De plek des onheils

Nog 20 kilometer en de Tour de France 2012 zou beginnen aan het echte werk. En toen ging het mis op een plek waar het eigenlijk niet mis kon gaan.

De D12 is een heldere lijn door onbestemd landschap. Eerst glooit het asfalt naar beneden, halverwege is het vlak en daarna gaat het weer net zo geruisloos omhoog. Aan de rechterkant golft het bos van Gorze mee.

Met de ogen dicht zou je hier een flinke dot gas kunnen geven en dat laatste doen de automobilisten ook op deze miezerige maandagmorgen in december. De verslaggever heeft zijn auto op een landweggetje geparkeerd voor een nauwkeurige inspectie van dit stukje D12 en zijn aangrenzende greppels.

Nog geen half jaar geleden werd deze kaarsrechte weg zomaar een plek des onheils. Deze akkers, deze greppels, dit asfalt: samen vormen ze een schuldig landschap. Ze zijn, in de definitie van kunstenaar Armando, een blijvende herinnering aan rampspoed.

Op 6 juli 2012 kwam de Tour de France hier piepend, krakend en schreeuwend tot stilstand. Een suizend raderwerk veranderde plotsklaps in een opeenhoping van fietsen en lichamen.

Eén wielrenner bleef voor dood achter in de greppel. Dat was Wout Poels, de kopman van Vacansoleil. De collega's Robert Gesink en Bauke Mollema hadden kostbare minuten nodig om zichzelf bij elkaar te rapen en hun tocht te vervolgen. Het tweekoppige monster van Rabobank zou die achterstand nooit meer goed maken.

De speurtocht naar de plek des onheils levert voornamelijk uitgeknepen bierblikjes op, weggegooid door automobilisten in hun ongelooflijke haast. Geen verweesde bidons, geen bloed op het asfalt. Wat een rugnummer kon zijn, blijkt verpakkingspapier. Bienvenue en Moselle staat in vrolijke letters op een bord geschreven. Hé, dat is een aanwijzing.

In de Franse kranten stond destijds dat het peloton die vrijdagmiddag net de grens van dat departement bereikt. Vanaf het bord was het nog ruim 20 kilometer naar finishplaats Metz.

Nog eventjes en de eerste week van de Tour zat er op. Kopmannen en kanshebbers zouden in Metz een zucht van opluchting kunnen slaken.

De eerste week is een berucht begrip in de Ronde van Frankrijk. De koers is nerveus en jachtig. Iedereen wil vooraan zitten om dat fatale moment van onoplettendheid achter zich te weten. In de eerste week kun je de Tour niet winnen, maar wel verliezen - op de sneuste manier denkbaar.

De volgende dag zou de zevende etappe bergop eindigen en was het kaf definitief van het koren gescheiden. Dan kon onze sportzomer echt beginnen.

Zelfs voor een eerste week was het deze Tour behoorlijk heftig geweest. Elke dag werd er gevallen en hard ook. Vooral de rit naar Boulogne-sur-Mer, over glibberige slingerweggetjes, was tamelijk rampzalig verlopen.

De Raboploeg had Maarten Tjallingii al moeten achterlaten met een gebroken heup en eerder die vrijdag was Maarten Wynants ook al noodlottig ten val gekomen. Maar goed, de kopmannen waren heel, nog goed van zin en keurig op schema.

Toch waren ze bij Rabo er allerminst gerust op, zegt Laurens ten Dam. Daarvoor ging er die zesde rit te veel mis.

Zelf was Ten Dam al twee keer onderuit gegaan. Hij had net weer aansluiting gevonden bij het peloton toen er linksaf werd geslagen bij het gehucht Les Barraques. Daar loopt de D12 nog lichtjes omhoog om vervolgens een lange streep naar de horizon te worden. De eerste renners konden de beroemde kerktoren van Gorze al ontwaren. Laurens ten Dam had op dat moment vooral met zichzelf te doen. Maar dat zou spoedig veranderen.

Een auto stopt ter hoogte van de afslag naar Labauville dat, rechts van de D12, bestaat uit vijf krotten en een blaffende hond. De bestuurder wenkt. Hij heet Bert Rutten.

Rutten zag de kentekenplaat van de auto op dat landweggetje en vindt het wel leuk om even Nederlands te praten. Behalve werkzaam in een houtbedrijf is Bert Rutten ereconsul van België. Hij overhandigt een vorstelijk visitekaartje.

De verslaggever vraagt de ereconsul naar de plek des onheils. Het graan dat de valpartij omringde, wuift niet meer. En het verkeersbord dat op de tv-beelden nog waarschuwde voor een overstekend hert, is verdwenen.

Het lijkt wel of de D12 zijn plek des onheils verdonkeremaant. Nergens een kruis of zelfs maar een bosje verwelkte bloemen als herinnering aan de gevallenen.

Het gebeurde rond half vijf die vrijdagmiddag. Een kopgroep was bijna achterhaald en de eerste voorbereidingen werden getroffen voor wat voorlopig de laatste massasprint zou zijn. In volle vaart ging het de heuvel af, Ten Dam denkt dat de snelheid op 70 kilometer per uur lag.

Het peloton reed schouder aan de schouder over de volle breedte van de D12. Dat lijkt onverantwoord met zo'n hoge snelheid, maar de weg was recht. Wat kon er misgaan?

Zelf was Bert Rutten die dag bij de finish in Metz. Op een groot scherm zag hij het peloton in scherven vallen. Een half uurtje later voltooide Peter Sagan de zesde rit van de Tour de France 2012 als winnaar. Daarna druppelden de gevallenen binnen. Ruttens landgenoot Johan Vansummeren was de laatste, op ruim een kwartier van de winnaar. Zijn shirt hing aan stukken, zijn verwondingen waren pijnlijk zichtbaar.

