De prijs van de overmoed

Een terugkeer naar de tijd van vóór George W. Bush is voor de VS niet mogelijk. Andere machten komen op, oude rivaliteiten worden opnieuw zichtbaar....

Paul Brill

George W. Bush heeft nog een half jaar te gaan in het Witte Huis, maar de autopsie van zijn achtjarige ambtsperiode is al in volle gang. Merendeels gebeurt dat met een nauwelijks verhulde opluchting, want met hem als hoofdbewoner heeft het Witte Huis velen van zich vervreemd en alom heerst de verwachting dat de wereld er met zijn opvolger – ongeacht of hij Barack Obama of John McCain heet – hoe dan ook op vooruit zal gaan.

Maar kan de Amerikaanse macht weer in volle glorie worden hersteld? Kan Obama of McCain simpelweg terugkeren naar het pad dat Bush – en dan vooral de unilateraal opererende Bush van de eerste ambtsperiode – zo bruusk heeft verlaten?

Nee, zegt Fareed Zakaria in zijn nieuwe boek The Post-American World, waarvan zojuist een Nederlandse vertaling is verschenen.

Nee, zegt Robert Kagan in The Return of History and the End of Dreams, een tot een boek uitgegroeid essay, dat inmiddels ook een Nederlandse vertaling heeft gekregen.

Twee nee’s, twee boeken met pakkende titels, twee Amerikaanse publicisten van formaat – maar daarmee houdt de overeenkomst op. Want de wereld die Zakaria schetst, heeft een totaal andere kleur dan die van Kagan. Waar de eerste vooral uitdagingen ziet voor de nieuwe president, voorspelt de laatste hernieuwde spanningen en conflicten.

Beide analyses zitten goed in elkaar en zijn interessant, maar die van Kagan is de meest verrassende. Niet in de laatste plaats vanwege zijn persoonlijke achtergrond. Hij is vele jaren beschouwd als een prominent denker in het neoconservatieve circuit en heeft vooral naam gemaakt met zijn in 2002 gelanceerde metafoor dat de Amerikanen van Mars komen en de Europeanen van Venus. Een metafoor waarmee hij wilde aangeven dat de Verenigde Staten en Europa geleidelijk uit elkaar waren gegroeid: terwijl in Washington nog altijd het klassieke machtsdenken prevaleerde, waanden de Europese beleidsmakers zich op de drempel van ‘een post-historisch paradijs van vrede en welvaart’, waarin alle problemen zouden kunnen worden opgelost door transnationaal overleg, resulterend in een toestand die het door Immanuel Kant geschilderde ideaal van ‘eeuwig durende vrede’ benadert.

Dit Europese wensdenken wordt door Kagan ook in zijn nieuwe boek bejegend met de nodige scepsis, om niet te zeggen: meewarigheid. Maar opvallender is nog dat hij in feite erkent dat ook de neoconservatieven zich hebben laten leiden door een overmaat aan optimisme. Zij waren het immers die na de val van de Berlijnse Muur en de ontbinding van het Sovjet-rijk de wereldwijde triomf van de liberale democratie zagen gloren. De loop der geschiedenis had de VS in een unieke positie gebracht: geen andere grote mogendheid kon tippen aan de Amerikaanse militaire, economische en politieke macht. Er was een unipolair wereldbestel ontstaan. Daarvan diende Washington optimaal gebruik te maken. Nu was het moment om resterende tirannen de wacht aan te zeggen en een offensieve strategie uit te stippelen voor de verbreiding van vrijheid en democratie. Had Benjamin Franklin immers niet al verkondigd dat ‘het streven van Amerika het streven van de gehele mensheid’ is?

