De propagandamachine van Bush

Propaganda is pas kwalijk als we niet weten dat er wordt gemanipuleerd. De televisie is afhankelijk van beeld en geluid dat voor het overgrote deel uit uit de VS en Engeland komt....

Door Theo van Stegeren

Ondanks het schijnsel van al onze kranten, journaals en actualiteitenprogramma's, gaan we duistere tijden tegemoet. De greep van de Amerikaanse regering op het nieuws is groot en, wat vervelender is, onzichtbaar. Neem het Teletekst-bericht van 13 maart dat de Amerikaanse marine in de Perzische Golf acht Iraakse vissers had gered: 'Het fregat USS Gary pikte hen op toen hun boot zonk. De vissers hadden noodsignalen uitgezonden.' Het hele bericht klinkt als propaganda, maar of het dat ook is, weten we niet.

Later die dag repte CNN van geheime onderhandelingen tussen de VS en Iraakse militairen. Volgens 'een senior official' hadden bepaalde elementen in het Iraakse leger mogelijk al toegezegd niet te zullen vechten. Het bericht, door andere media overgenomen, is vrijwel zeker een poging het Iraakse moreel te ondermijnen, maar onderzoeken kunnen we dat niet.

Zolang we propaganda als propaganda kunnen herkennen, is er weinig aan de hand: we bepalen zelf wat we ermee doen. Kwalijk wordt het als de beïnvloeding zich aan de waarneming onttrekt en we naar andere standpunten worden gemanipuleerd.

Het veelbesproken project 'Public Diplomacy and Public Affairs' van het State Department was als propaganda herkenbaar en in die zin tamelijk onschuldig. In 2001 nam de Amerikaanse reclamemaakster Charlotte Beers de taak op zich, het imago van haar vaderland in de islamitische wereld te repareren. Ze ontwikkelde uitwisselingsprogramma's en bedacht reclamecampagnes die toonden in welke vrijheid moslims in Amerika leven.

Er kwam ook een radiostation, Radio Sawa, een soort moderne versie van de Voice of America, dat Arabisch-talige rockmuziek en nieuws verspreidde. Beers bereikte 450 miljoen islamieten met haar activiteiten, in een reeks Arabische landen. Naar de rockmuziek van Radio Sawa wilde het jongerenpubliek wel luisteren, maar in de nieuwsbulletins hadden ze geen trek. Die kwamen van de Amerikaanse regering, dat was natuurlijk propaganda!

Ook Donald Rumsfeld, minister van Defensie, dacht onlangs maar beter eerlijk te kunnen zijn over een nieuw informatievoorzieningsplan van zijn ministerie. Dat plan was hard nodig, want aan de CIA had hij op propagandagebied helemaal niets. Die had tijdens de Koude Oorlog uitgeblonken in sluipende ideologische beïnvloeding, maar was na de ineenstorting van het communisme in het ongerede geraakt. Halverwege de jaren negentig bestond de afdeling Midden Oosten-propaganda uit één 70-jarige man, die geen Arabisch sprak en een alcoholist als collega had, zoals een oud-agent naderhand verklapte.

Daarom kondigde Rumsfeld vorig jaar de oprichting aan van het Office of Strategic Influence, een bureau dat het islamitische extremisme en terrorisme met desinformatie en propaganda moest gaan bestrijden. Maar al snel betreurde hij zijn openhartigheid. Dat het bureau Azië en het Midden-Oosten als doelwit koos, vonden zijn landgenoten niet zo erg. Maar had de minister er wel bij stilgestaan dat, in deze tijd van snelle wereldwijde communicatie, de geëxporteerde leugens als een boemerang naar de Amerikaanse huiskamers konden terugkeren?

Rumsfeld ontkende dat zijn departement überhaupt leugens ging verspreiden, maar anonieme ambtenaren spraken dat weer tegen, waarop het Pentagon halsoverkop besloot het Office te ontmantelen.

Sinds die tijd vaart Rumsfeld een minder zichtbare koers. Hij heeft in stilte een aantal propagandataken naar het leger verplaatst, zoals de Los Angeles Times onlangs uit geheime stukken opmaakte. De consequenties zijn verstrekkend. Dat legers hun tegenstanders via de pers proberen te misleiden over bijvoorbeeld de plek waar een aanval is gepland, is een fact of life. Maar Rumsfeld wil dat de Amerikaanse krijgsmacht haar perscontacten systematisch als strijdmiddel gaat gebruiken. Een nieuwe plaatsvervangend staatssecretaris voor 'speciale plannen' - door de krant een eufemisme voor 'misleidingsoperaties' genoemd - moet erop gaan toezien dat landmacht, marine en luchtmacht hun perscontacten gebruiken voor destruction, degradation, denial, disruption, deceit and exploitation, in geheimtaal (vanwege de openingsletters) ook wel 'D5E' genoemd.

