interviewludo de witte

De prins van Burundi moest vermoord worden, en koning Boudewijn zou de daders wel redden

Ludo De Witte, auteur van het boek Moord in Burundi, in zijn huiskamer:  ‘Er wordt gezegd dat het mijn schuld is dat Boudewijn nooit heilig verklaard kan worden.’ Beeld Aurélie Geurts
Ludo De Witte, auteur van het boek Moord in Burundi, in zijn huiskamer: ‘Er wordt gezegd dat het mijn schuld is dat Boudewijn nooit heilig verklaard kan worden.’Beeld Aurélie Geurts

Kort voor de onafhankelijkheid van Burundi werd de prins vermoord die de verkiezingen had gewonnen. Dat gebeurde op aandringen van België, ontdekte schrijver Ludo De Witte, en koning Boudewijn wilde de huurmoordenaar redden.

Het is 13 oktober 1961 als Ioannis Kageorgis met zijn wapen in de bosjes kruipt. Hij heeft uitzicht op het terras van restaurant Tanganyika, in de hoofdstad van Burundi, waar een groep vrienden is aangeschoven. Ioannis neemt een van hen in het vizier: Louis Rwagasore, een 29-jarige prins, die twee weken geleden premier is geworden. De man vuurt af en de kogel doorboort de nek van Rwagasore. Hij is op slag dood.

In eerste instantie leek het een simpel plot: politieke tegenstanders van Rwagasore konden hun verlies niet wegbijten en hadden een Griekse huurmoordenaar in de arm genomen. Nog geen jaar later was Kageorgis opgepakt en geëxecuteerd en in 1963 werden zijn vijf medeplichtigen, allen verbonden aan een lokale politieke partij, opgehangen.

Maar schrijver Ludo De Witte ontdekte dat ook België vuile handen heeft: koloniale ambtenaren hadden op de liquidatie aangestuurd en koning Boudewijn bewoog hemel en aarde om de daders te beschermen. ‘De moord was op een heel nonchalante manier gepleegd’, vertelt De Witte in zijn woning in Brussel, ‘omdat de daders straffeloosheid was beloofd.’

Het is niet de eerste keer dat Ludo De Witte (65), oorspronkelijk socioloog, het deksel van een diepe put trekt. In 1999 publiceerde hij een boek over de rol van België bij de moord op Patrice Lumumba, de eerste premier van Congo. Dit leidde tot een onderzoekscommissie, waarna parlementaire excuses volgden. In zijn nieuwe boek, Moord in Burundi, heeft De Witte de liquidatie van Lumumba’s evenknie, Rwagasore, onderzocht.

Paniek na de verkiezingen

In 1961 stond Burundi nog onder voogdij van België, maar een klein jaar later zou het land zijn onafhankelijkheid krijgen. Voor die tijd stichtte en financierde het koloniale apparaat ‘gematigde’ politieke partijen, zoals de christen-democratische PDC, die ook tijdens de verkiezingen alle steun van België kreeg. Het was echter de lokale aristocraat Rwagasore die met zijn Union pour le Progrès National (Uprona) 80 procent van de stemmen won. In de paniek die daarop volgde, zag zowel de PDC als het koloniale apparaat maar één oplossing: de prins moest vermoord worden.

Prins Louis Rwagasore van Burundi (1932-1961). Hij werd in 1961 gekozen tot premier en zou het land naar de onafhankelijkheid leiden, maar werd door een Griekse huurmoordenaar geliquideerd.  Beeld AFP
Prins Louis Rwagasore van Burundi (1932-1961). Hij werd in 1961 gekozen tot premier en zou het land naar de onafhankelijkheid leiden, maar werd door een Griekse huurmoordenaar geliquideerd.Beeld AFP

De Witte vond deze informatie diep begraven in de Belgische archieven: koning Boudewijn wilde de daders redden. Maar om de moordenaar gratie te kunnen verlenen, en de vijf anderen naar België te halen, had hij de handtekening van de toenmalige Belgische minister van Buitenlandse Zaken nodig. Daarom gaf Boudewijn opdracht aan de Brusselse procureur des konings om de zaak te onderzoeken: als de Belgische rol bij de liquidatie onomstotelijk vaststond, kon de Belgische regering ervan overtuigd worden de daders uit handen van Burundi te halen, zo redeneerde hij.

Maar de minister weigerde?

‘Tot grote frustratie van koning Boudewijn, ja. De minister vreesde dat er in Burundi rellen zouden uitbreken, die de Belgen in het land in gevaar zouden brengen. De angst was dat er tientallen of honderden mensen zouden omkomen.’

Uit uw boek rijst een heel ander beeld op van de zeer geliefde koning Boudewijn, die juist bekend staat als een zeer betrokken man, die opkwam voor de zwakkeren van de samenleving.

‘Het beeld dat wij van Boudewijn hebben, stamt uit zijn laatste levensjaren, toen hij zich inderdaad betrokken toonde, bijvoorbeeld bij de slachtoffers van mensenhandel. Maar eind jaren vijftig, begin jaren zestig zat Boudewijn gevangen in de entourage van zijn vader, Leopold III: mannen uit extreem conservatieve hoek die zijn wereldbeeld bepaalden. Boudewijn zag zichzelf als een christelijke koning, die het Rijk Gods moest beschermen, met het kruisbeeld in de ene en het zwaard in de andere hand.

‘Mensen die niet in de pas liepen, werden door hem bestreden. Ook in Congo heeft Boudewijn het licht op groen gezet voor de moord op Lumumba.’ Met een verlegen grijns: ‘Er wordt gezegd dat het mijn schuld is dat Boudewijn nooit heilig verklaard kan worden.’

