De slag om Jeruzalem

Het broeit onder het amalgaam van de drie monotheïstische godsdiensten in Jeruzalem. Ultra-orthodoxe joden willen een dictatuur volgens Iraans model....

'Te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een steen, dien alle natiën moet heffen; allen die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden.' Zacharia 12:3

I. Wraak op de goddelozen

Onder gejoel kletteren de keien tegen passerende auto's. Er springt een ster in een voorruit. Als een dronkeman knalt de bestuurder tegen de trottoirband, een kinderwagen zonder wielen meesleurend. Speekselklodders druipen langs de zijruit van een ambulance waarin een infuus slingert. De sabbatmiddag is heet; vol spreekkoren, sirenes en fladderende jassen. Lange, zwarte jassen.

'Sjabbes! Sjabbes'

Het leger dansende keppeltjes stuift weg zodra een politiejeep door barricades van afval en poepluiers ploegt. De jongste belagers zijn amper zes. Hun oorlokken reiken soms tot de schouders. Ze likken aan waterijsjes, totdat kreten van aanmoediging over de Bar Ilan-straat raspen. Vrouwen met pruiken hangen uit de ramen. 'Sjaaaabbes'

Leuke God, die relletjes op De Dag des Heeren toejuicht en je nog beloont met ijs ook. Op afstand in portieken staan de leiders lacherig in krijgsberaad bijeen. Een pluk hoeden, gebedskoorden, baarden, brillen met hier en daar een bontmuts. Dit zijn de regisseurs van de wraak op goddelozen. Staphorst en Teheran komen samen in de Me'a She'arim van Jeruzalem.

In de woonwijk van de ultra-orthodoxe harediem geldt een blote knie als vloek tegen de thora-wetten. Autorijden is doodzonde op sabbat. Zelfs op de verkeersader die het territoir der uitverkorenen afbakent. De 'zwarte dictatuur' woekert als een tumor. Wie zich niet aan de sjabbes-heiliging houdt, kan beter zijn koffers pakken. Die heeft, omringd door de ware gelovigen, geen leven. Letterlijk.

Wie op sabbat met barensweeën of hartaanval naar het ziekenhuis moet, mag hopen op de goedertierenheid van Adonai: de God die volgens de zwarthoeden Israël niet gedoogt, omdat de Messias nog moet komen. Geen ambulance de wijk in. Tenzij onder zware politie-escorte.

Gillende banden, een Chevrolet rijdt vol gas achteruit. Nog voordat de chauffeur de achtervolging inzet, zijn de belagers door zijstraatjes opgeslokt. Tierend turft hij de putten in zijn motorkap. Een ventje met kniekousen en Donald Duck-tred gebaart dat ik niet mag noteren: sabbat! Wél stenen gooien zeker, gebaar ik terug. Palestijnen gaan daarvoor de bak in. 'Goj?', informeert hij, zijn bontmuts rechttrekkend. 'Goj, goj, goj', danst een koor van ravenzwarte satertjes om me heen. 'Sjabbes, sjààbbes'

De volwassen aanstichters mijden elk contact; alsof ik lepra heb. De seculiere wereld moet zich ná sabbat maar melden bij Yisrael Eichler, hoofdredacteur van het blad Het kamp van de Harediem. Maar Eichler vertikt het commentaar te geven. Waarom zou hij?

Nog even, en de ultra-orthodoxen hebben de slag gewonnen. Ze zijn doodarm en planten zich voort als spitsmuizen. Hun drie religieuze partijen bezetten bijna een vijfde van het aantal Knesset-zetels. Ze zijn de steunpilaar van Nethanyahu's Likud-regering. In ruil vloeit een geldstroom naar de yeshivot, godsdienstscholen die talrijker zijn dan benzinepompen.

Jeruzalem moet zich schikken in de 'Khomeinisering' van een gespleten stad. De slag om de Bar Ilan-straat is meer dan folklore. Meer dan vierpersoons kinderwagens, voortgeduwd door mannen die ogen als doodgravers uit Oost-Europa. Meer dan vroomklagend gemurmel uit getraliede vensters. Meer dan stijve jarenvijftig-jurken van meisjes die rondhangen bij bushaltes zonder bus.