De LA Times noemt als voorbeeld dat het leger mag proberen te voorkomen dat journalisten met andere bronnen gaan praten, zoals tegenstanders of critici van Amerikaans beleid. En het mag journalisten uit bevriende of neutrale landen geld aanbieden om valse informatie te verspreiden.

Toen de krant dit schreef, stonden de Amerikaanse bewijzen van Iraakse betrokkenheid bij kernwapens - over de aankoop van uranium in Niger - nog niet als vervalsingen te boek. Die pijnlijke onthulling volgde een paar maanden later en geeft aan dat ook de inlichtingendiensten Rumsfelds boodschap hebben begrepen.

Rumsfeld trof na het fiasco van zijn Office for Strategic Influence nóg een onzichtbare maatregel. Hij nam contact op met de Rendon Group, een oude bekende van zijn ministerie, in Washington. De leider van deze pr-firma, John W. Rendon, heeft aan zijn contacten met het Pentagon en de CIA een fortuin verdiend. Volgens bronnen bij het Pentagon heeft hij alleen al in de periode na 11 september 2001 tenminste 7,5 miljoen dollar bij de Amerikaanse regering gedeclareerd.

Regimes die een publicitair offensief tegen de VS durven in te zetten, krijgen van Rendon het passende antwoord om de oren.

Toen het bezette Koeweit publicitair in de knel raakte, organiseerde hij een wake van verbannen Koeweiti's in Cairo, die tranentrekkende beelden voor het Amerikaanse avondnieuws opleverde. Tijdens de bevrijding van Koeweit zorgde hij dat duizenden mensen langs de weg Amerikaanse vlaggetjes in de handen gedrukt kregen; het feestelijke resultaat was diezelfde dag over de hele wereld te zien.

En toen de Taliban het Amerikaanse leger van wreedheden in Afghanistan beschuldigden, zond Rendon onmiddellijk Defensie-ambtenaren naar het land, die hij liet filmen terwijl ze door zielsdankbare Afghanen werden begroet. Nieuwsonderwerpen hebben een korte levenscyclus, weet Rendon, en de kunst is ze winnend af te sluiten.

Sinds Rumsfeld hem benaderde, begeleidde Rendon de voorbereiding van de aanval op Irak, maar over zijn precieze opdracht laat hij niets los. Bekend is dat hij onlangs het Coalitie Informatie Centrum (CIC) heeft opgericht: een keten van kantoren in Washington, Londen en Islamabad, waarin spin-doctors over de nieuwsstromen waken.

Maar bekend is ook dat Rendon complete 'politieke werkelijkheden' kan creëren. President Bush sr. gaf kort na de Golfoorlog toestemming voor geheime operaties die tot het verdwijnen van Saddam Hussein moesten leiden. Omdat de CIA er het geschikte personeel niet voor had, kwam de opdracht bij Rendon terecht, die er energiek mee aan de slag ging. Eerst produceerde zijn groep een anti-Saddam-propagandacampagne, bestaande uit video's en radioprogramma's waarin Hussein belachelijk werd gemaakt, en een rondreizende fototentoonstelling over Iraakse wreedheden.

Toen dat niet hielp, zette hij, geholpen door de CIA, het Iraakse Nationaal Congres (INC) op poten, een samenraapsel van oppositiegroepen en -groepjes dat sindsdien voortdurend in het nieuws opduikt. De CIA leverde de mensen, Rendon fluisterde ze in het oor wat ze bij welke gelegenheid moesten zeggen.

Het was Rendon die de naam van de groep verzon en haar eerste congres in Wenen organiseerde. Via hem belandden begin jaren negentig miljoenen CIA-dollars bij het INC, tot er bij de CIA en het leger twijfels rezen over de betrouwbaarheid van de leider, Achmed Chalabi. Deze 'limousine-revolutionair' - in Jordanië bij verstek tot 22 jaar werkkamp veroordeeld wegens bankfraude - zou met dollars smijten en een povere organisator zijn. 'Zonder Rendon zou de groep-Chalabi niet eens op de kaart staan', liet een ambtenaar van het State Department tegenover het blad The Village Voice weten. Toch wordt dezelfde Chalabi door menigeen als de 'Karzai' van Irak gezien, de man die na een regimewisseling tijdelijk de touwtjes in handen zal krijgen.

