De schatkamer van de kasteleyn Museum Teylers toont de prentkunst van de Gouden Eeuw

Tien jaar lang is er in Teylers gewerkt aan het eerste deel van een bestandscatalogus van het tekenbezit. Het museum in Haarlem heeft een vermaarde collectie....

LUCETTE TER BORG

DE TEKENING beschrijft een gelukkige winter, zo'n winter waarin het vriest dat het kraakt en iedereen die maar een beetje van buiten houdt, de schaatsen onderbindt en de bevroren rivier opglijdt. De zon kleurt de wolken bleekroze, de takken van de bomen tekenen scherp af tegen de lucht; en daaronder heerst pret, klaterende ijspret. Twee mannen spelen een potje kolf, een zeventiende-eeuwse variant op het ijshockey, er worden eendjes gevoerd in een wak, kinderen spelen met hun tol op het ijs of rijden sleetje op een paardenschedel.

De tekenaar Hendrick Avercamp (1585-1635) die dit tafereel vastlegde, deed moeite om zo'n dag, in al z'n gevarieerdheid, zo nauwkeurig mogelijk weer te geven. Behalve de ijspret tekende hij ook mensen op de oever die zich wapenen tegen de kou, met emmers water slepen voor de boerderij even verderop, of gewoon maar wat over het ijs staan uit te staren. Het is zoals we ons een zonnige vriesdag herinneren. En door de levensechte details in de tekening en de minutieuze weergave van kreukels in een broek, veters in een schaats en knopen op een jas, lijkt het alsof de tekening de wereld beschrijft zoals ze werkelijk is, zal zijn en altijd geweest is.

Totdat de ogen blijven haken achter een nauwelijks opvallend, klein figuurtje in een badkuip: een baby in bad, midden in de vrieskou. Dat is niet echt, dat is nep. Een bedenksel, een grapje dat de kunstenaar in z'n tekening heeft verstopt om de zinnen van de oplettende kijker te prikkelen.

Daarom bekijkt men tekeningen bij voorkeur thuis, in een prentenkamer, waar de portfolio wordt opengeklapt en het detail in de ene tekening in alle rust vergeleken kan worden met dat in een andere. Particuliere tekeningenverzamelaars koesteren hun collecties in een lade, in het donker, zoals bergdwergen hun schat bewaken. Thuis kunnen ze ten volle genieten van de soepele lijnen waarmee een kunstenaar een gedachte heeft weergegeven of een indruk heeft weten te vangen op papier. En soms ontstaat het gelukzalige gevoel, dat via het spontane 'handschrift' op papier kan worden meegekeken over de rug van de kunstenaar heen.

Niet thuis, maar wel in een intieme tekeningenzaal in de nieuwe vleugel van het Haarlemse Teylers Museum zijn nu honderdtwintig zelden getoonde tekeningen uit de zeventiende eeuw bijeengebracht. Het betreffen allemaal Hollandse tekeningen, allemaal afkomstig uit het bezit van Teylers Museum. De ijs-tekening van Hendrick Avercamp is er een van.

Aanleiding voor de tentoonstelling is de publicatie van een bestandscatalogus waarin 577 tekeningen van oude Hollandse meesters wetenschappelijk worden beschreven. Kunsthistoricus Michiel Plomp werkte meer dan tien jaar aan het kilozware boek. Vergelijkbare catalogi over de zestiende-, achttiende- en negentiende-eeuwse tekeningen van Teylers verschijnen vanaf 1998.

Teylers' tekeningenverzameling is vermaard. Met die van het Rijksprentenkabinet in Amsterdam en de prentenkabinetten van museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam en die in Leiden behoort ze tot de mooiste van ons land. Dankzij een gelukkig aankoopbeleid van het bestuur van de Stichting Teylers in de periode van 1778 tot 1875, kon het museum het belangrijkste deel van de huidige collectie tekeningen voor een redelijke prijs verwerven. Vooral Wybrand Hendriks, tussen 1785 en 1820 directeur (of 'kasteleyn') van het museum, is van onschatbaar belang geweest.

Hij kocht in 1790 in Rome voor een bedrag van tienduizend gulden veertienhonderd Italiaanse tekeningen uit de verzameling van koningin Christina van Zweden. Behalve schitterende bladen van Michelangelo, Rafaël en Guercino, bevatte die collectie ook zestig Romeinse studies van de Haarlemse kunstenaar Goltzius en tachtig landschappen van Claude Lorrain. Hendriks had oog voor buitenlandse kunstenaars, maar toonde ook een grote passie voor 'nationale kunst' uit de Gouden Eeuw.

