De piep van pittige Pien iets te netjes voor Weill

'Mijn zuster is mooi. Ik ben praktisch', zingt Anna in Die sieben Todsünden van Kurt Weill en Bertholt Brecht. Anna's zuster heet ook Anna, en wie de tekst een beetje volgt komt er snel achter dat Anna 2, de mooie en 'getikte', eigenlijk dezelfde is als de Anna 1 die...

De twee gezusters die in zeven steden zeven zonden bedrijven en afzweren, teneinde met wat geld voor een ordentelijk huisje te kunnen terugkeren naar de familie, dat zijn natuurlijk twee zielen in één borst. Daarmee begonnen deze week de problemen in Theater Carré, waar zich coryfeeën verzamelden van de zangkunst, de overheid, de lichte muze en het klavier (Joop Stokkermans, Willem Breuker, Paul de Leeuw, Hans van Willigenburg, burgemeester Patijn) om getuige te zijn van een nieuwe sprong van Jasperina de Jong in het diepe van de Kurt Weill-vertolkingskunst.

Het was niet zo'n mal idee van De Jong, zich op Die sieben Todsünden te werpen. Als artistieke gestalte is de Jong een vrouw met twee gezichten. Ze is iemand die het katten en het pruilen altijd gelijkelijk heeft beheerst.

Er komt ook een karakteristiek geluid uit. Als Pittige Pien met de pinnige piep heeft ze, op papier, niet alleen een dispositie voor de venijnige kanten van Brechts poëzie, maar ook voor de originele ligging (hoog en lastig) van de melodieën die Weill 65 jaar geleden aan deze prachtige parabel van de hebzucht, de hovaardigheid, de tuchteloosheid (etcetera) heeft gehecht.

Het probleem zat 'm maandag hierin, dat het gezongen woord en de gesuggereerde handeling verloren gingen in een statische voordracht, omfloerst door symfonische klanken die verre van voorbeeldig waren uitgebalanceerd. Met het Rotterdam Young Philharmonic en een vocaal jongeherenkwartet onder leiding van Henk Guittart, begon De Jong haar tournee met de handicap van een installatie die onkritisch was afgesteld, en geluiden vegerig overbracht. Daarbij bleek de bescheidenheid van De Jongs presentatie zo ver doorgevoerd dat er iets zeer kunstmatigs ontstond.

Het probleem loste zichzelf in zekere zin op doordat De Jong de duo-aspecten van haar partij nauwelijks vorm gaf, in mimiek noch in de kleuring van de stem, zodat wie geen idee had van Anna 1 of 2 ze vermoedelijk ook niet miste. Men kon er, zo men dit bevredigend vond, een Jasperien-show in zien met muziek van Weill, gezongen in een stijl die dicht in de buurt bleef van 'Ik hou zo van Vivaldi'. Maar dan met betere melodieën, deftiger georkestreerd en wat meer timide gebracht.

In een bloemlezing van Duitse, Franse en Amerikaanse Weill-liederen na de pauze - Guittart begeleidt ze met de schitterende oorspronkelijke Weill-arrangementen - komt De Jongs Lurelei-erfenis soms treffend van pas, zoals in het felle 'Lied von der harten Nuss' uit Happy End. Op andere momenten weet De Jong de oude sopranino-Pien in haar kalm te houden, en klinkt er een nostalgisch 'J'attends un navire' (een herontdekking uit de Franse show Marie Galante uit 1934).

Verder: 't is knap wat ze doet, maar ze staat er niet boven, en de uitstraling blijft, hoe zeg je dat, een beetje burgerlijk.

Meer over