Aan de oostrand van de Me'a She'arim kun je de muezzin van een minaret in Oost-Jeruzalem tot gebed horen oproepen. Je steekt zesbaans Weg Nummer 1 over en bent omringd door Palestijnse hoofddoeken. In geannexeerd Oost-Jeruzalem. Op de patio van het American Colony-hotel geeft de vrouw van een VN-employé haar baby de borst. Anderhalve kilometer verderop suizen de stenen. Die avond worden er drie agenten gewond op de Bar Ilan.

II. Rookbom Har Homa

'Jacques, waarom draag je geen keppeltje op sabbat?' Jaren heeft Jacques Cohen zijn ouderlijk huis niet gezien. Achter de vallei waar Christus zou zijn gekruisigd, niet ver van de huidige regeringsgebouwen, jatte hij als kind tarwe op het land van een sjeik. 's Nachts kon hij niet slapen als wolven en coyotes huilden. Je kon nog een balletje van oude sokken trappen in de Bezalelstraat. Als Jacques z'n ogen dicht doet, hoort hij weer de vrouwen sprookjes vertellen, voor hun huis. De deur ging nooit op slot; buren konden immers iets nodig hebben.

'Het sterft hier nou van de synagogen', constateert Jacques somber. Ze herkennen hem, de vrouwen van de Syrisch-sefardische enclave: 'Zet een keppeltje op, Jacques.'

'In die film heb ik al eens gespeeld', reageert Jacques droog. Met weemoed beziet hij de plek van de gemeenschappelijke oven waar omwonenden sabbatmaaltijden lieten garen. 'Was het eten klaar, dan pakte iedereen een willekeurige pot. Soms had je lekkerder eten dan thuis was klaargemaakt, soms slechter.'

Bij de oude stad laat hij me de kabel zien, waarlangs in '48 's nachts voedsel en munitie de door Jordaniërs belegerde oude stad binnen werd gesmokkeld ('toen heb ik me in 25 maanden niet kunnen wassen en ik at gras, kun je je dat voorstellen?').

Van toen dateren ook rode geschutshokjes op strategische kruispunten. Ze laten zien hoe veel verder Jeruzalem nu naar buiten is opgeschoven. Talpiot aan de zuidrand is zo'n wijk. Achter de bergen ligt de Dode Zee; Jordanië. Een schitterend panorama. Jonge gezinnen slenteren op sabbat over de Sherover Promenade; genoemd naar een Amerikaanse oliemagnaat, wiens weduwe een miljard dollar schonk op aandringen van mister Jeruzalem Teddy Kollek.

'Met bedelen heeft onze burgemeester de stad grootgemaakt', zegt Jacques. 'Het ene project na het andere. Voor mij is Yerushalayim de mooiste stad van de wereld. Teddy's opvolger Olmert gaat het nu allemaal verzieken. Die geeft de religieuzen vrij baan.'

Toen Jacques Cohen in Palestina kwam was hij vier, zijn vader had in Alexandrië al z'n geld verloren. Van een prachtig huis naar een donker optrekje aan de voet van de Scopusberg. Zijn vader was ziek, Jacques verdiende geld in Cinema Paradiso met het projecteren van de Hebreeuwse en Arabische ondertiteling. 'Toen ik later met Ingrid Bergman in de tv-serie Golda speelde, zei ik: Ik heb een van jouw films 36 keer gezien.'

Uit z'n schooltijd dateren vriendschappen met Arabieren, een hunner is nu officier in Jordanië. 'Ik ben zestig, maar we zien elkaar nog steeds.' Gezworen kameraden is Cohen met Khalil Khalidi (40), die in het vroegere Jordaanse stadsdeel restaurant Abu Seif drijft. Bij Jaffapoort. Ze speelden samen in de succesvolste tv-soap die in Israël en Arabische buurlanden te zien was: Khalil doofstomme ober, Cohen restauranthouder Abu Rami, Arabier.

'In Casablanca kwam een Syriër op me af, hij wilde een foto van me maken. Ik zei: als jouw baas Assad die ziet, ga je de bak in. ''Fuck Assad'', zei de man. ''I love you, Abu. Als jij op de tv was, zat heel Damascus te kijken''.'

