De scanner ziet veel, maar vooral bij de risicogroep

MRI-scans blijken zeer effectief bij het opsporen van borstkanker. Maar hoe belastend is zo'n onderzoek eigenlijk? En moet nu elke vrouw onder de scanner, of is dat te duur?...

Vrolijk wordt geen enkele vrouw ervan: mammografie en MRI-scan. Maar het zijn de beste hulpmiddelen om borstkanker vroegtijdig op het spoor te komen. De mammografie is bekend: tussen twee glasplaten wordt de borst zo plat mogelijk gedrukt om de röntgenstralen doorgang te bieden.

Bij een MRI-scan ligt de vrouw op haar buik in een nauwe tunnel, met de borsten in houders, het voorhoofd leunend op een steun. De tunnel maakt tijdens het maken van de scan een hard dreunend geluid, en de vrouw moet een minuut of twintig doodstil liggen. De MRI-scan als diagnostisch middel voor borstkanker verkeert nog in een experimenteel stadium. Maar de uitkomsten zijn tot nu toe indrukwekkend.

Dat vrouwen deze onderzoeken niet voor hun lol ondergaan is duidelijk. Maar beïnvloedt het onderzoek ook echt de kwaliteit van hun leven? En hoe effectief zijn deze methodes voor de opsporing van tumoren? Dr. Rian Rijnsburger beantwoordt deze vragen over borstkankerscreening in het proefschrift dat ze donderdag verdedigde in Rotterdam.

De overlast van de screeningsmethoden blijkt alleszins mee te vallen. De onderzoeker was vooral benieuwd naar de ervaringen met de MRI-tunnel. Dat ging wel. Zo'n 20 procent van de vrouwen zegt het liggen in de nauwe tunnel redelijk tot zeer vervelend te vinden. Daarmee is de scan acceptabel.

Aan borstkankerscreening als noodzakelijk kwaad beginnen we al te wennen. De schrik zit er namelijk goed in. Jaarlijks worden alleen al in Nederland elfduizend nieuwe gevallen geconstateerd. De gemiddelde vrouw heeft 8 tot 10 procent kans de ziekte te krijgen.

Afgezien van die doorsnee groep, zijn er vrouwen die een verhoogde kans hebben borstkanker te krijgen. Zo zijn er vrouwen bij wie de ziekte in de familie zit. Afhankelijk van hoe dichtbij of ver weg in de familie iemand borstkanker heeft gekregen (moeder, zusters, tantes, nichtjes), is de kans groter of kleiner de ziekte zelf ook te krijgen. Rijnsburger onderscheidt hierin een groep met een kans van 30 tot 50 procent, en een groep met 15 tot 30 procent kans.

De meeste onrust baren echter de draagsters van wat in de wandeling heet een 'borstkanker-gen': een mutatie in de genen BRCA1 of BRCA2. Zij hebben 50 tot 85 procent kans borstkanker te krijgen.

Voor deze indeling in grote en kleine risico's is gekozen om te kunnen berekenen hoe verantwoord de omvangrijke investering in borstkankerscreening eigenlijk is. Als de kans relatief klein is dat een vrouw het ooit zal krijgen, zal ze niet jaarlijks een dure MRI-scan ondergaan.

Grootschalig

Rijnsburger, van huis uit econoom en epidemioloog, maakt haar berekeningen in het kader van een grootschalig onderzoek, opgezet door het Erasmus Medisch Centrum. Twee kankerinstituten en vier academische ziekenhuizen leveren gegevens aan. Tweeduizend vrouwen met een verhoogd risico worden stelselmatig gescreend in een onderzoek dat loopt van 1999 tot eind 2007. Internationaal gezien is dit verreweg het grootste onderzoek dat ooit is gedaan naar de effectiviteit van borstkankerscreening bij jonge vrouwen met een familiaire of genetische belasting. De vrouwen ondergingen zowel borstonderzoeken met de hand uitgevoerd door de arts, als mammografieën en MRI-scans.

Opmerkelijk zijn de grote verschillen in effectiviteit van de screeningmethodes. MRI-scans 'zien' 71 procent van alle borstkankers. De mammograaf spoort 40 procent op. Specialisten die tijdens controles handmatig borstonderzoek doen, vinden 18 procent van de borstkankers.

Dat is dan duidelijk, zou je zeggen aan de hand van die resultaten: vanaf nu gaat iedereen door die scan-tunnel. Nee, reageert Rijnsburger, zo zal het niet gaan. 'MRI is weliswaar veel sensitiever, maar opsporing alleen zegt niets over sterftereductie. En daar is het in dit onderzoek wel om begonnen: om aan te tonen dat screenen met deze apparaten de sterfte inderdaad drukt.' Uit het onderzoek blijkt dat intensief screenen op borstkanker bij vrouwen bij wie de ziekte vaak in de familie voorkomt naar verwachting leidt tot 40 procent minder sterfgevallen. Bij draagsters van het borstkanker-gen neemt de sterfte door screening zelfs af met 50 procent, is de schatting.

Voor het daadwerkelijk inzetten van MRI-scans zal onder andere worden gekeken naar de uiteindelijke kosteneffectiviteit. Rijnsburger heeft het daarom over 'de kosten per gewonnen levensjaar', als de ziekte vroegtijdig wordt opgespoord. In die termen kost intensieve screening met MRI voor de groep vrouwen met een BRCA1/2-mutatie 4300 euro per gewonnen levensjaar.

Bij de groep vrouwen met het relatief lage risico van 15 tot 30 procent is screening met MRI minder kosteneffectief. In die groep moet tien- tot zestienduizend euro worden geïnvesteerd om een levensjaar te winnen.

Daarom is de aanbeveling van Rijnsburger nu om in elk geval vrouwen met het borstkanker-gen jaarlijks te screenen met MRI. Alle vrouwen in een breed bevolkingsonderzoek stelselmatig MRI-scans aanbieden is in de praktijk onbetaalbaar en onuitvoerbaar.

Meer over