Maar aan het einde van een presidentschap dat bij uitstek in het teken van deze filosofie stond, moet worden vastgesteld dat het een illusie was te menen dat de wereld een metamorfose had ondergaan en dat een ‘nieuwe wereldorde’ voor het grijpen was, zoals George Bush senior na de eerste Golfoorlog opperde. De VS hebben zich vertild aan hun democratiseringsmissie en hebben een forse prijs betaald voor hun solisme. Rusland is uit het economisch dal gekropen, China maakt een spectaculaire groei door, maar de gehoopte democratisering is in beide landen uitgebleven. In Rusland is een nieuw tsarisme tot ontwikkeling gekomen, de Chinese leiders willen koste wat kost voorkomen dat de hegemonie van de communistische partij in gevaar komt. Beide mogendheden streven naar vergroting van hun invloed in de wereld, waardoor de aloude rivaliteit tussen grote mogendheden weer de kop opsteekt. Een rivaliteit die ten dele samenvalt met een andere welbekende confrontatie: tussen liberalisme en autocratie. Daarnaast is er de botsing tussen de radicale moslims en de seculiere krachten die in hun ogen de islam bezoedelen.

Kortom: in plaats van een nieuwe 21ste eeuwse orde hebben we een constellatie gekregen die in veel opzichten doet denken aan de 19de eeuw. ‘De wereld is niet getransformeerd. Op de meeste plaatsen is de natiestaat nog even sterk als hij altijd geweest is, en hetzelfde geldt voor de nationalistische ambities, de driften en de rivaliteit tussen de naties die de geschiedenis altijd hebben vormgegeven’, aldus Kagan.

Het is een boodschap die al in de titel van zijn boek ligt opgesloten. De wereld heeft niet het ‘einde van de geschiedenis’ beleefd, zoals Francis Fukuyama begin jaren negentig profeteerde (een einde in Hegeliaanse zin: geen serieuze ideologische krachtmeting meer), maar integendeel: de geschiedenis, en dan met name de tegenstelling tussen liberalisme en autocratie, is helemaal terug van weggeweest. In deze reprise van de geschiedenis zullen de democratische krachten het alleen redden als ze hun onderlinge geschillen bijleggen en de wil tonen om vijandige ideologieën met kracht te weerstaan.

Een zwakte van Kagans analyse is dat economische processen er nauwelijks in voorkomen. De term globalisering valt zelden. Hoe anders is dat bij Zakaria, die de economische vervlechting en de opkomst van landen als China, India en Brazilië juist ziet als kernelementen van zijn ‘post-Amerikaanse wereld’.

Daarbij beperkt hij zich niet tot de bekende, imponerende groeicijfers. Zakaria strooit lustig met saillante statistieken, en hoewel je nooit de aan Benjamin Disraeli toegeschreven classificatie van leugens mag vergeten (‘leugens, grove leugens en statistieken’), zijn ze hier wel zeer aanstekelijk. Nog niet zo lang geleden stond de overtreffende trap bijna altijd in de VS. Die tijd is voorbij. Het hoogste gebouw ter wereld staat in Taipei, de rijkste man is een Mexicaan, de grootste olieraffinaderij wordt gebouwd in India, het grootste winkelcentrum staat in Peking, de omzet van Bollywood overtreft die van Hollywood, de Verenigde Arabische Emiraten herbergen het beleggingsfonds dat kan bogen op het meeste kapitaal.

Het zou verkeerd zijn dit alles op te vatten als bewijs van een Amerikaanse terugval, zegt Zakaria. Wat veeleer gaande is, is de rise of the rest, de opmars van de overigen. Een opmars die in belangrijke mate is te danken aan het feit dat de succesvolle groeiers de door de VS aanbevolen economische recepten hebben gevolgd.

De Amerikanen hebben dus in zekere zin de wereld gekregen die ze nastreefden. En in die wereld zullen ze naar het oordeel van Zakaria nog geruime tijd een leidende rol (moeten) spelen, want de gecombineerde politieke, militaire en economische macht van de VS blijft voorlopig ongeëvenaard (daarom is de titel van de Nederlandse vertaling, De wereld na Amerika, eigenlijk niet helemaal correct). Maar om die leidende rol met succes te kunnen vervullen, zal Washington veel meer diplomatieke finesse aan de dag moeten leggen, zal het moeten accepteren – of althans begrijpen – dat economische en politieke liberalisering niet noodzakelijkerwijs hand in hand gaan en dat er vormen van moderniteit ontstaan die afwijken van het proces van verwestersing die in het verleden praktisch synoniem was met modernisering.