Sinds vorig jaar november kent het Amerikaanse propagandakamp nog een geduchte speler, even onzichtbaar opererend als de Rendon Group en de 'D5E'-voorlichters van de krijgsmacht. Het is het Comité voor de Bevrijding van Irak (CLI), een uit ultraconservatieve kring rond Cheney en Rumsfeld gerecruteerd gezelschap dat geld werft voor 'de opbouw van een democratisch Irak' maar ook Amerikaanse en Europese media op Amerika-lievende gedachten tracht te brengen.

Toen de publieke steun voor het Irak-beleid van Bush eind vorig jaar afkalfde, kwam zijn politiek adviseur Karl Rove in actie. Rove is de sluwe verbindingsman tussen opiniepeilingen en politiek die Bush's populariteit regisseert. Toen de paniek in 2001 door Amerika waarde, zag hij dat zijn protégé voorbestemd was om 'oorlogspresident' te worden, en zijn hele draaiboek is sindsdien op dat doel geënt.

Toen de polls eind vorig jaar instortten, greep hij onmiddellijk in: gesteund door veiligheidsadviseur Condoleezza Rice en haar rechterhand Stephen Hadley, formeerde Rove het Comité voor de Bevrijding van Irak, een team met namen als George Shultz (de voormalige minister van Buitenlandse Zaken), senator John McCain, voormalig senator Bob Kerrey en generaal-in-ruste Wayne A. Downing.

Het Comité houdt kantoor in het Capitool en verzorgt briefings voor Irak-specialisten, groepen die de buitenlandse politiek observeren, en andere opiniemakers. De briefings verlopen volgens het voor-wat-hoort-wat-principe: wij plezieren jou met inside informatie, jij pleziert ons met een begripvolle benadering in je artikelen.

De Washington Post omschrijft het Comité als een kloon van een eerder comité, dat de afgelopen jaren voor de uitbreiding van de NATO ijverde. Een reeks namen keert inderdaad in beide comités terug, inclusief die van de voorzitter, Bruce P. Jackson. Wat de Post er (nog?) niet bij vertelt, is dat deze Jackson tot voor kort als vice-president bij wapenfabrikant Lockheed Martin werkte.

Volgens het onafhankelijke Amerikaanse bureau Foreign Policy in Focus had Lockheed Martin belang bij de uitbreiding van de NATO in de richting van Oost-Europa, omdat een geweldige afzetmarkt te winnen viel, zoals het bedrijf nu belangstellend over Jacksons schouder zal meekijken naar de opbouw van Irak.

Beleidsmatig gezien werkt het Comité voor de Bevrijding van Irak als een spin in het web: enerzijds lopen personele banden naar de Rendon Group en het Iraakse Nationaal Congres, anderzijds houdt de groep nauw contact met Rove, Rice en Hadley, kortom: met Bush zelf. De invloed op de media valt moeilijk te traceren, omdat de activiteiten van het Comité zich in het geheim voltrekken. Wel heeft de International Herald Tribune inmiddels onthuld dat voorzitter Jackson de drijvende kracht was achter de steunbrief van Oost-Europese landen voor het Amerikaanse Irak-beleid, die begin dit jaar het daglicht zag; een publicitair succes van formaat.

Het is de vraag of Nederlandse journalisten te midden van alle propagandistische powerplay - om van de Iraakse maar te zwijgen - de aanstaande gebeurtenissen kunnen reconstrueren. Tijdens de Golfoorlog mislukte dat. Een jaar na die oorlog liet de toenmalige hoofdredacteur van The Washington Post, Ben Bradlee, weten dat hij geen idee had wat op het slagveld was gebeurd.

De redacties van onze televisierubrieken zitten vol goede voornemens, maar hun achilleshiel is dat ze elke minuut van de dag verse beelden en teksten nodig hebben, waarvan het overgrote deel uit Amerika en Engeland komt. Dat materiaal valt niet te vertrouwen. Het Pentagon heeft beloofd enkele honderden journalisten mee naar het front te nemen. Het weet dat de Arabische televisiezender Al-Jazeera aan de lopende band ooggetuigen reportages uit het oorlogsgebied zal produceren, en hoopt die op deze manier te pareren.

Maar het heeft ook aangekondigd dat het zelf de satellietverbindingen gaat beheren. Op cruciale vragen is bovendien nog geen bevredigend antwoord gegeven. Mogen de meegereisde verslaggevers over casualties berichten? Krijgen ze Iraakse gevangenen te spreken? Kunnen Amerikaanse militairen vrijuit zeggen wat ze weten, en mogen ze met naam en rang worden aangeduid?

Daarbij waait een vaderlandslievende wind door de Amerikaanse media, die tot zelfcensuur leidt. De anti-oorlogsdemonstraties in de grote steden zijn door heel wat kranten gebagatelliseerd of naar de laatste pagina's verbannen. Het wordt, kortom, een tijd van wantrouwen en gissen.

Meer over