DE REUS VAN WESTER ROSS

Wester Ross ligt in het noorden van Schotland. Dus heerst er de poolzomer. De avonden zijn steevast hetzelfde: na een warme dag steekt een koude wind op....

Een oude vrouw in de bus haakt een witte deken, zachtjes voor zich uitzingend. Een dronken man geeft me een pluchen kerstman, in de zomer. Hij demonstreert het computermuziekje: Jingle bells, jingle bells. 'Voor jou', zegt hij blij. 'Zeer bedankt', schreeuw ik in zijn dove oor.

De bus rijdt van Inverness naar Ullapool, een rit door de oude ronde heuvels van Schotland. Witte sneeuwvelden langs de bergflanken, de zon schittert in de schuimkoppen van een riviertje. Een stenen huisje zonder dak, een verroest landbouwwerktuig in de tuin. Veel schapen.

Ik vertel de zomerkerstman maar niet dat ik zijn cadeau waarschijnlijk weggeef aan een kind in Ullapool. Dat ik een zware rugzak sjouw waarin elke gram is afgemeten. Een miniem tentje, eten, een boek. De komende week ga ik wandelen in Wester Ross, de fjordenkust van noordwest-Schotland.

Het landschap is met enige reserve mooi te noemen. Kaal, grijs en leeg. Slordige vormen en rommelige veengrond, omgespit door een reuzenhand. Een chaos van rondgesprenkelde rotsen, stenen en gruis. Misschien moet je ervoor in de stemming zijn. Je moet treurig worden van dichte bossen, claustrofobisch van steile bergkammen en verveeld van groene heuvels met hegjes eromheen.

Je moet licht willen, wind willen, schittering en verdoving. Een oud, neergebukt huisje lijkt een schuilhut voor een lange winter, ooit. Wangen verbranden in de zon of gloeien van de striemende regen. De wind komt altijd van zee, of-ie nu uit noord, oost, zuid of west komt.

In Ullapool is het warm en zonnig: on-Schots. Op het terrasje wordt lokale gerookte zalm geserveerd. De fjord waaraan het witte-huisjes-dorp ligt, hangt als een dia op de achtergrond. Noorderlicht. Fjordblauw water. Groen-grijze rotsen. De veerboot naar Stornoway, de havenstad van het Hebrideneiland Lewis, kan elk moment binnenlopen.

Ik was hier eerder, vijftien jaar geleden. Toen beukte de wind, viel de regen met bakken uit de lucht en leek Ullapool plat onder de grauwe hemel. Het was afgelegen en ruig, een Vikingdorp. Vandaag is het liefelijk. Een vakantiedorp met winkeltjes vol truien en Keltische oorbellen.

De afgelopen week liep ik de West Highland Way, in het midden van Schotland. Het viel een beetje tegen. Was ik verwend geraakt? Maar in Wester Ross aangekomen, werd het duidelijk: ik miste het hoge noorden van Schotland. Het licht schijnt hier dwars door het zeewater. De wind komt van ver en is heel schoon.

Wester Ross ligt in het noorden dus hier heerst de poolzomer. De zon gaat onder om half elf, maar het blijft licht genoeg om te lezen. De zaklantaarn gaat de hele reis niet aan. Verleidelijk voor een eenzame lezer. Ik bracht maar 250 pagina's mee om de rugzak draagbaar te houden. Pas om twaalf uur moet ik knijpen om de letters nog te zien.

Ik lees die avond over de arme Schotse crofters, verjaagd van hun land door rijke schapenboeren uit Engeland. De grond aan zee die hen werd toegewezen, hebben ze ternauwernood vruchtbaar kunnen maken met zeewier en gesprokkelde aarde. Veel zijn geëmigreerd naar Canada en Nieuw-Zeeland. Er wonen nu minder mensen dan vroeger.

De nacht is koud omdat het zo helder is. Ik heb een sterrennacht op papier meegebracht. Om eindelijk eens uit te zoeken hoe alle hemellichamen heten. Maar het wordt niet donker genoeg voor sterren. Ook de maan staat armoedig aan de bleke hemel. Om drie uur 's ochtends schijnt de zon alweer.