Misschien omdat hij zelf van geboorte Indiër is, toont Zakaria zich gevoelig voor de frustraties die buiten de westerse wereld leven over het gemak waarmee Amerikanen (en in dit geval ook Europeanen) hun eigen visie op geschiedenis en moraal tot de maat der dingen uitroepen. Het Westen zou de opkomende landen meer nationalistische trots moeten gunnen, zelfs als daarmee fouten en tekortkomingen worden gemaskeerd. Ter illustratie roept Zakaria de reactie van Mahatma Gandhi in herinnering toen Lord Mountbatten, de laatste onderkoning van India, hem voorhield dat een onverwijld vertrek van de Britten tot chaos zou leiden. Jawel, antwoordde Gandhi, ‘maar dan wordt het wel ónze chaos’.

In zijn begrip voor de ‘andere visie’ schiet Zakaria ook wel eens door. Zo citeert hij met instemming een Chinese functionaris die de westerse kritiek op Pekings onverminderde steun aan de Soedanese regering – mede vanwege de oliebelangen – afdeed als hypocrisie, omdat deze niet wezenlijk zou verschillen van ‘jullie steun aan een middeleeuwse monarchie in Saoedi-Arabië’. In beginsel is het verschil natuurlijk niet zo groot. Maar de vraag is of het Westen het Saoedische koningshuis nog steeds de hand boven het hoofd zou houden als het in een afgelegen provincie op grote schaal dood en verderf zou zaaien en vervolgens elke internationale poging tot pacificatie zou torpederen. In dat geval zouden in elk geval de straten van New York, Londen en Parijs vollopen met demonstranten.

Dit voorbeeld wil niet zeggen dat Zakaria iemand is die steeds zoete broodjes wil bakken. Daarvoor is deze Newsweek-commentator – die in eerste aanleg voorstander was van de militaire interventie in Irak – toch te veel Amerikaan geworden.

Die Amerikaanse identiteit manifesteert zich ook in het optimisme waarvan dit boek is doortrokken. Want ondanks de soms scherpe kritiek op de sfeer van angst en de zelfgenoegzaamheid die onder de regering-Bush bezit heeft genomen van het land, is Zakaria ervan overtuigd dat de VS nog altijd over het vernuft en de vitaliteit beschikken om ook in de ‘post-Amerikaanse wereld’ de rol van ‘onmisbare mogendheid’ (de term is van Madeleine Albright) te spelen. Vooral als in Washington het besef doordringt dat de bedreigingen per saldo niet zo ernstig zijn als de afgelopen jaren is voorgesteld. Alle uitingen van anti-Amerikanisme ten spijt heeft Al Qaida niet het hart van de islamitische wereld veroverd. China hanteert een concept van machtsuitoefening dat voor de VS goed te begrijpen en te volgen is. Een opkomende mogendheid als India wordt gekenmerkt door een mate van openheid die grote gelijkenis vertoont met het Amerikaanse klimaat. De overheersende trend in Latijns-Amerika is het gematigd linkse pro-marktbeleid van Brazilië en Chili, niet het donderpreek-socialisme van Hugo Chávez.

Het is een zonnige voorstelling van zaken waarbij het goed toeven is. Maar ze kan de sceptische scenario’s van Kagan toch niet helemaal doen vergeten. De Italiaanse marxist Antonio Gramsci plaatste ooit het optimisme van de wil tegenover het pessimisme van het verstand. Het lijkt raadzaam om bij het inkleuren van het wereldbeeld zowel de wil als het verstand te laten spreken. Een devies dat in de context van de Amerikaanse actualiteit een extra lading krijgt – want Kagan is een incidentele raadgever van McCain en Obama is gespot met het boek van Zakaria onder zijn arm.

Meer over