstelling wil laten zien, is vooral de flexibiliteit van haar beleid. Na behoud van erfgoed werden begin 20ste eeuw de doelen aangescherpt: terugkeer van Hollandse kunst die al naar het buitenland was vertrokken. In het Interbellum breidde de aandacht uit naar buitenlandse kunst – in 1922 koopt het Rijksmuseum bijvoorbeeld het portret van de mooie Spanjaard Don Ramón Satué (1823) van Goya, en in 1923 wordt van de Italiaanse Fra Angelico een serene Madonna aan de collectie van Boijmans Van Beuningen toegevoegd.

Minutieus ontvouwt kunsthistoricus Peter Hecht, die ook de tentoonstelling samenstelde, in het boek de zoektocht en het handjeklap van de vereniging. Met soms fascinerende feiten; 520 duizend gulden voor een Vermeer die geen Vermeer bleek te zijn (maar van meestervervalser Han van Meegeren). Amerikaanse handelaren zagen dat het een ‘rotten fake’ was, de grote Bredius niet. Daar smult de lezer natuurlijk van. Net als van de schamele 28 duizend gulden waarvoor Rembrandts Landschap met stenen brug (slechts het belangrijkste landschap van de meester) uit Londen werd gehaald.

Hedendaagse kunst was toen nog geen optie voor de vereniging, daarvoor was na de oorlog de jonge directeur van het Van Abbemuseum nodig. In 1952 wilde Edy de Wilde (toen 33 jaar) voor zijn museum de Chagall Hommage à Apollinaire (1911-12) kopen. Taboe, want de kunstenaar leefde nog. Onrust in de herenclub, en er werd voor het eerst gestemd. De Chagall was het eerste werk van een levende meester dat met steun van de vereniging werd aangekocht.

De vereniging was en is er niet om risico’s te nemen: ze koopt kunst voor het grote publiek, dus kunst die al gevestigd is. Als er één ding is dat de tentoonstelling daarom reflecteert, dan is dat de smaak van Holland. Een weergave van wat de Nederlanders de afgelopen eeuw belangrijke cultuur hebben geacht. Een soort canon: topstukken waarmee veel Nederlanders zijn opgevoed.

Omdat het een canon is, voelt het wel een beetje als huiswerk. De stukken eisen aandacht, je moet je er in verdiepen: waarom is dit belangrijk, waarom moeten we dit kennen.

Maar al die totaal verschillende werken zo bij elkaar doen ook iets nieuws ontstaan. Het is huiswerk dat loont; als een zware aflevering van Zomergasten vol onsamenhangende fragmenten. Het vergt inspanning om ernaar te kijken, maar het levert ook wat op. Verfrissing, energie, een nieuwe blik.

Daarmee is 125 grote liefdes onverwacht (de titel suggereert niet bepaald een blockbuster) een tentoonstelling waar je mensen aan de haren naartoe zou willen trekken. Waar zie je een schotel uit de Ming dynastie naast een Mondriaan? Een onaf schilderij van Alma Tadema met lome ‘antieke vrouwen’ naast een Griekse prijsamfoor uit de 6de eeuw voor Christus? Bruce Nauman naast Manet?

Er hangen zo veel topwerken – De liefdesbrief van Vermeer, de enorme Matisse uit het Stedelijk, de schoenen met tenen van Magritte uit Boijmans Van Beuningen – dat alleen hele opmerkelijke werkjes uit kleinere musea het winnen in de aandacht. Zoals een geestige Hugh Heffner avant la lettre: Jacob van Wassenaer van Duivenvoorde, de stichter van het kasteel Duivevoorde dat dit portret met steun van de vereniging kon kopen. Nuchter zit de nobele te kijken in een ochtendjas van rode zijde dat wel wel vloeibaar koper lijkt. Er zijn pareltjes in de tentoonstelling die echt gezien moeten worden, zoals de onwaarschijnlijk mooie tekening De voetwassing van Rembrandt, die vanwege kwetsbaarheid niet vaak te zien.

Sommige werken staan hier in het Van Gogh Museum beter, omdat ze buiten hun context gepresenteerd zijn. Het lijkt wel of Rembrandts zoontje Titus, gekleed als Franciscus, zat te wachten op de rust waarin hij hier tot zijn recht komt, ver van bekendere schilderijen van Rembrandt als de Staalmeesters en het Joodse Bruidje.

Het is niet het soort blockbuster waar je naartoe moet omdat je maar één keer de kans krijgt deze werken te zien, zoals vaak als er bijzondere kunst uit privéverzamelingen is geleend. Dit is juist publieke kunst. De kracht zit hem in de combinaties. De diversiteit waarmee zilver naast schilderijen staat, een globe naast porselein. Een tijdelijke hall of fame.

****

Meer over