De volgende dag ging Bert Rutten kijken naar waar het nu precies was misgegaan. Dat was voorbij de afslag naar Labauville, waar de weg ophoudt met zachtjes dalen. Hij vond een bidon in de greppel en zag bloed op het asfalt. Twee weken later hebben ze het wegdek vernieuwd.

De tweets van toen laten zich nu lezen als een vorm van oral history. Slagveld is een veel gebruikt woord. Ook in de verslaggeving is dat een vaak voorkomende beeldspraak.

Komt natuurlijk door die greppels waarin de slachtoffers lagen. Er was niet veel historisch besef voor nodig om een verband te leggen met de loopgraven van Eerste Wereldoorlog. Een kleine eeuw geleden woedde in dit niemandsland de Slag van Verdun.

Zo vaak wordt er ook niet zo massaal gevallen in het wielrennen. Op gevaarlijke punten in het parcours zijn coureurs wel alert en in het gedrang van een eindsprint hebben de kanslozen al wat afstand genomen. Nu was niemand bedacht op een valpartij.

Verbijstering sprak dan ook uit de ogen van Johnny Hoogerland toen hij zijn fiets die vrijdagmiddag in Metz tegen de ploegbus parkeerde. Zijn eerste woorden: 'Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.' Hoogerland reed voorin het peloton toen hij in het plotse gedrang een zwieper met zijn fiets maakte en zijn achterband klapte. 'Toen ik me omdraaide om een nieuw wiel te vragen, zag ik wat er was gebeurd. Overal lagen renners. Op de weg, in de greppel. '

Het begon allemaal met de overschoentjes van de Italiaan Alessandro Petacchi. Overschoentjes zijn een soort etui die over wielerschoenen wordt geschoven om voeten warm te houden. Petacchi moest als sprinter in Metz aan de slag en dat kan niet met overschoentjes.

Hij had zich er onderweg van verlost en de overschoentjes in handen gedrukt van zijn knecht Davide Vigano die ze in de achter zakken van zijn shirt moest opbergen. Met één hand aan het stuur probeerde Vigano de etuis in zijn shirt te proppen.

Vervolgens kon hij niet hard genoeg remmen om een naderend achterwiel te ontwijken. Met een snelheid van 70 kilometer per uur stortte het kaartenhuis in elkaar.

Bauke Mollema, die als een van de eersten onderuit ging, vertelde aan de finish dat hij zich zo klein mogelijk had gemaakt om de klappen op te vangen, Dat waren veel klappen geweest.

Terwijl zijn kopman slechts zevende werd in de eindsprint belandde Davide Vigano in het ziekenhuis. Zijn naam prijkt op een lange lijst van slachtoffers. De Amerikaanse ploeg Garmin raakte ter plekke drie renners kwijt, onder wie kopman Tyler Hejsedal.

Drie andere outsiders kwamen op ruim twee minuten achterstand binnen. Twee van hen, Pierre Rolland en Alejandro Valverde, zouden daarna nog een rit winnen.

De derde, Fränk Schleck, werd op de rustdag in Pau uit koers gehaald op beschuldiging van doping. In hun gezelschap bevond zich ook Bauke Mollema. Zijn koersbroek bestond slechts uit flarden.

Robert Gesink inspecteerde in Metz zijn lijf op de plekken waar het pijn deed. Dat waren veel plekken.

Gesink verloor drieënhalve minuut. Steven Kruijswijk, die vooraf de rol van joker was toebedeeld, arriveerde in zijn kielzog. Kruijswijk moest vanwege een pijnlijke heup van zijn fiets en in de bus worden geholpen.

Toen het allemaal mis ging, zat Laurens ten Dam nog zover achterin het peloton dat hij tijdig in de remmen kon knijpen. Een half jaar later herinnert hij nog altijd het gekerm. 'En Woutje natuurlijk.'

Op tv-beelden vanuit de helikopter is Wout Poels goed te herkennen. Met zijn lange lijf ligt hij in de berm, één been opgetrokken, de ander gestrekt. Hij lijkt plotseling in een diepe slaap te zijn gevallen. In het ziekenhuis worden een breuk in zijn linkernier, een gescheurde milt, gekneusde longen en drie gebroken ribben vastgesteld.

Zijn toekomst als wielrenner heeft lang aan een zijden draadje gehangen. De eerste dagen lag Poels op de intensive care in Nancy en vervolgens nog twee weken in een ziekenhuis in Venlo. Zijn ene nier heeft een kwart aan capaciteit ingeboet. Maar Wout Poels kan opgelucht vaststellen dat zoiets geen beletsel is om hard te fietsen.

De laatste dagen voor Kerstmis brengt Poels door in het hooggebergte van Spanje waar hij met twee ploeggenoten voluit traint. 'Ik kan zelfs alweer stukken op kop rijden.' Wout Poels kijkt dan ook vol vertrouwen uit naar de wielerwedstrijden in het voorjaar.

Voor Robert Gesink en Bauke Mollema eindigde de Tour de France een kleine week na de crash op de D12. De volgende dag moesten ze al meteen lossen in de beklimming van de Planche des Belles Filles. Daarna werd het alleen maar moeizamer.

Mollema gaf er de brui aan halverwege de koninginnerit in de Alpen. Gesink deed het na afloop. Voor de zoveelste keer eindigt zijn Tour bont en blauw en voortijdig.

De verslaggever staat op de D12. In de verte wenkt de kerkklok van Gorze. Hij probeert zich voor te stellen wat er van de Tour was geworden als iedereen zonder kleerscheuren Metz had bereikt. Laurens ten Dam zal later zeggen dat zoiets onzinnig is, je dat voor te stellen.

undefined

Meer over