Het water in de rivier is bruin van het veen, metalig. Langs de loch, half drooggevallen, ligt de ribbenkast van een scheepswrak. Groenbealgde spanten. Hangend vetglimmend wier. Net een rottende walvis. Straaljagers trekken strepen in de lucht. Ze vormen witte veren in een wolkenloze hemel.

Een meeuw schreeuwt. Een scholekster prikt tussen de stenen met zijn veel te grote snavel. Een uiteengereten zeeëgel. De zee is donkerblauw en bruine eilandjes drijven als in het Avalon van koning Arthur. Ik verwacht elk moment een klein bootje aan te zien komen zonder motor of roeier. Een zwijgende vrouw op de voorplecht.

In plaats daarvan ploegt het veerbootje van een exclusief hotel over de fjord. Voor mij en voor de nieuwe lading wc-papier die is aangekomen voor het logement. Zo spring ik van schiereiland naar schiereiland, zorgvuldig uitgekiend. Soms varen de bootjes alleen op dinsdag. Het is niet leuk om helemaal rond een fjord te moeten lopen als je steeds bij verre vuurtorens op uiterste landtongen wilt kamperen. Dat kost zo een dag.

Ik klauter over ronde keien. Een klein wit huisje smeekt om bewoning. Voor een paar maanden, een jaar. Gooi die afgebladderde potdichte luiken open. Stook een stevig vuur in de haardstee. Zet een fiets tegen de dikke gevel om naar de dichtsbijzijnde pub te rijden.

Ik snijd een snee brood, beleg de boterham met kaas en schuif behagelijk in de zon op mijn lunchsteen. Wat treft mijn oog: twee grijze zeehonden op de rots. Door de lens van mijn camera kan ik ze van dichtbij zien. Aalscholvers drogen hun vleugels, meeuwen keutelen gezellig op een kluitje. Ik zit het op mijn steen aan te zien. Een wolk steekmugjes om me heen.

Wandelen kan heel eenvoudig zijn. Je hoeft alleen de postbode te volgen: the Postman's Path. Weliswaar alleen te doen voor 'ervaren lopers en spoorzoekers', aldus het wandelboekje, maar volgens de meneer van toeristen-informatie valt-ie op een mooie dag te doen. Wel veel geklim met een rugzak.

Ik klauter over steile rotsen, vlucht voor de opkomende zee op kiezelstrandjes, volg cairns (wegwijzende steenhopen) over de zompige grond en spring over plotselinge scheuren in het klifplafond. In gedachten loop ik achter een glimmende pet aan. Tot het me te bar wordt voor één dag. Ik zet mijn tentje op in de stevige wind. De post komt altijd te laat.

Op de rotsen in zee ontdek ik een baby-zeehond. Ik zie duidelijk de knikkende beweging van zijn zoekende kop. De vette rug, de vinvoeten op de rotsen. Een grijs-wit jong. Hij spreidt zijn vleugels en zeilt weg. Toch een meeuw.

Heb ik het al over de schaduwbergen in de verte gehad? Of over het bloeiende gras op de natte grond, waarvan de katoenen pluimpjes stijf wapperen in de wind? En de plukken wol van verviltende schapen, genoeg voor dertig truien? Of over dat ene dode schaap? De ruggengraat waaraan nog pluizen wol waaien en de gebogen neus van zijn schedel met de rij gele tanden.

Ik neem een bootje naar een nieuwe overkant. De mensen op deze kaap zijn vogelvrij. Ze bouwen hun eigen huis, liefst rond, schuin en vreemd. Ze wekken elektriciteit op met hard ronddraaiende windmolentjes. De boer verhuurt zijn land aan vreemdelingen sinds hij in een rolstoel zit. Ik drink koffie met een meubelbouwende Fransman met rood haar. Iedereen heeft hier ruzie met iedereen, begrijp ik.

