De schelpenbaron uit Oostende

Wat is feit, wat fictie? Voor biograaf Eric Min blijft de Oostendse schilder James Ensor een lastig personage. Ensor speelde de rol van Ensor....

James Ensor blijft ongrijpbaar voor zijn biografen, ook voor Eric Min. Hij noemt de schilder ‘een lastige klant’ in zijn biografisch essay. Als geen ander heeft ‘de schelpenbaron uit Oostende’ zijn eigen legende gecreëerd. ‘Hij gaf zijn eigen postumiteit vorm alsof het een schilderij was’, schrijft Min in zijn biografie van Ensor, een levensgeschiedenis van een kunstenaar die zichzelf weliswaar honderd keer heeft getekend en geschilderd, maar zich nooit écht heeft vertoond en ook nooit aan iemand heeft laten zien wie hij nu eigenlijk wel was.

Ensor was een gecompliceerde figuur die zich verborg achter het spottende masker van het dagelijkse carnaval. Hij strooide verhalen rond, veegde die ‘leugens om bestwil’ weer onder het tapijt, voelde zich schijnbaar alleen thuis in zijn eigen sarcastische woordenkraam en werd uiteindelijk het type ‘gevierde kunstenaar’. Al op zijn 33ste was hij de conservator geworden van zijn eigen museum, in de schelpjeswinkel in de Vlaanderenstraat te Oostende. Hij had zijn eigen leven vormgegeven als een soort doorlopend theaterstuk en daarin speelde hij het personage ‘Ensor’. Op een dag in de late jaren twintig van de vorige eeuw, toen de schilder als gebruikelijk ’s avonds in de Falstaff op het Wapenplein met vrienden gin of Engels bier dronk, werd hij door zeven kerels verrast die zich vermomd hadden als Ensor. Ze hadden allen hetzelfde Ensor-masker op en droegen dezelfde Ensor-attributen: de zwarte paraplu, de paarse strik, de lange overjas en de zwarte hoed. De schilder hield van zo’n eerbetoon. Hij was nu eenmaal een Oostendse bezienswaardigheid.

Eric Min stuitte op van de werkelijkheid moeilijk te onderscheiden fictie. Dat is lastig voor een biograaf. Eigenlijk weten we weinig over Ensor. Zijn eigen levensverhaal, Mes Écrits ou les suffisances matamoresques, dat in 1999 is heruitgegeven, is niet altijd even betrouwbaar. Hij heeft geen dagboek bijgehouden. Naast enkele essays en talloze toespraken zijn de stapel brieven die hij schreef ‘zowat alles dat tot ons is gekomen’, zegt zijn biograaf, samen met zijn ongeveer 850 schilderijen, meer dan honderd etsen en duizenden tekeningen. Min moest noodgedwongen naar Ensors leven speuren in kranten, tijdschriften en ‘clubbladen’ uit die tijd, waarin dag na dag ‘de krijgsverrichtingen van de kunstkritiek’ te lezen stonden. Het bleek een goudmijn van anekdotes, en ook dat is uiteindelijk weer lastig: wat is waar en wat niet, wie is de ware Ensor?

Hij beschrijft met verve de coulissen en het decor van Ensors theater, de promenade over de dijk in Oostende, door Conrad Busken Huet ooit bezongen als ‘eene der groote pantoffelparaden van het gedesoeuvreerd Europa’. Min vertelt over de biotoop van de schilder die in 1929 tot baron werd gezalfd, zijn baronie in de Vlaanderenstraat, de souvenirwinkel ‘waarin het stadstheater wordt nagespeeld, een microkosmos voor de mise-en-scène op de stoep, de Zeedijk en het strand’.

Ensor woonde er in een pandemonium van maskers, sleetse stoffen, schelpen, potten en kommetjes die hij in zijn stillevens opvoert. Aan het slot van zijn boek, wanneer hij het over Ensors laatste jaren heeft, vergelijkt Min de woning van de schilder zeer treffend met een slakkenhuis, ‘een folie in een ontoegankelijke uithoek van een Engelse tuin, een planeet aan de rand van ons zonnestelsel’. Op het eind van zijn leven, Ensor stierf in 1949 op 89-jarige leeftijd, maakte hij in een schetsboekje steeds meer miniatuurafbeeldingen van zijn eigen werken. Hij kon naar hartenlust zijn privé-museum om en om laten wentelen, resumeert Min, ‘als een jongetje dat speelt met een glazen bol vol water en sneeuw’.

Min noemt maar een enkele keer Helena Blavatsky, de medestichteres van de Theosofische Vereniging die een klein jaar in Oostende verbleef en volgens John Gheeraert in De geheime wereld van James Ensor (2001) grote invloed op Ensors werk zou hebben gehad. Kunsthistorici hebben altijd met veel argwaan kennis genomen van de speculaties van Oostendse kroniekschrijvers en Ensoriana-vorsers als Gheeraert die in Blavatsky’s dood in 1891 de oorzaak zien van Ensors neergang. Het zou kunnen, maar wellicht ook niet, daar komen we ook na deze biografie niet uit. Ensor ís een lastig heerschap voor biografen, omdat hij zich maskeerde. Wellicht zal Eric Min zich de woorden herinneren die Karel van de Woestijne ooit over ‘het wandelend standbeeld van Oostende’ schreef: ‘Nooit heeft James Ensor zich, zelfs aan zijn beste vrienden, vertoond met zijne pantoffels aan de voeten.’ De bronnen voor zijn inspiratie heeft Ensor, die zich miskend voelde en zijn eigen tijd beschimpte, nooit vrijgegeven.Paul Depondt

Meer over