De pijp uit door vertraging

IN DE BUNDEL waarmee Erik Menkveld als dichter debuteert, De karpersimulator, gebeuren vreemde dingen...

Tijdens een maaltijd staat vanillevla opeens in bloei, terwijl meubels in een idyllisch bos veranderen en de vrouw des huizes een dartele nimf wordt. In bed blijkt kniehoog gras te staan: een paradijselijk liefdesnest of een graf?

Elders worden publiek en musici zo meegesleept door een uitvoering van Réveil des oiseaux van Olivier Messiaen, dat er geen houden meer aan is: 'Abonnementhouders/ klimmen op hun stoelen. Kledingstukken/ en programmaboekjes vliegen in het rond.' Sterker nog:

De Steinway getranssubstantieerd

in een jacquetbestaarte Pelikaan

verheft zijn lijfje krachtig van de aarde.

In beide gevallen lijkt er sprake te zijn van bovennatuurlijke, ja goddelijke ingrepen in omgevingen waar je dat niet direct zou verwachten. De pelikaan is in de christelijke iconografie immers niemand minder dan Gods Zoon. Omgekeerd ontbreekt het sacrale op plaatsen waar het traditioneel thuishoort. De werkster die de kathedraal schoonhoudt, beklaagt zich over een overijverige, misschien zelfs ongewenst intieme kerkvoogd:

Ik moest alleen nog zuigen

onder het hoogaltaar. Komt hij

binnen in vol ornaat:

kaarsje branden prima

maar niet tijdens het werk.

Verbeelding is in Menkvelds bundel het sleutelwoord. Met opmerkelijke empathie verplaatst hij zich in de meest uiteenlopende personen, dieren en voorwerpen. De herinnering aan een dertig jaar geleden waargenomen boxer doet de dichter opmerken dat hij gemakkelijk dat dier had kunnen zijn, en niet alleen hem, maar ook een kleed, clubfauteuil of teakhouten buffet.

Menkveld weet zich zo goed in te leven in een strand, de geliefkoosde biotoop van wellustig bronzende schoonheden, dat ook de lezer zich bijna brandend zand begint te voelen:

Wat moet het verrukken, zulke

maten zich met overgave in je

af te voelen drukken. Daarvoor

zal het graag zijn opgespoten.

Dat het hier niet een natuurlijk, maar een kunstmatig strand betreft, is niet onbelangrijk. Voor Menkveld is verbeelding namelijk geen toevallige gave die het van vage stemmingen moet hebben, maar een door de wil gestuurde handeling die behendigheid en precisie vereist (het woord 'nauwgezet' komt enkele malen voor). Je in een strand inleven lukt alleen als je 'aan zeer bepaald/ maar willekeurig zand' denkt. Daarbij levert de verbeelding pas iets op als je je concentreert op momenten of details die de potentie in zich hebben iets interessants te worden.

De nog ongerealiseerde mogelijkheden zijn zelfs belangwekkender dan het uiteindelijke resultaat. Zo vestigt Menkveld onze aandacht op 'alle lucht die Coltrane/ ooit heeft ingeademd', en kruipt hij in de huid van een nog niet ontdekte wetenschap. Het meest boeiende moment van een hoorspel is de scène waarin de acteur zwijgend rode tulpen in een blauwe vaas zet, omdat deze handeling juist door zijn concrete afwezigheid een maximaal beroep op de verbeelding van de toehoorder en lezer doet. Ook komen in deze bundel veel vissen voor, bij uitstek een diersoort waarmee men niet gemakkelijk contact maakt: we moeten maar raden wat er in deze wezens omgaat.

Anderzijds blijken voltooide kunstwerken vaak een vrij banale aanleiding te hebben gehad. Het motet Nuper rosarum flores van Guillaume Dufay, muziek van een haast mathematische sereniteit, is volgens de architect Brunelleschi niets meer dan 'afgekeken lucht/ van een kale Kamerijkse klootzak', en het heftige strijkkwartet Intieme brieven van Janácek doet de muze van de componist verbaasd opmerken: 'Wat zal er niet geweest zijn/ tussen ons! Wat een vrouw/ moet ik zijn'

Erik Menkveld beziet de wereld met een frisse onbevangenheid. Waarnemingen dienen scherp te zijn en wat je erover zegt mag in geen geval door de erosie van de herhaling betekenisloos worden:

zoals iets voor de vierde keer gezegd

weer in dezelfde woorden schiet

maar daar niet meer te vinden is

zo ligt de polder in zijn aanblik

voor wie dagelijks door hem fietst.

Het resultaat van Menkvelds ongewone kijk is een boek vol situaties die meestal net niet raar genoeg zijn om ze absurd te noemen. De fantasieën worden gestoffeerd met op het eerste gezicht tamelijk irrelevante details die deze poëzie op haar beste momenten verschrikkelijk grappig maken.

Dit brengt het gevaar met zich mee dat het verrassende effect waarvan de meeste gedichten het moeten hebben, bij herlezing enigszins wordt afgestompt.

Maar een gedicht als het volgende blijft leuk, ook na drie keer lezen:

Bijna alle Zuidoost-Aziatische vissen

kapot doordat we dagen

vertraging opliepen.

Veertig tot zestig procent

van de exotische edelzangers

de pijp uit voor we de haven

verlieten. En ook nog eens

de onderste laag zeldzame

hagedissen in onze overvolle

hutkoffers tot moes gedrukt.

Het enige commentaar van de kapi tein:

de kolen waren niet op,

de kolen waren ziek. . .

Piet Gerbrandy

Erik Menkveld: De karpersimulator. Gedichten.

De Bezige Bij; 48 pagina's; ¿ 32,50.

ISBN 90 234 4771 9.

Meer over