De smaak van een kaakje

HOE ZAG DE samenleving er uit, die vijftig jaar geleden dankbaar haar hand ophield voor de Marshallhulp?..

Alle herinneringen zijn de afgelopen weken opgehaald, in tientallen kolommen krantenkopij, in radiobespiegelingen en televisie-analyses, in interviews met oude boeren en oude kruideniers, in live-uitzendingen van de herdenkingen in Den Haag en Rotterdam. Woorden van respect, bewondering en erkentelijkheid schoten zo ontzettend tekort, dat elke volgende schrijver of spreker die van de vorige maar herhaalde en er ten slotte een reusachtige stapel verbale legoblokjes was opgebouwd die tot de hemel van Bill en Hillary Clinton reikte.

We weten weer alles van de economische, de politieke en de charitatieve overwegingen vanwaaruit het kerngezonde Amerika toentertijd het doodzieke Europa wilde genezen, hoe de domme Stalin de bloedtransfusie weigerde en daarmee eigenlijk toen al het lot bezegelde van zijn evil empire, en hoe daarentegen Frankrijk, Italië, Nederland, België, Luxemburg en Duitsland als feniksen uit hun as herrezen. Maar het antwoord op de vraag hoe de patiënt er in 1947 precies bij lag en wat er op zijn bijna-sterfbed precies in hem omging, blijft in nevelen gehuld.

Op z'n mooist kon je afgeleide signalen opvangen. De oude Drees die Paul Hoffman en Averell Harriman - net terug van Rome waar ze als vorsten waren gefêteerd - bij zich thuis in de zuinige Haagse Beeklaan ontving en ze een kopje thee met een kaakje presenteerde: dat zegt natuurlijk wat, zo niet over Nederland dan toch over zijn minister-president. Filmarchiefmateriaal dat in zwart-wit de halve bevolking in kleren van Volksherstel heeft vastgelegd: ook een teken. En uit de (deels herdrukte) propagandafolders blijkt dat Nederland in 1947 nog leefde in het snaakse universum van Jo Spier.

Maar verder?

Eigenlijk hebben de plechtige terugblikken meer onthuld over de gulle gevers dan over de bleekneuzige ontvangers. In Washington wisten ze toen al dat iedereen een stuk gelukkiger zou zijn als de hele wereld op Amerika zou lijken - en gelijk hadden ze, zeg je achteraf. Maar vonden we dat in Nederland ook? Zonder er ooit geweest te zijn kon Menno ter Braak vroeg in de jaren dertig al uitleggen waarom hij 'Amerika' afwees, en Huizinga, die wel de moeite van een bezoek had gedaan, berichtte erover als een bekommerde Europeaan die in de Nieuwe Wereld veel kiemen van verderf was tegengekomen.

Wie in het vooroorlogse Nederland kende Amerika? De beelden waren overwegend schimmig. Wie ze kon toetsen aan de realiteit, werd meestal bevestigd in z'n vooroordelen - zoals koningin Wilhelmina, die in juli 1942 bij president Roosevelt te gast was, en na de visite tegenover haar minister Van Kleffens klaagde dat 'die man al maar door praatte en een ander nauwelijks aan het woord laat komen'. De oppervlakkigheid van de Amerikaan was voor haar bewezen.

Anti-Amerikanisme is waarschijnlijk een te groot woord voor de licht huiverige gevoelens van argwaan (en onwennigheid) waarmee het land van de jazz, de wolkenkrabbers en Shirley Temple werd bejegend. Men wist er in Nederland vermoedelijk minder van af - of had er minder directe affiniteit mee - dan van Oost-Azië, waar we tenslotte een half wereldrijk bezaten; New York waren we in 1664 al kwijtgeraakt.

Het kan niet anders of de nadrukkelijke manifestatie van die zeer verre buur moet in 1947 zoiets als een culturele schok teweeg hebben gebracht - en niet eens zozeer vanwege de Cola, de pocketboeken, de films (die waren er al), de afwasmachine of de ontdekking van de arbeidsproductiviteit, maar omdat zo plompverloren het oriëntatiepunt werd verlegd van de Europese bondgenoten die allemaal, net als wij, op apegapen lagen, naar die transatlantische met z'n aura van durf, vitaliteit en onoverwinnelijkheid. Dat de bakker weer kon bakken dankzij het graan van Marshall kwam ons natuurlijk goed van pas - maar van al die andere dingen die per libertyschip werden aangevoerd, hadden we veel minder terug.

