DE POEZIE VAN HET MIDDENVELD

Nico Scheepmaker kon het: gedichten schrijven over voetballen en voetballers. Altijd sonnetten in mijn herinnering, want hij kon alleen werken in streng gebonden vormen, die spelregels van de poëzie....

Of de beoefenaren van het voetbalspel zelf zijn poëzie lazen? Ik denk van niet. In 1972 verscheen als nieuwjaarsgeschenk van Thomas Rap Elf gedichten voor Piet Keizer. Ik meen me te herinneren dat Keizer de elf oden nooit heeft gelezen. Misschien heeft hij dat bundeltje wel als iets opdringerigs beschouwd, een gevoel dat gauw ontstaat wanneer je iets overdreven vindt. Voetballers vinden voetballen veel gewoner dan de lyrici langs de lijn. Liederen in het stadion, natuurlijk, een musical in Heerenveen misschien, maar geen intellectueel gedoe. Dat is voor de hoger opgeleide supporters onder elkaar.

Lezen voetballers Jan Mulder? Lezen ze het tijdschrift Hard gras, waarin zo vaak zo mooi over voetbal en voetballers wordt geschreven? Leest Ed de Goey, de keeper van Feyenoord, het naar hem genoemde gedicht, geschreven door Henk Spaan, onder meer redacteur van Hard gras?

De keeper die doet denken aan

Dingen die betrouwbaar zijn.

Aan een ouderwetse regelmaat

Van 's zaterdags de auto wassen

Voor de deur op straat.

Aan sparen in een boekje

Aan koffie met een koekje

Aan trouwen in het wit

Aan oma die nog bidt

Aan 's morgens naar je werk

Aan 's zondags naar de kerk

Aan 't legen van de vuilnisbak

Een leven dat vanzelf sprak.

Het lijkt haast een liedje - het tempo versnelt zich in de derde strofe met die dicht op elkaar staande rijmwoorden. Ik vind het een mooi gedicht. Maar na die vaststelling beginnen voor mij moeilijkheden die ik zelden of nooit bij het lezen van een gedicht heb gehad.

Spaan roept voetballers op in beelden of associaties (heel mooi bij Peter Hoekstra die de lentebeleving opwekt). De reeks beelden of associaties waarin De Goey gestalte krijgt en die hem zullen moeten prijzen, hebben bij mij het omgekeerde effect. Mijn verhouding met deze keeper is toch al niet van de opwindendste soort (die met Van der Sar al evenmin).

Ik kijk nu naar buiten, het is half vijf en het laatste licht hangt heel grijs over bijna kale bomen. De saaiheid daalt over alles neer. Het is De Goey-weer, een beetje jaren-vijftig-weer. Bijna elke 'vergelijking' van Spaan maakt voor mij De Goey nog grijzer en kleurlozer. Door de aard van de beelden bereikt, bij mij dan, de dichter het omgekeerde van het beoogde. Ik heb me nog zelden op een hekel aan vergelijkingen betrapt, tenzij ze literair slecht zijn. Dat zijn deze niet. Ik heb een beetje een hekel aan de wereld die ze oproepen. En krijg dus een beetje een hekel aan De Goey, en dat wil ik niet, want ik heb er geen reden voor.

Hetzelfde gebeurde bij het gedicht 'Ronald de Boer', ook geen stralend middelpunt uit mijn leven. Het vers is weer een mooi voorbeeld van het soort dat Spaan schrijft: die van het middenveld; geen hoogstandjes voor het literaire doel, geen onderuithalen van de poëzie zelf, maar gewone poëzie in klinkklaar Nederlands. Zeer Nederlandse poëzie. 'Het geheim van het gewone' is dan ook de eerste regel van 'Ronald de Boer'. En dan volgen er drie strofen vol gewone dagelijkse handelingen. Dit zijn er twee:

Aardappels schillen

Mens-erger-je-nieten

De asbakken legen

De planten begieten

De tafel afruimen

De hond zal hij aaien

Een biertje bestellen

Het gras gaat hij maaien.

De tweede regel uit de tweede strofe is natuurlijk de aardigste. En tot al dat gewone (maar o zo vervelende) is ook, blijkens de laatste strofe, het voetballen terug te brengen: 'Een doelpuntje maken.' Ook hier krijg ik het verkeerde gelijk van de dichter.

Spaan houdt van het gewone; zijn voetballers moeten, denk ik, op zijn poëzie lijken en dus op zijn wereldbeeld. 'Edwin van der Sar' levert het zoveelste bewijs:

Schatbewaarder van het doelgebied

Kluisbeheerder van zijn lijn

Hem is de noodzaak van 't gewone

Voor glamour moet je elders zijn.

Over Bergkamp schreef Spaan helaas geen gedicht. Misschien moeten we een van de vele witte bladzijden in de bundel aan hem toedichten, want Bergkamp spreekt stemloos. Ik zocht - en dat is het effect van deze gedichten - naar associaties, maar kon die niet vinden.

Er staan 23 gedichten in de bundel, De zoon van Cruyff en andere gedichten. Dat zijn twee elftallen en de godenzoon Jordi Cruyff, die niet benoemd wordt, maar gestalte krijgt in Rembrandt's zoon Titus. De beste strofe uit de hele bundel is de eerste van 'De bekerfinale van Johan Steur'; het beschrijft Volendam voor het voetbal er het hemels licht bracht:

Kras, Platvoet, Vlak,

Kwakman, Karregat

Namen als nachtsloten

Op een dichte wereld

Gevonden goud voor Bordewijk

Dat donkere Volendam

De Dijk.

Ik denk dat of 'De Goey' of 'Ronald de Boer' in een bloemlezing komt. Ze blijven de beste, al heb ik er alles tegen. Maar Spaan moet houden van de vreugde van de grijsheid, het einde van de jaren vijftig, begin jaren zestig. En dan nog misschien van de grijsheid van die grijze tuinstad Amsterdam-Slotermeer. Het kind is de vader van de dichter. De Boer, die begin twintig is, geloof ik, moet in de jaren vijftig zijn geboren.

Ik hoop dat voetballers de bundel lezen. En vooral dat ze hopen op hun eigen portret. Misschien houdt Spaan nog meer van voetballers dan van voetbal zelf. Helden zijn het, bijna. Ik wilde, dat Spaan eens een tragische bundel maakte: Menzo, Meijer, Van Loen, Vanenburg - voor mijn part 23 reserve-gedichten. Donkergrijs. Wanhopig.

Meer over