De schittering van het bijgeloof

Literatuur kan nooit van andere literatuur afblijven. Daardoor ontstaan er ontwikkelingen die zelden rechtlijnig zijn, in overnames, toeeningen, veranderingen, parodieook - een netwerk opleverend dat de literatuurwetenschap alle mogelijkheden geeft tot spoorzoeken....

De ontwikkeling van het Graal-motief van de middeleeuwse literatuur tot de laatste doorwerkingen in de twintigste eeuw is het onderwerp van het boek. Gelukkig voor de auteur was de Graal een paar eeuwen uit zicht: van de reformatie tot in de achttiende eeuw. Protestanten zwoeren hem af, romantici eigenden hem zich weer toe en herschiepen met hun verbeelding de verleden wereld. In opera's van Wagner zal de Graal weer boven de wereld lichten. Hij lijkt in zijn Parsifal de meest consequente herschepper, voortzetter ook.

De oorsprong ligt bij de schrijver die als een der grootsten van de Franse middeleeuwen geldt: Chren de Troyes. Hij was actief in de tweede helft van de twaalfde eeuw (die rijkste eeuw van de middeleeuwen); een van zijn romans is Perceval of Le conte du graal. Het werk bleef onvoltooid. In zo'n halve eeuw ontstaan andere graalromans, volgens Barber mede ontstaan door de onvoltooidheid van het werk van Chren de Troyes. Meer dan een vermoeden is dat niet. Wat wij graag als ontwikkeling en beloeding zien, is vaak het product van gelijktijdigheid. Waarom moet alles een familiegeschiedenis met een stamboom zijn?

De oorsprong van het graal-gegeven - waar haalde Chren de Troyes het vandaan? - blijft onbekend. Men heeft aan de wereld van de Kelten, maar ook aan die van de klassieken gedacht en natuurlijk aan het Nabije Oosten. Het gegeven maakt al snel een ontwikkeling door: van een heilige reliek verborgen in een kasteel en alleen door een zuivere geest te ontdekken, werd het een heilig voorwerp dat zich 'openbaart' aan de zuiversten.

Het heilige voorwerp was een schaal, later een kelk. Daarmee was de kerstening begonnen. De schaal werd de schaal of kelk van het Laatste Avondmaal. In die schaal of kelk had Jozef van Arimathea het bloed opgevangen dat uit de doorstoken zijde van de gekruisigde Christus kwam. (Dat de lans, waarmee die zijde doorstoken werd, ook in de romans aanwezig is, zal duidelijk zijn.) Het ridderlijk en het christelijk ideaal gaan samen.

Er gaan zich nu vele betekenisvelden voordoen: literaire, theologische, mystieke. Het motief waaiert als het ware uit. De beste passages schrijft Barber mijns inziens over het theologische veld van de eucharistie. De viering daarvan - brood wordt lichaam, wijn wordt bloed - komt in de twaalfde eeuw sterk op. Dat kan de aanwezigheid verklaren van de kelk van het avondmaal (de mis is een voortzetting daarvan) en van de bloedkelk (de mis is ook herhaling van het offer).

De mystieke kanten aan het gegeven worden teruggeleid tot de leer van Bernardus van Clairvaux. De religieuze dichtheid wordt heel groot. Of het allemaal waar is, weet ik niet. Het zijn wel indrukwekkende constructies.

Intusen hebben we wel - zeer uitvoerig - samenvattingen van vele middeleeuwse graal-romans moeten lezen en dat is niet de opwindendste bezigheid. De nadruk ligt op de variaties. Het opgaan van het ene verhaalgegeven in het andere. De invloedrijkste bewerking is van Wolfram von Eschenbach. Zijn Parzival is van alle het meest mystiek. Bij hem is de graal een kostbare steen die uit de hemel is komen vallen. Ridder idealen, heel veel theologie, avonturen niet minder en vooral zoektochten, de queesten, komen in de romans samen. De queeste is misschien wel het sterkste leidmotief geweest. Het heeft ook de mogelijkheid geschapen tot symbolisering van het graalgegeven. En met de symbolisering zet uiteraard de secularisatie in. 'Graal', - het wordt haast gelijk aan het onbereikbare, 'queeste' wordt de zoektocht die elk leven is.

Het is opvallend dat Barber door de graal in het centrum te stellen en te houden, de ridderwereld en het ridder ideaal enigszins terzijde laat, zeker in de herleving van het graal-gegeven in de negentiende eeuw. Die gaat met herleving van het ridderideaal gepaard. De Engelse kunsthistoricus Mark Girouard heeft die herleving en de consequenties - tot in scouting toe! - prachtig beschreven in zijn The Return to Camelot. Die herleving heeft vooral plaats in Engeland, waar het occulte en mystieke altijd blijven doorsproken, in de literatuur, van de Arthurromans tot Potter (de auteur geeft mooie voorbeelden van graal-verbeeldingen uit de twintigste eeuw door esoterische schrijvers) en in de beeldende kunst.

Als bij meer studies die een gegeven over eeuwen volgen, verloopt Barbers werk - dat overigens van een bijna angstaanjagende belezenheid getuigt - in het opsommerige. Dat is gevolg van de eenzijdigheid van dit soort studies: het gegeven dreigt geleerd te raken van de tijd en de cultuur waarin het verschijnt. Dat de laatste verheldering in het boek uitblijft, is ook enigszins het gevolg van de opzet, die bij beperking veel had kunnen winnen.

In het nawoord verklaart de auteur dat The Holy Grail een ander boek is dan hij dacht te gaan schrijven. Hij werd verrast door het sterk religieuze element dat het graal-motief al snel kreeg. Ik vind die verrassing wat vreemd: alle kennis heeft toch voorkennis. Door dat religieuze voelt hij zich, naar eigen zeggen, als agnost, een buitenstaander. Hij meent tegenover het religieuze tekort te moeten schieten. Toch schreef hij de beste stukken over de theologische ontwikkelingen van het motief! De agnost lijdt aan een verkeerde bescheidenheid. Niet-gelovig zijn als excuus. Dat is onzin. De romans zijn heilige sprookjesboeken, met alle schittering van het bijgeloof die de roomse kerk mooi maakte. De twaalf artikelen van het bijgeloof, wie schrijft die eens?

Het mooiste sprookje? Jozef van Arimathea ging uit Palestina met twaalf missionarissen naar Glastonbury in Somerset, Engeland. Hij werd de patroonheilige van het stadje, waar koning Arthur ook begraven zou zijn. De geesten zijn nooit verdreven. In 1906 ontdekte iemand er de beker van Jozef, de graal zelf dus. Het bijgeloof bloeide hoog. In Wales werd korte tijd later een tweede exemplaar gevonden! De toverkracht van Glastonbury is verbeeld in de grootse roman A Glastonbury Romance van John Cowper Powys. Dat alles levert de leukste passages op in die overvloed van The Holy Grail.

Meer over