Jacques Cohen, nu krantendistributeur van beroep, stommelt naar Khalils keuken om falafelballetjes te maken. 'Khalil is mijn broer.' Ze hadden elkaar gezoend, zoals elke zaterdag. Khalil heeft dan 'heimwee-klandizie' uit West-Jeruzalem; senioren die in de oude stad groente, vlees en Arabische zoetigheden als kenafe be gibeh (cake met gekookte kaas) inkopen. Khalil lacht mee om de verhalen. Maar kijkt zorgelijk. 'Ik ben een vreemdeling in mijn eigen stad. De Israëli's proberen de Palestijnen op alle mogelijke manieren uit Oost-Jeruzalem te verdrijven.'

'Voor mijn zwager was hier geen werk. In Saudi-Arabië wel. En in Amerika. Maar onze familie woont al sinds 1400 in Al Quds (Arabisch voor Jeruzalem). Voor ons is deze stad ons thuis, dus m'n zus wilde terug. Toen ze bijtijds haar identiteitspapieren wilde verlengen, werden haar die geweigerd. ID's worden op grote schaal afgepakt. Mijn zus en haar gezin wonen nu weer Amerika. Ze hebben heimwee.'

Een familiehuis van de Khalidi's bij de Klaagmuur is al eerder geconfisqueerd. Ingelijfd bij de joodse wijk. 'Om veiligheidsredenen.' De familiebibliotheek idem, met historische boeken van Perzisch tot Turks. Er zit nu een yeshiva in. Stil roert Khalil in zijn koffie. 'De hele wereld praat over de nieuwe joodse wijk Har Homa. Maar Har Homa is een rookbom. Er is al jaren een stille oorlog gaande tegen Arabieren. Over tien jaar zie je hier misschien geen moslim meer.'

Elke keer als Jacques zijn makker Khalil thuis in de Arabische buitenwijk Shufat bezoekt, kolkt het bloed naar zijn hoofd. Van woede. 'De Palestijnen hebben geen trottoirs, geen straatverlichting. Maar tegenover Khalil zitten die godsdienstgekken in een yeshiva waar 's nachts licht brandt. Khalil heeft er last van. Hij betaalt wel belasting en krijgt er niks voor terug. Een schandaal. Vind je het dan gek dat er joden worden neergestoken?'

III. Onteigend, verwoest

'Ruik je de pis?', vraag Darwish Darwish. Hij wijst uit zijn VW-busje naar een stroompje dat hellingafwaarts sijpelt. 'We hebben de gemeente gevraagd de riolering af te maken. Geen geld, zeggen ze. Maar er is wél geld voor joodse wijken.' We rijden door de stoffige straten van Isawya, Arabische woonwijk in het noordoosten. Darwish wijst naar de Scopusberg waar de Hebreeuwse universiteit en het Hadassa-ziekenhuis in de zon blinken. Aan de andere kant praalt French Hill, wijk voor Israëli's. 'Daar gaan onze belastingcenten naar toe.'

'Onze buren daar hebben parken, prachtige appartementen, een winkelcentrum, uitstekende scholen. Wij kennen alleen ellende, werkloosheid, armoede, intimidatie.

'Vóór de bezetting was het leven hier goed', zegt Darwish Darwish. 'We boerden, we hadden het niet breed, maar waren gelukkig. Na de Zesdaagse Oorlog werd het anders. Ze hebben ons land merendeels onteigend. Voor het kleine lapje dat we mochten houden, moeten we belasting betalen. Bebouwen mogen we dat zelden. Een huis bouwen is trouwens voor ons onbetaalbaar geworden. Een bouwvergunning alleen al kost 85 duizend shekel (ruim 48 duizend gulden) Maar we moeten toch ergens wonen?'

Hij laveert door smalle straatjes, langs huizen die illegaal gebouwd zijn. Een kleine veertig gezinnen wachten het moment af waarop bulldozers hun optrekjes komen verwoesten. Met een overmacht aan militair geweld. De achtduizend bewoners van Isawya hebben vaak dramatische taferelen meegemaakt. Darwish laat foto's zien: 's avonds worden in veel woningen matrassen op de grond neergelegd. Gemiddeld elf mensen in een slaapkamer gepropt. 'Zo leven minstens 120 duizend van de ruim 170 duizend mensen in Oost-Jeruzalem.'