Hij verwierf zo een grote Boerenkermis van Van Ostade, bladen van Nicolaas van Berchem en Rembrandt, om slechts enkelen te noemen. Vooral uitgewerkte tekeningen, die meestal door de kunstenaars gesigneerd waren en bedoeld voor de verkoop, hadden zijn voorkeur. De 'kasteleynen' die Hendriks opvolgden gingen in dezelfde lijn verder. Ze voegden bladen van Paulus Potter, van Nederlandse italianisanten, tekeningen van Rembrandt en landschappen van Van Goyen en Koninck aan de verzameling toe.

Met de hoge kwaliteit van de tekeningenverzameling van Teylers kon zeven jaar geleden al worden kennisgemaakt op de tentoonstelling From Rembrandt to Michelangelo. Het hele spectrum aan zestiende- en zeventiende-eeuwse meesterwerken trok toen aan de hand van een kleine honderd tekeningen uit eigen bezit voorbij. Michelangelo bezong de spierbundels op de rug van een jongeman, Guercino vertederde met een in snelle vaart getekend katje, Avercamp was er met zijn ijsgezicht, Van Ostade met een uitgewerkt boerenfeest, en Rembrandt met zijn Terugkeer van de verloren zoon.

Teylers' collectie zeventiende-eeuwse Hollandse tekeningen bevat zo'n zeshonderd bladen. Uit dit aantal koos hoofdconservator Carel van Tuyll van Serooskerken voor de tentoonstelling Meesterlijk getekend, die afgelopen zaterdag geopend is, de honderdtwintig mooiste. Hieronder bevinden zich bijna alle dertig Hollandse bladen die ook op de expositie in 1990 te zien waren. Ze zijn aangevuld met bladen van voorgangers, leerlingen en navolgers.

Zo hangt Rembrandt nu omringd door z'n aanvankelijke compaan Jan Lievens en z'n leerlingen en navolgers Nicolaes Maes, Abraham Furnerius, Gerbrand van den Eeckhout en Samuel van Hoogstraten. In zijn fragiele schets van Abraham die de engelen onderhoudt, geeft Maes er blijk van bijna net zo soepel en avontuurlijk met het potlood overweg te kunnen als z'n leermeester. Gepriegel met arceringen, stipjes en streepjes zijn aan Maes niet besteed. Hij zet Sara in een paar vloeiende lijnen neer, vooroverleunend op haar stok. Waar een onderbeen of rugpartij niet voldoende deugt naar de smaak van de tekenaar past hij deze met losse krassen aan.

Heel anders van aard zijn de geïdealiseerde Italiaanse landschappen, die op de tentoonstelling nu veel breder gepresenteerd worden dan in 1990. Om italianisant te zijn hoefde je in de zeventiende eeuw als kunstenaar niet per se zelf naar Florence, Rome of Napels af te reizen. Je kon ook thuisblijven en je in je atelier laten inspireren door de prenten en tekeningen die waaghalzerige vakgenoten in het land ten zuiden van de Alpen hadden gemaakt. Mappen vol tekeningen ontstonden er van ruïnes en beelden uit de klassieke oudheid, van zondoorstoofde campagna's, stads- en dorpsgezichten. Het messcherpe contrast tussen licht en donker, tussen zon en schaduw, is het meest kenmerkend aan deze bladen.

In Teylers is nu een fraai staaltje italianiserende tekeningen verenigd. Alle beroemde zeventiende-eeuwers zijn aanwezig: Nicolaas Berchem, Jan Both, Jan de Bisschop (een prachtige contrastrijke Laan bij Huis ter Noot), Jacob van der Ulft en Pieter van Laer. Het is aangenaam toeven in deze landschappen, waar de zwaarste menselijke inspanning lijkt te bestaan uit het melken van een geitje. Meestal wordt er wat gelegen in de schaduw van een boom of een standbeeld, er wordt wat gekletst aan de rand van een beekje of het vee wordt loom naar huis gedreven.

