De prijs van immigratie

Om de paar weken laat ik bloed prikken. Als bewoner van de Amsterdamse binnenstad ga ik daarvoor naar een ‘oude’, 19de-eeuwse wijk....

Op mijn ‘locatie’ kom ik volop aan m’n trekken. In de wachtkamer zit een diverse populatie van overwegend niet-westerse allochtonen, geholpen door een redelijk divers personeelsbestand. Het restvolk van autochtone Amsterdammers houdt er met belegen grappen luidruchtig de moed in. De laatsten der Mokumers. Veel Anklang hebben ze niet. Diversiteit noodt tot zwijgen en langs elkaar heen kijken.

De transactie met de naald loopt steeds gesmeerd, bijna woordloos. Soms is er een wanklank. Een dienstklopper die je na een routine van bijna tien jaar plotseling bazig vertelt wat je te doen hebt. En van de week ontstond er ineens commotie. Een dame die de baliemedewerkster toevoegt dat ze een ‘attitude’ heeft. Boos weglopend steekt ze even haar achterwerk bevallig omhoog: m’n reet! Verontwaardiging. Wat een madam!

Een ‘interetnisch’ incident is het gelukkig niet: de ruziemakers zijn allebei zwart. Dat dreigt pas als een medewerker van Arabische (?) origine humeurig kenbaar maakt dat de nabeschouwing lang genoeg heeft geduurd: ‘Er zitten mensen te wachten!’ Dat laat een autochtone collega weer niet op zich zitten: ‘Een beetje de baas spelen hier, kom nou!’

Onbedwingbaar moest ik aan Robert ‘Bowling Alone’ Putnam denken, de Amerikaanse politicoloog die al jaren de lof der diversiteit zingt, alhoewel sinds enige tijd een toontje lager. Allengs is uit zijn onderzoek immers gebleken dat diversiteit het ‘sociale kapitaal’ ondermijnt en solidariteit, onderling vertrouwen, vrijwilligerswerk en het verenigingsleven uitholt.

Voorjaar 2004 was Putnam te gast bij de Wiardi Beckman Stichting in Amsterdam voor wat een discussie over een nieuw progressief dilemma moest worden: hoe solidariteit te handhaven in een diverse samenleving. Het werd uiteindelijk: ‘Individualisme en solidariteit in 21ste-eeuwse samenlevingen’. Putnam was als de dood voor misbruik van zijn voor diversiteit – lees: multiculturalisme – ongunstige bevindingen en dreigde zelfs weg te blijven.

Het werd een soms ongemakkelijke bijeenkomst, die inzichtelijk maakte waarom niet álle Amerikaanse sociale wetenschappers een hoge dunk van Putnam hebben. Zonneklaar was ook dat hij van Europese immigratie- en integratieperikelen weinig kaas had gegeten. Wouter Bos toonde zich in zijn afsluitende opmerkingen heel wat zakelijker en sceptischer over de zegeningen van ‘diversiteit’ dan de gevierde gastspreker.

Vorige week publiceerde NRC Handelsblad Putnams bijgestelde gospel ‘De prijs van immigratie: door grote verschillen kruipen mensen in hun schulp’ (de volksversie van E Pluribus Unum: Diversity and Community in the Twenty-first Century). Putnam houdt zijn onderzoeksresultaten niet langer onder de pet, maar blijft zijn oude posities verdedigen.

Diversiteit, aldus Putnam, is onvermijdelijk door de toenemende immigratie, maar is ook een belangrijk pluspunt. Bewijsstuk 1: Onze eetgewoonten worden erdoor verrijkt. Wijlen mr. G.B.J. vond deze claim terecht al zwaar overtrokken. Bewijsstuk 2: Immigratie/diversiteit vergroot de creativiteit. ‘Zo zijn er onder de Nobelprijswinnaars, leden van de National Academy of Science en regisseurs die een Oscar hebben gewonnen, drie tot vier keer zo veel immigranten als in Amerika geboren Amerikanen.’ Klinkt goed, maar het is de wereld op haar kop. Die prijsdieren kregen immers toegang tot de VS vanwege hun aantoonbare artistiek of wetenschappelijk talent en ontplooiden zich al, veelal in weinig diverse Europese natiestaten, vóór zij in het beloofde land arriveerden.

Ook Putnams andere bewijsstukken missen overtuigingskracht. 3: Immigratie verhoogt het nationaal inkomen. Zolang niet elke immigrant in de bijstand belandt, klopt dat inderdaad. Maar geldt dat ook voor het inkomen per hoofd van de bevolking? In Nederland beslist niet. 4: Immigratie helpt ‘een aantal problemen van vergrijzing’ op te lossen. Een genuanceerde uitspraak waar je veel kanten mee op kunt. Het is in ieder geval andere koek dan het vaak gedebiteerde: immigratie lost de vergrijzingsproblematiek op – wat aantoonbaar onjuist is.

Ten slotte 5: Immigratie leidt tot inkomensoverdrachten naar (arme) geboortelanden die bij elkaar groter en effectiever zijn dan alle ontwikkelingshulp tezamen. Dit is een belangrijk punt, maar voor ontvangende landen amper reden om, los van economische noodzaak, grootschalige immigratie toe te staan die een aanslag doet op hun sociale kapitaal, de samenhang van hun samenleving.

Want dat staat voor Putnam inmiddels wel vast: hoe diverser gemeenschappen worden, des te meer misdaad en economische ongelijkheid zij bijvoorbeeld kennen. Logisch dus dat veel Amerikanen – en Europeanen – zich niet op hun gemak voelen met diversiteit en zich als het even kan terugtrekken op de eigen groep. Soort zoekt soort – ook in Nederland aan de orde van de dag.

Hoop ontleent Putnam uiteindelijk aan drie zaken: de kleurenblindheid van het huidige Amerikaanse leger, de mate van integratie in Amerika’s evangelische megakerken en het thans gangbare gemengd huwen binnen de oude (Europese) immigrantenpopulatie, ooit ook water en vuur.

Het is nuttig dat Putnam ons vaak somberende Europeanen met de neus op deze immense verworvenheden drukt. Maar het roept tegelijk de vraag op of die voor de – afwijkende – Europese immigratie-ervaring enige geldigheid hebben. Zelfs als dat zo is, zal het menselijkerwijs nog bijna een eeuw duren aleer we Amerika’s prestaties ook de onze kunnen noemen.

Meer over