'Ze behandelen dieren beter dan ons', zegt Darwish, die voorzitter is van het lokale ontwikkelingscomité. 'Komen we op voor onze rechten, dan beschuldigt de gemeente ons van politieke agitatie. Plaatsgenoot Ibrahim Eleian, een werkloze huisschilder, kon zijn belastingplicht niet nakomen. Elk moment kan zijn huisraad verbeurd worden verklaard. 'Wie zijn nou terroristen, wij of zij?'

De 38-jarige Zyad voegt zich bij ons. 'Mijn broer zit veertien jaar in de gevangenis wegens opruiende taal. Zij pakten mij ook op en wilden dat ik voor ze ging spioneren. Ik zei nee. Toen zeiden ze: dan kun je studeren wel vergeten.' Zyad had arts willen worden. Nu pakt hij elk baantje aan dat er maar is. 'De Turkse tijd was op het laatst ook miserabel. We hebben al zo veel overheersing overleefd. Misschien maken onze kleinkinderen de vrijheid mee. Ooit komt er vrijheid.' Hij lacht vreugdeloos.

We stoppen bij een ravijn, midden in de bebouwde kom. In het donker zijn al vier kinderen acht meter de diepte in gestuiterd. De zoon van een tandenloze kelner werd doof aan een kant. Hij gaat niet meer naar school. Hij is gek geworden, zegt z'n werkloze vader. Hij heft de armen ten hemel. 'Alleen doordat de gemeente hier geen muur wil neerzetten. Voor ons is er nooit geld, nooit.'

Isawya is armoede. Een eiland in Israëlisch territoir. Voor bankzaken en winkelen moeten inwoners door de joodse wijk, afgesneden van hun Arabische buren. Dat geldt voor elk Arabisch gebied in Oost-Jeruzalem. Met uitzondering van Beit Hanina dat aan de drukke autoweg ligt naar Ramallah op de Westelijke Jordaanoever, Arafatland.

IV. Uitroken van Arabieren

'Noem het uitroken van de Palestijnen', zegt ex-stadsplanner Sara Kaminker. 'Absoluut.' Judaïsering van Jeruzalem, het Araberrein machen: 'Misschien een gruwelijke term, maar het is de bittere waarheid. Het stadsbestuur heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken achter zich. Israëlisch Jeruzalem is sinds '67 drie keer zo groot geworden. En volgens de laatste cijfers is nu in negentien maanden tijd aan twintigduizend Palestijnen het burgerschap van Oost-Jeruzalem ontnomen. Zogenaamd omdat ze elders werken. Maar daar heeft Israël ze economisch wél toe gedwongen.'

Voor Kaminker was Jeruzalem een provinciedorp toen ze uit New York kwam. Arme oriëntaalse joden uit de wijk Katamon maakten huizen schoon van welgestelden in Rehavia. Praten deden ze niet met elkaar. 'Mijn moeder zei: ''Het doet me hier denken aan Rusland. Hoe hou je het uit in dit gat?'' Ik was zo trots op ons, na de Zesdaagse Oorlog. De stad ging bruisen. Maar daarna werd het een ramp. De zionistische gedachte van een nieuwe wereld met vrijheid voor iedereen, ging ten koste van de Arabieren. We hebben ze in het isolement gedrukt, met geen enkele mogelijkheid om zich te ontwikkelen.'

Op Kaminkers tekentafels ontstonden dertien plannen voor Arabische woonwijken. Met winkels, scholen, bedrijven. 'We hadden een schitterend team van deskundigen. Maar Teddy Kollek, die ik zo bewonderde, veegde alle plannen van tafel. Razend was ik. We hebben allemaal ontslag genomen. We hebben Arabische grond ingepikt en op de tien procent die hen nog rest mogen ze niks. Dat gebeurt geruisloos, om de wereld niet tegen ons in het harnas te jagen.'