Op het puntje van de smalle landtong vind ik de ideale kampeerplek. Achter een rots, dus uit de wind. Op zacht gras, dus mijn lekke matje doet er niet toe. Je kunt alleen niet op de grond zitten, de aarde is een natte spons. Ik staar uit over de zee en luister naar mijn radiootje. Een meeuw zwenkt op de maat van Mozarts jubelmuziek. De zee stampt en rommelt. Alsof iemand met dreunende laarzen naar mijn tentje toekomt, de reus van Wester Ross.

Ik denk de hele volgende dag dat het gaat regenen. De muggen doen vervelend. De bergen zijn bedekt met een dikke laag wolken. Flarden mist komen als sluiers naar beneden zweven. Steeds dichterbij, maar er gebeurt niets. Lange stenen kaaprotsen, ronde bergen met sneeuw. Hier en daar een ruïne, soms een eenzame 'staande steen' van een oude Kelt of Pict.

Ik durf niet te kamperen binnen zo'n magische stenencirkel. Hoe verlokkend dat zachte groene gras ook is. Ik heb niet voor niets het nieuwste moordmysterie van Elisabeth George gelezen waarin een eenzame kampeerster wordt doodgestoken in een cirkel Keltische stenen. Liever nog een flinke rots onder mijn dunne matje.

De avonden zijn steevast hetzelfde. Na een warme dag steekt een koude wind op. De stenen heuvelruggen aan de overkant van de fjord (aan welke kant je je ook bevindt) worden nevelig. Eerst alsof er kleine vuurtjes worden gestookt, daarna staat het dak in brand, vervolgens verdwijnt de berg in rook. Wanneer de zon ondergaat, gloeien de rotswanden na.

Op de zijde van de fjord waar de wandelaar staat, strekt zich een meter of honderd 'wonen en boeren' uit, tot het moerasland het weer overneemt. Maar gezien vanaf de overkant lijkt die bewoonbare strook uitgedund tot een streepje. Hoge stenen wanden met popperige witte huisjes eronder. Gebouwd op het randje gras dat op het randje aarde wil groeien.

Soms schijnt de zon zo fel dat de heuvels bedriegelijk droog lijken. De zee was hel turkoois in de vroege ochtend en er zwom een gevlekte zeehond voorbij met ronde ogen. Appelvinken, puttertjes, kleine piepvogeltjes. Nog geen glimp van de steenarend, die weer is uitgezet. Wel een grote buizerd die zijn best doet. Maar zijn veren broek verraadt hem. Arenden hebben blotere benen.

De duizenden schapen zijn vers geschoren en hebben rare grote koppen boven hun naakte lijf. Ze blaten hysterisch wanneer ik kom aanlopen en vluchten weg. Zoiets engs als een vrouw met rugzak zien ze niet vaak. Verder word ik leeggezogen door een teek en kan ik bijna niet pauzeren doordat erg glimmende zwarte vliegen op me gaan zitten.

Mijn kaart stuurt me door een landgoed. Zorgvuldig de hekken sluiten. Eiken en beuken van honderden jaren oud. Een vervallen herenhuis, leegstaand, en een opgeverfd poppenhuisje met witte Engelse rozen. Ik hoor dat een bekende showbizz-gigant de plek net heeft gekocht. Hij en zijn vrouw zijn al aan het behangen. Het plaatselijke hotel gonst van opgewonden geroddel.

Daar gebeurt ook nog iets grappigs. Ik vraag de hoteldame of ik kan lunchen. Ben na al dat kamperen door mijn voedselvoorraad heen geraakt. Terwijl we kaas-scones met thee bediscussiëren, stort haar toonkast met honderden folkloristisch bedrukte honingpotjes in. Glasscherven, honingkwakken, chaos. Ik beperk me maar tot een chocoladereep.

Het mooiste in Wester Ross zijn de verkeersbordjes met passing place, die om de honderd meter langs de kant van het wagenspoor staan. Een klein eiland in het veen voor het geval twee auto's elkaar tegenkomen. Maar ik zie er, al lopend, een geheime boodschap in. Passing place: hier kunt u het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen, legt u neder. Of: hier komt een UFO u om zeven uur oppikken, wacht u geduldig en vorm een ordelijke rij.

Meer over