Boudewijn vroeg aan de procureur van Brussel om dat onderzoek, om de rol van België bij de moord aan te tonen, maar het is nooit de bedoeling geweest dat dit naar buiten zou komen?

‘Zeker niet! Het strafdossier is indertijd aan de minister voorgelegd, maar verder zonder gevolg gebleven, en nadien vernietigd.’

Hoe heeft u het dan kunnen inzien?

‘Ik heb een synthese teruggevonden in de Britse archieven. De Britse ambassadeur in Burundi volgde het dossier op de voet en berichtte daarover aan Londen. Deze rapporten worden in het Britse nationale archief bewaard.’

Er is meer verdwenen, begreep ik. Zo was er de telex van de echtgenotes van Belgische topambtenaren in Burundi, die vreesden voor rellen als bekend werd dat België verantwoordelijk was voor de moord.

‘Klopt. Die heb ik in 2013 nog gezien in het archief van Buitenlandse Zaken en daarna is hij verdwenen. Maar zowel ik als een Franse professor had de tekst overgetikt, waardoor ik die toch kon gebruiken.

‘Het is heel bijzonder hoeveel gaten het archief kent: het parket van Brussel heeft toestemming gekregen alle strafdossiers van de periode tussen 1951 en 1961 waaraan geen gevolg is gegeven te vernietigen. Dat is krankzinnig – het gaat om zo’n belangrijke periode. ‘We kunnen toch niet alles bewaren’, is dan het argument, maar als onderzoeker voel ik mij alsof ik Bach moet spelen, zonder de noten ‘do’ en ‘la’ te gebruiken.

‘Het tragische is dat de ambtenarij kan beslissen wat een onderzoeker wel en niet mag zien. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld worden documenten op een bepaald moment vrijgegeven voor onderzoekers, maar in België niet.’

Soms ging de tegenwerking verder: toen De Witte in de jaren negentig in het archief bezig was voor zijn boek over de moord op Lumumba, kwamen er twee militairen op hem af, die hem vertelden dat hij moest oppassen, ook fysiek.

Waarom heeft u geen aangifte gedaan?

‘Ik kon niets bewijzen, er zou geen zaak van gemaakt kunnen worden. En als ik naar de pers zou zijn gestapt, zou ik als aandachtszoeker worden afgeschilderd. Maar ik liet mij niet intimideren en heb rustig doorgewerkt. Toen het boek in 1999 uitkwam, kreeg ik veel positieve publiciteit, en datzelfde jaar gaf rijkswachter Gerard Soete toe dat hij het lichaam van Lumumba had vernietigd. Het was door hem in stukken gezaagd, en daarna opgelost in zwavelzuur. In 2000 werd een parlementaire commissie opgericht die concludeerde dat de toenmalige Belgische regering moreel verantwoordelijk was voor de moord. In 2002 bood het land zijn verontschuldigingen aan, zonder daar verder juridische gevolgen aan te verbinden.’

En vervolgens gaat u door naar de volgende zwarte bladzijde van de Belgische geschiedenis. Waar komt die interesse vandaan?

‘Ik ben een paar honderd meter van een missiehuis opgegroeid, en dat heeft mijn eerste belangstelling voor Afrika gewekt, maar de echte aanzet voor mijn boek over Lumumba kwam van een ander boek over deze moord. Het was altijd onduidelijk gebleven wie daar nu echt achter zat, en ik wilde het als een ouderwetse whodunnit gaan schrijven: ik vond het spannend om te achterhalen wat er was gebeurd.

‘Vier van mijn zes boeken gaan over de dekolonisatie. Ik vind het vooral boeiend omdat het een scharniermoment is in de geschiedenis. Het leert je wat kolonisatie was en is een voorafspiegeling van wat daarna komt. Wat België betreft is het dubbel interessant. Tijdens de dekolonisatie van Congo was het Belgische establishment van oordeel dat het in zijn fundamentele belangen werd geraakt. Je ziet hoe deze elite, die in normale tijden in de schaduw blijft, naar voren kwam en met kracht en brutaliteit intervenieerde.’

Uw boek over Lumumba leidde tot een parlementaire onderzoekscommissie. Wat is nu de reactie?

‘Het is nog vers, het boek is net uit. Bovendien legt een andere parlementaire commissie op dit moment de laatste hand aan haar eindrapport over de vraag hoe ons land met haar koloniale verleden moet omgaan. Ik verwacht dat zij zal aanbevelen ook deze moord te onderzoeken. Maar tot dit rapport verschijnt, houdt iedereen zijn mond.’

Een onderzoek naar het hele koloniale verleden, dat is nogal wat. Heeft u zelf aanbevelingen?

‘Een van de belangrijkste zaken is wat mij betreft het openstellen van de archieven. Deze zouden bovendien toegankelijk moeten zijn vanuit Rwanda, Congo en Burundi zelf. Mensen moeten nu duizenden kilometers reizen om hun eigen geschiedenis te bestuderen.’

Wat verwacht u van de commissie?

‘Niet veel. Het besluit om deze commissie in te stellen, werd op een emotioneel moment genomen: George Floyd was in de Verenigde Staten net gedood door een agent, ook in België werden verhitte discussies gevoerd en beelden van koning Leopold werden beklad. Een aantal experts die deel uitmaken van deze commissie zijn zeer kundige academici, maar er zitten ook mensen bij die de kolonisatie tot de dag van vandaag zijn blijven verdedigen.

‘Het onderzoek lijkt me bovendien te breed: als je ziet hoeveel werk die Lumumba-commissie was... En dan pakken we nu de hele kolonisatie beet, komen met een paar punten van aanbeveling, en zetten de algehele verzoening op de agenda.’

Meer over