Kaminker is 55 jaar, twee van haar zoons wonen in Amerika. Ze groeiden op in French Hill, ooit Jordaans grondgebied. 'Ik schaam me dat ik daar nog woon. Ik woon er schitterend, maar op onteigend land. Ik wil verhuizen. We hebben de Palestijnen verneukt. Hun kinderen groeien op in een klimaat van angst en terreur. Zij zien dat hun ouders hulpeloos zijn. Dat is het ergste wat een kind kan waarnemen. Kollek was een briljante burgemeester. Maar als je met hem in de clinch lag, dan riep hij: ''Er zit toch geen enkele Arabier in de gemeenteraad die me in de wielen rijdt? Ik hoef ze niks te geven.'' Dan was je uitgepraat.

'Ik geloof ook dat de Palestijnen een gigantische fout hebben gemaakt door niet mee te doen aan de gemeentepolitiek. Ze konden ook Israëlisch staatsburger worden. Als ze hun rechten hadden gegrepen, waren ze de grootste partij in de raad geworden. Maar ze verdommen het gebruik te maken van actief en passief stemrecht.'

Maar dan zouden Palestijnen in Oost-Jeruzalem Israëls suprematie over hun Al Quds erkennen, werp ik tegen.

'Voor die houding hebben ze een hoge prijs moeten betalen', zegt Sara Kaminker, fel prikkend in een bordje houmous op een aangenaam terras. 'Zo hebben ze al hun rechten verloren. Ze hebben Israël toch al erkend door de Oslo-akkoorden te onderteken? Gelul. Ik wil dat ze ophouden met klagen en jammeren. Ik wil dat ze naar het stadhuis gaan. Dat ze meedoen aan onze verkiezingen. Een derde van de bevolking in Jeruzalem, 176 duizend mensen, betaalt onroerendgoedbelasting, maar ze krijgen er nog geen bordje gras voor terug. Je schaamt je toch dood?'

V. De Tempelberg-fanaten

Soms ontploft een handgranaat bij het huis van ex-generaal Ariel Sharon in het moslimkwartier, niet ver van Damacuspoort. Hij is er bijna nooit, al hangt de vlag met de Davidsster uitdagend langs de gevel. Hier, op de voor moslims strategische routes naar de Haram-ash-Sharif op de Tempelberg, koopt de extreemrechtse groepering Ateret Kohanim steeds meer huizen op. Doel: volgens messiaanse verwachting Oost-Jeruzalem weer joods maken.

Hoe groter dit joodse bruggenhoofd, hoe meer militaire bescherming. En hoe geïsoleerder de moskeeën.

'We kopen alles wat we kunnen in de oude stad op', beaamt de uit New York afkomstige Yossi Baumel, zwaarlijvige directeur. Zijn taal is geharnast als die van de kolonisten in Hebron. Triomfantelijk wijst hij naar uitgesleten plekken in deurposten waar de mezuza prijkte, het teken van vroegere joodse aanwezigheid. 'Ook huizen van niet-joden kopen we op. Arabieren willen er wel van af, omdat ze de huizenprijs al zien zakken als Arafat hier ooit doordringt.' We bedreigen niemand, zegt Baumel. 'We nemen alleen wat ons historisch gezien toekomt.'

Joodse tempelfanaten genieten steun van christelijke fundamentalisten. Zij landen psalmzingend op Ben Gurion Airport en drommen, plakkend van zweet, in de rij om dezelfde grafsteen in de Golgothakapel te kussen. Soms luidkeels snikkend. Op de knieën vallend. Psychiaters in Jeruzalem kennen hun Jezussen. Religekte, ook wel Jeruzalem-syndroom genaamd, gaat vergezeld van EO-achtige Hosanna's voor het Beloofde Land waar koran-scherpslijperij geen aanspraak op maken kan. Vage schuldgevoelens over de holocaust spelen op. Er is maar één uitverkoren volk, hallelujah.

