De processie is terug - katholieke emancipatie voltooid

De processie is, als openbaar kerkelijk ritueel, terug in de straat. Ze komt tegemoet aan de behoefte het eigen geloof te tonen aan de buitenwereld, zegt Peter Jan Margry....

De Nederlandse katholieken zijn definitief hun schaamte voorbij. De ritualiteit en devotionaliteit die zij na het Tweede Vaticaans Concilie schielijk terzijde schoven, genieten een ware revival. Soms lijkt het er op alsof het rijke roomse leven aan een tweede jeugd is begonnen.

Zo trok vorige week zondag een triomfale sacramentsprocessie over de grachten van de Amsterdamse binnenstad. Bisschop Jozef Punt van Haarlem bracht, omgeven door katholieke parafernalia en wierook, het Allerheiligste van de O.L. Vrouwekerk aan de Keizersgracht over straat naar de Begijnhofkapel.

Rond het midden van de 19de eeuw was de vrees voor processies een breed gedragen gevoel in protestantse kring. Het bracht de antirevolutionaire staatsman Groen van Prinsterer op het wilde idee alle Nederlandse katholieken in apartheid te concentreren bezuiden de grote rivieren en hen daar in hun roomse biotoop de vrijheid te geven die ze zo graag wensten: een vrije uitoefening van liturgie en rite in de publieke ruimte.

Het idee sneuvelde maar er kwam wel, ondanks krachtig verzet van Thorbecke, in 1848 een grondwet tot stand waarin een algemeen verbod op openbare kerkelijke rituelen – in het bijzonder processies – was opgenomen.

Dat riep een verbeten en taaie 'processiekwestie' in het leven. De culturele en kerkelijke revoluties van de jaren 1960 brachten dit langdurige twistpunt tenslotte tot een simpel einde. De meeste protestanten hadden er ondertussen geen moeite meer mee en de katholieken namen eenvoudig afstand van dit 'ouderwetse gedoe'.

Sinds enkele jaren is die situatie ingrijpend veranderd. Ongeveer sinds Nederland in het Heilig Jaar 2000 vanuit Rome weer nadrukkelijk tot missieland is bestempeld, zijn de traditionele missionaire instrumenten weer sterker in beeld gekomen. In veel Nederlandse parochies wordt de processie geïntroduceerd, teneinde een antwoord te bieden op de groeiende vraag naar (collectieve) ritualiteit en de wens het eigen geloof met 'elan' aan de buitenwereld te presenteren en uit te dragen.

De Utrechtse reliekenprocessies van St. Willibrord werden in de afgelopen paar jaar gehouden onder het motto 'Geloven mag gezien worden'. Amsterdam pakte in 2004 uit met maar liefst drie processies, terwijl de pastoor van de Haarlemse binnenstadparochie onlangs in het kielzog van de hoofdstad – 'wij durven dat dus nu ook' – de evangelisatie wilde bevorderen door middel van een processionele toning van het beeld van O. L. Vrouw van Haarlem.

De herleving van de processie is een ontwikkeling die beantwoordt aan het rituele vacuüm dat in de moderne samenleving was ontstaan. De processie is daardoor min of meer opnieuw uitgevonden als instrument voor collectieve religieuze beleving en als performatieve expressie van katholiek of religieus zelfbewustzijn. De kerk positioneert zich zo nadrukkelijk in de samenleving en wenst strategisch in de straat aanwezig te zijn.

De processie lijkt ditmaal niet het polarisatie-instrument uit het verleden maar een bindmiddel, net zoals burgemeester Job Cohen zich de betekenis van religie graag voorstelt. Het lijkt geen toeval dat juist in Amsterdam diverse initiatieven tot leven zijn gekomen. Het is immers ook de stad waar de typisch Nederlandse 'stille omgang' werd uitgevonden. Een 'tegen-ritueel' dat vanwege het processieverbod juist als processioneel alternatief in diverse steden in zwang raakte .

Dit ritueel is voortgekomen uit de 19de eeuwse religiestrijd en kan worden beschouwd als een exemplarische uiting van het Nederlands 'accommodatie'-katholicisme. Maar de laatste dagen van dit gebruik lijken geteld. In verschillende steden is de omgang getransformeerd in een processie. Amsterdam, bakermat van dé Stille Omgang, verbonden aan de enige katholieke (mirakel-) cultus waarin de Nederlandse catholica zich eens verenigd zag, staat onder druk. Het was in dat verband van historische betekenis dat in 2004, voor het eerst sinds de Alteratie van de stad in 1578, bovengenoemde pontificale sacramentsprocessie door Amsterdam trok. De (katholieke) wereldpers schonk er ruim aandacht aan.

Immers, na ruim vierhonderd jaar trok er weer een sacramentsprocessie door de hoofdstad van het 'protestantse' Nederland. Het was namelijk het Nederlandse Opus Dei dat de aanval had geopend op het monopolie van het Amsterdamse Gezelschap van de Stille Omgang en de mirakelcultus. Daarbij gesteund door bisschop Punt had men een opgaan van de 'ouderwetse' omgang in een sacramentsprocessie voor ogen. Tegelijk trachtten zij een directe verbinding te leggen tussen de twee principale cultussen van Amsterdam, de oude mirakeldevotie en de moderne en omstreden Mariacultus van de Vrouwe van Alle Volkeren. Een wens die paus Woytila nog kort voor zijn overlijden zou hebben ondersteund en die daarmee een bevestiging van de Mariacultus zou inhouden. Deze processie was daarmee ook de representatie van een intra-katholieke richtingenstrijd tussen traditionalistisch, fundamentalistisch, modernistisch en oecumenisch gezind katholicisme.

Waar eens de Stille Omgang de catholica bond, representeren de nieuwe processies in hun ostentatieve verschijning evenzoveel stromingen en belangen in en om de katholieke kerk. Of dat de cohesie is die burgemeester Cohen zich voorstelde, is de vraag. Het duidt echter wel op het belang en de vitaliteit van religie en ritualiteit in onze samenleving. Duidelijk is nu ook dat voor de Nederlandse katholieken met deze coming out de verzuiling ten einde is en hun emancipatie voltooid.

Meer over