Dankzij het verschijnen van de bestandscatalogus en de ruime selectie van tekeningen op de tentoonstelling, valt er nu een beeld te vormen van de zwaartepunten, maar ook van de lacunes in Teylers' verzameling. Wat genres betreft zijn de 'plaisante' landschappen - landschappen die plezierig zijn om naar te kijken en in te rond te lopen - het ruimst vertegenwoordigd. De tentoonstelling begint bij een nog wat naïef aandoend, 'gestapeld' landschap van Avercamp uit 1620, toont latere 'realistische' panorama's van Albert Cuyp en Philips Koninck en eindigt met de al genoemde italianisanten. Hoe fraai de tekening van Avercamp ook is met z'n mooi oplichtend rood in de dakjes van de huizen en het vlaggetje op het schip; om met deze kunstenaar het landschapsgenre te beginnen, is wat arbitrair.

Logischer zou het zijn geweest om Goltzius te nemen. Deze kunstenaar stond met zijn tekeningen van het landschap en wat zich daarop voordeed (een gestrande walvis bijvoorbeeld, een beroemde tekening die Teylers ook bezit, maar nu niet wordt getoond) aan het begin van een ontwikkeling in de Noord-Nederlandse kunst, die zich kenmerkte door een steeds groter realisme in de landschapsverbeelding.

Behalve landschappen zijn er, in aflopende aantallen, bijbelse voorstellingen, portretten en genretaferelen te zien. Studies van de natuur, studies van bomen, planten en dieren - waar kunstenaars als Jacques de Gheyn, Herman Henstenburgh en Maria Sybille Merian beroemd om waren - ontbreken bijna geheel in de verzameling. Op de tentoonstelling is één verfijnd blad met drie tulpen, insecten en een slak te zien van Jacob Marrel. Het is één van de twee bloembladen die Teylers bezit en dat is weinig.

Die lacunes vind je ook in het werk van individuele kunstenaars. Teylers bezit geen tekeningen van de beroemde landschapstekenaar Hercules Seghers, geen Hobbema, geen Bloemaert. Het museum heeft een gezicht op de Cunera-toren in Rhenen van Albert Cuyp, maar in het Rijksprentenkabinet in Amsterdam is een mooier gezicht op dezelfde stad te zien. Het omgekeerde geldt ook: het Rijksprentenkabinet heeft een eendenvanger van Avercamp, maar die in Teylers is onzegbaar veel rijker van compositie.

EN DAN REMBRANDT. Ieder prentenkabinet mag zich gelukkig rekenen als het een tekening van de meester in huis heeft, en Teylers Museum heeft met De terugkeer van de verloren zoon, het Gezicht op Diemen en Landschapje met brug een aantal toptekeningen in bezit. Maar het is jammer dat het museum geen van Rembrandts intieme tekeningen bezit die hij maakte van zijn vrouw Saskia, en geen van de beesten die Rembrandt zo vaak 'nae 't leven' tekende. De leeuwen die in de bestandscatalogus zijn afgedrukt, zijn dieren met rare grote koppen, gemaakt door Rembrandts navolgers. Voor de echte leeuw van Rembrandt moet je een bezoek brengen aan het prentenkabinet van Boijmans van Beuningen, waar je ook een glimlachende Saskia aan het venster vindt.

Het verschijnen van de bestandscatalogus van Teylers' tekeningen is een gelukkige gebeurtenis voor wetenschappers en liefhebbers. De daaraan gekoppelde tentoonstelling laat veel meesterlijke tekeningen zien. Maar het kan niet vaak genoeg gezegd: de echte liefhebber wacht nog steeds met smart op een samenwerking tussen de prentenkabinetten van de verschillende Nederlandse musea.

Wat zou zo'n samenwerking niet kunnen opleveren! Er zou geen lacune meer zijn. Voorstudies zouden er zijn, samen met de uitgewerkte tekeningen, series van één onderwerp waarop een kunstenaar zich concentreerde en alle genres die een kunstenaar beheerste. Er zou een tentoonstelling ontstaan die in de ware zin van het woord adembenemend is.

Anders gezegd: het graan op een tekening van Philips Koninck (in Teylers) zou dan niet alleen geoogst worden, maar ook nog (op een tekening in Boijmans) in volle pracht op het land staan.

Meesterlijk Getekend. Nederlandse tekeningen uit de 17de eeuw. Tot en met 25 mei. Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem.

Bestandscatalogus: The Dutch Drawings in the Teyler Museum, Vol II. Drawings by artists born between 1575 and 1630 door Michiel C. Plomp, ¿ 400,-.

Meer over