'Is de Tempelberg weer in joodse handen, dan is de komst van de Verlosser nabij', bidden leerlingen van een yeshiva midden in de moslimwijk. Zij dragen het zwart van de ultra's, maar hebben een crimineel verleden. Dat hebben de benedenburen geweten. Nasser Aburagab (18) is gedeeltelijk verlamd, sinds een thora-student hem een steen naar het hoofd smeet. Nu is zijn Arabische binnenplaatsjes met traliewerk beschermd. 'Ze willen ons wegpesten', zeggen de bewoners. Terwijl we staan te praten, duwt een zwarthoed ons opzij. 'Wie haalt het in z'n hoofd om ex-criminelen tussen Arabische gezinnen te stoppen?', vraagt mijn 25-jarige begeleider Iyyad Sanduka zich af. 'We leven hier in een gevangenis. De kolonisten worden in bescherming genomen. Zij krijgen de ruimte. Wij niet. Kijk hoeveel mensen hier wonen. Donker, veel te klein. Wij willen graag verbouwen maar mogen nog geen steen verplaatsen. Dat is toch geen leven?'

Ateret Kohanim-activisten wachten af. Elk moment kan minister Eliahu Suissa van Binnenlandse en Religieuze Zaken z'n fiat geven aan de bouw van tienduizend joodse huizen in Arabische wijken Al-Tur en Ras-al-Amud. Nieuwe tijdbom in het epicentrum van een der diepste conflicten waarin religie en politiek verstrengeld zijn.

VI. 'Geruisloze deportatie'

Volgekalkt met leuzen is zijn bus. Hier moet wel een dwaas in wonen. Op de weg van Jeruzalem naar Bethlehem vraagt niemand zijn naam. Muhanna Arab ontving een spijtbetuiging van de gemeente, nadat soldaten z'n huis hadden vernield. Hij kreeg een oude bus voor z'n gezin. Tikje beter dan de Rode Kruis-tent. Na drie jaar procederen kreeg Arab te horen dat zijn land gevorderd was. Voor joodse woningbouw.

Arabs wrak is een schoonheidsfoutje. Stadswijk Gilo ziet er verder prachtig uit. Dertigduizend Israëli's wonen er. Een bergflank of wat verder, rijten bulldozers een groene long open: Har Homa. Een Fremdkörper in onteigend Arabisch gebied. Als de ecologische ramp zich heeft voltrokken en hier zestigduizend Israöeli's wonen, is de Arabische naam Abu Gneim vergeten. Niet door Palestijnen.

Hun enige verbinding tussen Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever wordt afgegrendeld. Palestijns Oost-Jeruzalem als corpus separatum geflankeerd door Israëlische vlaggen en controleposten. Een ministeriële blauwdruk voorziet een joodse meerderheid van 77 procent in het jaar 2020. 'De val klapt dicht voor Palestijnen in Oost-Jeruzalem', constateren mensenrechtenorganisaties. Talloze inwoners van Oost-Jeruzalem hebben dat sinds kort ervaren.

Kunnen geboren en getogen Arabische Jeruzalemmers onvoldoende bewijstukken overleggen, dan worden hun identiteitskaarten ingenomen. Bovendien: wie een partner heeft in het gebied van de Palestijnse Autoriteit, heeft geen recht op gezinshereniging in Jeruzalem. 'Een geruisloze deportatie', aldus mensenrechtorganisaties B'Tsemel en Hamoked. 'Nog nooit is de situatie zo duister geweest', aldus advocate Lea Tsemel. 'Stop de etnische schoonmaak', zegt het comité voor vluchtelingenrechten.

'Eerst maak je het Arabieren onmogelijk om huizen te bouwen op grond die hen toebehoort. Daarmee dwing je ze naar elders te gaan. En zo kun je op den duur ook hun ID's inpikken. Mensen verliezen niet alleen huis en haard, maar ook sociale en medische verzekering. Ze worden afgesneden van hun familieleden. Het is onmenselijk. Alleen maar bedoeld om de Israëlische soevereiniteit te vergroten, zodat Arabieren straks nooit meer aanspraak kunnen maken op Israëls eeuwige, ondeelbare hoofdstad'.

Reactie van Binnenlandse Zaken: we pakken slechts 'naïeve immigranten' aan die jaren in Amerika en Jordanië hebben gewoond. Die hebben in Jeruzalem niks meer te zoeken.'

