De regent heeft het altijd gedaan

De suggestie dat in uitspraken over regenteneen historische continuïteit schuilt, is bedrieglijk, betoogt Henk te Velde...

Ik heb altijd gedacht dat het zwarte schaap per definitie een opvallende uitzondering is. De Nederlandse geschiedenis wordt echter bevolkt door een kudde zwarte schapen: de regenten of stedelijke bestuurders uit de Republiek der Verenigde Nederlanden, tegenwoordig het meest bekend vanwege de regentenmentaliteit die zij in de politiek hebben achtergelaten. Sinds het verzet van de jaren zestig tegen het paternalisme van verzuilde bestuurders en helemaal sinds Pim Fortuyn, staat het begrip regent voor ongeveer alles wat verkeerd is aan de Nederlandse politiek.

Wanneer historici in de 19de eeuw de regenten uit de Republiek kritiseerden, hadden zij het niet over de houding tegenover kiezers, maar over bestuurlijke misstanden. Volgens de beroemdste van hen, Robert Fruin, waren bijvoorbeeld de zogenoemde ‘contracten van correspondentie’ schandelijk. Dit waren schriftelijke afspraken om de banen te verdelen tussen regentenfamilies.

Pas het proefschrift uit 1961 van Daan Roorda over ‘partij en factie’ in de 17de eeuw, tracht het regentenbestuur in zijn eigen termen te begrijpen. Roorda maakte een onderscheid tussen praktijken die ook in de ogen van de tijdgenoot niet door de beugel konden en andere die men wel nuttig vond. Hij wees erop dat contracten van correspondentie soms in de tijd zelf officieel werden vastgelegd. Achteraf kunnen we de contracten van correspondentie misschien het beste vergelijken met het verdelen van burgemeestersposten, voorzitterschappen van Eerste en Tweede Kamer of van de NOS over de partijen van tegenwoordig: niet iets waar we trots op zijn, maar wel iets wat erbij hoort.

Tot de jaren zestig was het vaak positief bedoeld als een politicus een ‘regent’ werd genoemd, maar in 1964 introduceerde de politicoloog Hans Daalder het begrip regentenmentaliteit in de wetenschap. Hij verstond er de gedachte onder van bestuurders dat zij geen politieke verantwoordelijkheid behoefden af te leggen. Oude regententradities werkten depolitisering, collegiaal in plaats van eenhoofdig bestuur en koppig vasthouden aan eigen bevoegdheden in de hand.

Daalder was allereerst geïnteresseerd in een verklaring van actueel politiek gedrag. Het ging hem niet om het verleden als zodanig, maar om de doorwerking daarvan. Als vanzelf legde hij dus de nadruk op de continuïteit in de geschiedenis.

Dit was wetenschap, maar enkele jaren later keerde ook Provo zich tegen de regentenmentaliteit en schreef Harry Mulisch zijn Bericht aan de rattenkoning. Regenten bleken overal te zitten, in het bestuur en de politiek, bij de politie maar ook in de letterkunde, ja zelfs bij Provo. Ergens in zijn boek bespeurde Mulisch in een moment van zelfinzicht ook bij zichzelf de verleiding van de regentenmentaliteit. De regent was iemand die door het GEZAG was besmet – hij was weliswaar geen echte ‘fascist’, maar erg veel scheelde het ook weer niet.

Sindsdien is een wisselwerking opgetreden tussen wetenschappelijke analyse en populaire perceptie. Daalders collega Hans Daudt meende kort vóór de opwinding van 2002 dat hier een ‘regentensysteem bestond dat doet denken aan de Republiek sinds de 17de eeuw’. Het was een ‘regentenstelsel met gegarandeerde grondrechten’, maar geen democratie met vertegenwoordigers van het volk.

Ondertussen was de kritiek op de regenten nogal van karakter veranderd. Fruin en de historici na hem kritiseerden de regenten omdat ze niet deden wat ze moesten doen, namelijk fatsoenlijk besturen. Daalder klaagde niet over onfatsoenlijk bestuur, maar vond dat politiek in Nederland veel te veel bestuur was. In de regentenmentaliteit zocht hij een oorzaak van ‘de Nederlandse lauwheid ten aanzien van het politieke leven’. Daalder wilde de vertegenwoordigende politiek activeren en tot een zaak van de hele bevolking maken.

Kritiek op regentenmentaliteit kon echter ook een bijna tegengestelde lading krijgen. Voor Mulisch waren niet alleen Drees en de burgemeester regenten, maar ook de Kamerleden en zelfs Roel van Duyn op het moment dat hij min of meer namens de Provo’s met de politie overlegde. Als Mulisch zijn zin had gekregen, was politiek onmogelijk geworden in de klassieke betekenis van een apart domein waarin vertegenwoordigende politiek bedreven wordt. Het ging weliswaar in beide gevallen om het gebrek aan luistervaardigheid van de regent, maar Daalder wilde die bestrijden om formeel bestuur en formele vertegenwoordiging tot levende politiek te maken. Mulisch wilde vertegenwoordigende politiek feitelijk helemaal afschaffen.

Het spanningsveld tussen beide opvattingen is tot op de dag gebleven, zoals in de Fortuynrevolte, die verlevendiging en verbetering van de politiek wenste, maar ook dreef op een antipolitiek sentiment.

De spanning is een belangrijke reden waarom de term regent zo populair is. Hij kan voor geëngageerde burgers dienen om arrogantie in het bestuur aan te klagen en dat is belangrijk in een democratie, maar hij kan voor stuurlui aan wal ook schelden worden op ‘de politiek’ of op ‘Den Haag’. Dat tegenwoordig ook veel politici en bestuurders zelf zich tegen regentenmentaliteit keren, kan men beschouwen als een teken van onzekerheid. Deze onzekerheid is productief als ze leidt tot afname van arrogantie, maar niet als ze leidt tot in twijfel trekken van vertegenwoordiging in het algemeen.

Meer over