De produktiefste schilder van Nederland

Op oude kaarten en tekeningen of schilderijen, vooral taferelen uit de achttiende eeuw, blazen heel vaak een paar onschuldige en vrolijke engeltjes de zware donkere luchten weg....

PAUL DEPONDT

Van onze verslaggever

Paul Depondt

AMSTERDAM

De zoetsappige cherubijntjes of serafijntjes, stevige jongetjes van twee of drie jaar oud, stofferen veel achttiende-eeuwse voorstellingen. Ze geven aan de taferelen, ook aan godsdienstige voorstellingen voor kerken en kloosters, een zekere mate van luchtigheid en zelfs frivoliteit. Een echte rol spelen ze niet, maar ze werden in het Galante Tijdperk salonfähig geacht voor zowel profane als religieuze kunst.

Ook de bellenblazende putti of engeltjes op Jacob de Wit's tekeningen, op de tentoonstelling Putti en Cherubijntjes in het Amsterdamse Museum Amstelkring Ons' Lieve Heer op Solder, buitelen dartel en onbekommerd over het linnen of het tekenpapier. De Wit, aan wie dit jaar ter gelegenheid van zijn driehonderdste geboortejaar twee exposities worden gewijd, in Amsterdam en in Weert, muntte bijzonder uit in het tekenen en schilderen van zulke bevallige kindertjes en kinderhoofdjes.

Jacob de Wit (1695-1754) was de belangrijkste katholieke kunstenaar uit de zogenoemde 'schuilkerkentijd', de tijd van de religieuze verstekelingen. Doordat de kerken aan de katholieken waren ontnomen, kwamen - net als de protestantse groeperingen voordien - de katholieken bij particulieren bijeen die hun huizen voor verborgen paepsche afgoderijen openstelden.

Het belijden van het roomse geloof was in die dagen weliswaar in de openbaarheid verboden, maar achter gesloten deuren waren paepse stoutigheden toegestaan zolang ze geen aanstoot gaven of overlast veroorzaakten.

De door de overheid oogluikend toegestane huiskerken, zoals het Museum Amstelkring Ons' Lieve Heer op Solder, verscholen achter gevels van woonhuizen of op zolders, waren niet zo bekrompen of provisorisch ingericht als weleens werd beweerd.

Dat beeld stamt uit de negentiende eeuw, toen sommige katholieken een 'romantiek der catacomben' cultiveerden. Het woord 'schuilkerk', dat voor het eerst in de tweede helft van de negentiende eeuw opdook, suggereerde vervolging en martelaren. Boedelbeschrijvingen en gravures van die verdoken plekken echter herinneren veeleer aan rijk ingerichte en versierde ruimten met indrukwekkend veel schilderijen.

In de achttiende eeuw was er in Amsterdam veel vraag naar 'katholieke' taferelen of decorum. De Wit, behalve als plafonddecorateur vooral bekend omwille van zijn grisailles - 'grauwtjes' of 'witjes' - was een veelgevraagd en op het eind van zijn leven zelfs een gefortuneerd kunstenaar.

Over zijn leven weten we zeer weinig. In de archieven van Amsterdam, de stad waar hij vanaf 1715 tot aan zijn dood in 1754 is blijven wonen en werken, zijn bijster weinig sporen van hem aan te treffen.

De Wit, wiens kleine zelfportret op de expositie hangt, is vermoedelijk geboren in de Tuinstraat in de Jordaan. Hij betrok later een veel bezocht atelier aan de Keizersgracht. Dat huis is nu een van de etappes van een door het Museum Amstelkring georganiseerde wandeling door het achttiende-eeuwse Amsterdam. Veel van De Wit's kunstwerken - vooral zijn bekende plafondschilderingen - bevinden zich namelijk achter de gevels van panden langs de Amsterdamse grachten, bijvoorbeeld in het Theatermuseum, Felix Meritis en het Bijbels Museum.

De Wit is ongetwijfeld een van de meest produktieve kunstenaars die Nederland heeft voortgebracht. Het aantal schilderijen, waaronder zeker tachtig grote plafondstukken, moet in de honderden lopen, en de hoeveelheid tekeningen in de duizenden. 'Zijne naerstigheit gaat alle begrip te boven', schreef zijn tijdgenoot J. van Gool.

Originaliteit was wezensvreemd aan de barok. Kunstenaars interpreteerden het werk van anderen. In het werk van De Wit zijn duidelijk invloeden te herkennen van Pieter Paul Rubens en Jacob Jordaens, maar ook van de schilders van de Grande Maniera Romana: Pietro da Cortona en Annibale Carracci.

Vol bewondering schreef Arnold van Halen in 1720 een gedicht op de 'geestrijke en vlugge penceel-konst van Jacob de Wit'. Hij had de schilder in twee uur tijd met twee handen een Maria zien schilderen. De waardering van Van Halen past volkomen in de Italiaanse opvatting over de facilità, de 'vaardigheid', een typisch kunstcriterium uit de barokperiode.

Sommige schetsen op de expositie laten - evanals de onlangs door het museum verworven aquarel Verrijzenis van Christus en het pas gerestaureerde schilderij Aardse en Hemelse Drieëenheid - zijn uitzonderlijk behendige techniek zien. De Wit maakte met nerveuze grillige, zigzag-lijnen in pen en inkt, grove arceringen, vloeiende maar tegelijk trefzekere tekeningen met altijd weer die bijna gekalligrafeerde handtekening eronder.

De eeuw van De Wit - de Pruikentijd of het Galante Tijdperk - was in Nederland lange tijd een vergeten eeuw. Het was een tijd van verval na de Gouden Eeuw. Veel kunsthistorici hadden bijna uitsluitend belangstelling en bewondering voor de Stier van Potter of voor Rembrandt's Nachtwacht.

Sinds enkele jaren echter is door een uitgesproken aandacht voor 'de geschiedenis van de smaak' ook de belangstelling toegenomen voor vergeten of bijna vergeten kunstenaars. Het Rijksmuseum organiseerde niet lang geleden een tentoonstelling over de kunst van het Galante Tijdperk, met werk van Cornelis Troost en De Wit, en binnenkort opent het vernieuwde Museum Twenthe dat zich onder meer op achttiende-eeuwse kunst wil toeleggen.

Troost werd altijd hoger aangeslagen dan De Wit omdat hij de zogenaamde 'Hollandse geest' in zijn werk had bewaard. Maar de laatste tijd neemt ook de belangstelling voor De Wit toe. De exposities in Museum Amstelkring Ons' Lieve Heer op Solder en later dit jaar, van 14 april tot en met 7 juli, in het Museum voor Religieuze Kunst Jacob van Horne te Weert, zijn de eerste aanzetten tot een beter begrip van zijn werk.

Nu is het wachten nog op het Corpus Wittianum, het volledig in kaart gebrachte oeuvre van een van Nederland's produktiefste schilders van de achttiende eeuw.

Paul Depondt

Putti en Cherubijntjes, Het religieuze werk van Jacob de Wit. Tot en met 17 maart in het Museum Amstelkring, Ons' Lieve Heer op Solder in Amsterdam. Ter gelegenheid van de expositie organiseert de Stichting Museum Amstelkring vanaf 17 januari een drietal concerten met muziek uit de tijd van Jacob de Wit door het ensemble Les Goûts Réunis.

Meer over