In de geest van Ter Braak werd in het literaire tijdschrift De Nieuwe Stem van meet af aan gehuiverd voor de mogelijk minder aangename 'bijwerkingen' van het Marshallplan - figuren als dominee Buskes, W. F. Wertheim, J. B. Charles en het echtpaar Romein waarschuwden dat de Amerikaanse invloed schadelijk zou kunnen blijken voor de Nederlandse politieke cultuur en de Nederlandse geestesmerken. In een ander tijdschrift, De Vrije Katheder, tekende Lex Metz een spotprent waarop Truman een concentratiekamp-achtige baby voert - bijschrift: 'Als Westeuropaatje nou braaf gegeten heeft, wordt Westeuropaatje een sterk mannetje en dan mag hij met dat mooie speelgoed spelen' - en het speelgoed stond in de hoek: een stengun, een revolver, een prille raket.

Pas later kreeg de reserve het politieke tintje van de fellow travellers die zich hun Europese bondgenoot in Moskou niet wilden laten ontfutselen, en de Marshallhulp dus allengs gingen herijken als een perfide complot tegen de Sovjet-Unie. Maar zeker tot 1950 was de scepsis onder Nederlandse schrijvers en intellectuelen bovenal van culturele aard; als lid van de elite keek je ook niet naar Amerikaanse films.

In alle journalistieke en diplomatieke huldebetuigingen aan de grote Marshall is van dat klimaat van 1947 niet of nauwelijks gerept: het ging tenslotte ook meer om vlaggetjesdag dan om een symposion.

Maar in de boeken die aan het jubileum zijn gewijd, ontbreekt dat historische aspect evenzeer. Dat in twee daarvan een voorwoord van Wim Kok is opgenomen, geeft waarschijnlijk de toon al enigszins aan: het gaat om dankbaarheid in half-wetenschappelijke verpakking, en de voorzitter van de Europese Unie mocht al vast een voorschot nemen op zijn toespraak in de Ridderzaal.

In Hoed af voor Marshall heeft de jonge historica Pien van der Hoeven zich beperkt tot een eenvoudige reconstructie van wat het grote plan tussen 1947 en 1952 in Nederland teweeg heeft gebracht - hoe het werkte, wie aan beide zijden van de hulplijn actief waren, wat we er wijzer van werden, hoe het de later doorgebroken welvaart misschien niet heeft veroorzaakt, maar toch heeft bevorderd. Vlot geschreven, met anekdotes en persoonlijke herinneringen aangelengd, het mariakaakje uit de koektrommel van huize Drees niet vergeten - in enigszins bekorte vorm zou het zo in de krant hebben gekund.

Dat geldt iets minder voor Van Amerika geleerd, maar dat is dan ook een proefschrift over vooral de 'kennisimport'-kant van de zaak. Alle nadruk heeft Frank Inklaar gelegd op de meer dan honderd studieteams die gedurende de vijf jaren dat het plan van kracht was, naar Amerika zijn gereisd om zich vooral door de in Nederlandse ogen verbazingwekkende arbeidsproductiviteit te laten inspireren. De wederwaardigheden van uitverkorenen uit de textiel, de grafische industrie, het kleinbedrijf (Albert Heijn en de zelfbedieningscultuur!), de landbouw en nog zes andere bedrijfstakken zijn afzonderlijk geanalyseerd: wat bezochten ze, hoe verwierven ze hun kennis, met welke indrukken kwamen ze thuis, en tot welke resultaten hebben hun bevindingen geleid?

De cases zijn interessant, de uitkomsten vallen nogal tegen, maar wat je voortdurend mist zijn de kleuren, de geuren en de sentimenten van de tijd waarin al die gemêleerde gezelschappen op stap zijn geweest. Het Marshallplan lijkt een tijdloze institutie waarvan alle schroeven en moeren en scharnieren en dwarsverbindingen met grote nauwgezetheid zijn beschreven, zonder dat je ooit het gevoel krijgt dat er ook mensen, en zelfs mensen van een halve eeuw geleden bij betrokken waren.

Ook in de bundel Van strohalm tot strategie ten slotte - tien opstellen van diverse auteurs over diverse facetten van het Plan - ontbreekt de 'historische sensatie': keurige, politiek correcte en voor een deel nogal omzichtige stukken, maar stuk voor stuk zo droog als mariakaakjes, en nergens zelfs maar een poging om aan te duiden hoe zo'n koekje smaakte.

Frank Inklaar: Van Amerika geleerd - Marshall-hulp en kennisimport in Nederland.

Sdu; 448 pagina's; ¿ 49,50.

ISBN 90 12 08438 5.

Pien van der Hoeven: Hoed af voor Marshall.

Bert Bakker; 164 pagina's; ¿ 34,90.

ISBN 90 351 1847 2.

Richard T. Griffiths, Peter A. Schregardus, Gerard J. Telkamp & Laurien W.M. Timmermans (redactie): Van strohalm tot strategie - Het Marshall-plan in perspectief.

Van Gorcum; 136 pagina's; ¿ 29,50.

ISBN 90 232 3275 5.

Meer over