VII. 'Geen joden meer toelaten'.

Jeruzalem, een stad in oorlog met zichzelf. Op de Bar Ilan verbranden harediem de Israëlische vlag. Aliza Avinezer, verpleegster: 'Als ik voor een spoedgeval naar het ziekenhuis moet, kan ik de wijk niet uit. Mijn auto moet ik een paar kilometer verderop parkeren. Het Hooggerechtshof besliste dat de Bar Ilan op sabbat moest openblijven, maar de religieuze minister Levie van Transport heeft bepaald dat er nu tijdens gebedsuren geen auto's door mogen. Een lacher. Dan kun je de straat net zo goed helemaal sluiten!

'Levie belde me zelf op en zei:Mevrouw, u krijgt een sticker waarop staat dat u wel mag passeren. Maar die sticker is piepklein. Stenengooiers zien die niet'. Ze is geboren in haar Zefaniastraat. Geen geld om te verhuizen. 'Ik sta net als velen met mijn rug tegen de muur.'

Gemeenteraadslid Arnon Yekuthieli van de linkse Meretz-partij: 'Binnenkort is Israë het enige westerse land waar het eten van een sandwich met bacon wordt beschouwd als het roken van marihuana.' Dezelfde avond krijgt Yekuthieli een steen naar zijn hoofd. Bij zijn protest tegen de fanaten.

'Ik zweer je, als die religieuze dictatuur zo doorgaat, verhuis ik naar de kust, bliksemt Jacques Cohen. 'Of ga ik gewoon bij de Arabieren wonen.'

'Dit moet een humanitaire stad worden waar je eens in je leven geweest moet zijn', zegt stadsbestuurder-architect David Cassuto. Op de kaart toont hij trots de stadstunnels van de nieuwe snelweg naar Tel Aviv; de ringwegen die Palestijns gebied doorkruisen. En isoleren. Verwaarlozing van Arabische wijken? 'De schuld van onze vorige linkse burgemeester, de alom zo bejubelde Teddy Kollek.'

Jeruzalem dertig jaar na de Zesdaagse Oorlog. 'Vrede, vrede', zingen Amerikaanse reli-toeristen met extatische armgebaren op de Olijfberg. In de oude stad hangt hun hemel vol T-shirts waarop zowel Israëlische uzi's als Arafat staan. Opeen vliegt er een zwarte hoed over waterpijpen, keffya's en menora's. De eigenaar graait hem van een stalletje met bebloede schaapskoppen, plant hem op z'n pijpenkrullen en haalt en passant uit naar de Arabische jongen die hem het hoofddeksel had afgegrist; omdat de vrome orthodox hem opzij had geduwd. Geen woord valt er bij dit incident.

'Wij leven in een boze droom', zegt professor Arazi. Driemaal per week gaat hij te voet van zijn huis in West-Jeruzalem naar de Hebreeuwse Universiteit op de Scopusberg in Oost-Jeruzalem. Acht kilometer heen, acht kilometer terug. Geen Israëli doet hem dat na. Te riskant. Maar Arazi is nog nooit door Palestijnen bedreigd. Hij zou een hunner kunnen zijn. Hij spreekt hun taal. Doceert oude Arabische poëzie. Na de intifada heeft hij nogal wat Palestijnse studenten verloren, tot zijn spijt.

Aan de andere kant van de Scopusberg zegt Ribbi Abu al-Hummous in Isawya: 'Ik ben in '91 getrouwd met een niet-Jeruzalemse. We hebben twee kinderen. Wij kunnen ze niet samen opvoeden; mijn vrouw mag 's nachts niet bij me blijven. Anders wordt ze in de cel gegooid. We hebben veel geld betaald voor een aanvrage van gezinshereniging. Je kunt als Palestijn van zes uur 's morgens tot middernacht in de rij staan, maar je krijgt geen vergunning.'

Met een klap zet Sara Kaminker een bierglas neer. Haar doorrookte alt schalt over het terras. 'We moeten geen joden meer naar dit land halen. We hebben honderdduizend protestanten nodig! Geen fundamentalisten, maar WASP's; White Anglo Saxon Protestants van de Amerikaanse oostkust. Heus, dán zullen we ons wel netjes gedragen.'

Meer over