De paradox van de familie

Het thema van de Boekenweek, familiealbum, past geheel in deze tijd. Het ontvluchten van het gezin heeft plaatsgemaakt voor een verlangen terug naar de oude familiebanden....

HET DEFINITIEVE einde van wat Bordewijk ooit 'de verfoeilijke familieroman' in de Nederlandse letterkunde noemde, kwam met De avonden. Een vader die de suikerpot niet kan laten staan, een moeder die appelcider aanziet voor oudejaarswijn en een broer die op jonge leeftijd al aardig kaal begint te worden, en dan in een troosteloos slaapkamertje ook nog Gods genade afsmeken voor het gezinsheil - dan is het wel gebeurd met de zegeningen van de familieschoot.

Toen was het in literaire zin ook voorgoed gebeurd met het universum van De klop op de deur, de superfamilieroman waarin lief en leed van drie of vier generaties van een Amsterdams geslacht waren bezongen en verheerlijkt. Vanaf dat moment konden we weten (en schrijvers wisten het natuurlijk al eerder) dat de familie iets is waaraan je moet ontkomen, zoals je je tenslotte aan de baarmoeder moet ontworstelen om aanspraak op het leven te kunnen maken. Weg uit de Helmersstraat, weg uit Oegstgeest, weg uit Maassluis, weg uit Zeeland en Brabant, weg van de tot in de jaren vijftig volgehouden mythe van het kleine, gewone geluk rond de wastobbe en Willem Parel (telg uit een orgeldraaiersfamilie!) op de distributieradio. Weg van de geborgenheid.

Is de familie eigenlijk wel feestelijk genoeg om als thema voor een Boekenweek te dienen?

Misschien is het woord om te beginnen iets te weids gekozen.

Het zou ook bescheidener, en in de ware zin des woords 'Hollandser' hebben gekund.

Driekwart van de Nederlanders woont in een eengezinswoning, en voor de deur hebben ze een gezinsauto staan waarin ze zo nu en dan even wegrijden om een gezinspak Omo te kopen waarmee de gezinswas kan worden gedaan.

In ons omringende landen hebben ze ook wel zulke huizen, voertuigen en zeeppoeders, maar die doen dienst voor de familie, zoals vaders in die landen ook geen gezinshoofd zijn, maar pater familias.

Hoe zou het komen dat voor het Nederlandse gezin in geen enkele taal een equivalent bestaat? Je hoeft daar verder misschien niets achter te zoeken, en het hoeft ook niet te betekenen dat we hier voor 'het geheel der bloedverwanten van dezelfde naam' (Van Dale) geen genegenheid zouden koesteren. Het Nederlands kent familiebezoeken, familietrots en zelfs familieziekte, en de liefde beperkt zich niet per se tot dragers van dezelfde naam: aangetrouwd mag ook. Maar binnen die wijdere kring van relaties die zich van andere clans onderscheidt, is er in Nederland kennelijk altijd behoefte geweest aan een nog verfijnder distinctie, aan zoiets als het kleinste gemene veelvoud binnen al die betrekkingen: het uit vader, moeder en ten minste één kind bestaande huisgezin.

Waarom?

De vraag komt zijdelings aan de orde in een studie van Dirk Damsma die in 1993 verscheen onder de titel Het Hollands huisgezin, en nu in een enigszins aangepaste versie - een nieuw slothoofdstuk over recente ontwikkelingen - is herdoopt tot Familieband; dat klinkt ook wat dichter in de buurt van het jaarmotto.

Damsma, die in z'n toegevoegde nieuwe hoofdstuk uitvoerig ingaat op het sociologische lievelingsverschijnsel van de individualisering (en daarbij dankbaar put uit het Sociaal en Cultureel Rapport 1998), betoogt eerder in z'n interessante boek dat de rol van het huisgezin in Nederland waarschijnlijk al in de late Middeleeuwen, en in ieder geval vóór het calvinisme er beslissende invloed op kon uitoefenen, is verbijzonderd ten koste van de zorg voor verder verwijderde verwanten: een vorm van groepsindividualisme zou je kunnen zeggen, waarbij het belang van de 'sibbe' ondergeschikt raakte aan dat van het kleine gemenebest, dat zich allengs als een eenheid van ouders en eigen nakomelingen tot de ware hoeksteen van de samenleving zou ontwikkelen.

En alle voortgeschreden individualisering ten spijt blijkt uit de laatste onderzoekcijfers dat bijna 90 procent van alle jongens en meisjes in Nederland vast van plan is om later te trouwen en kinderen te krijgen.

Zou Damsma daarom z'n boek beginnen met het uitspreken van z'n vermoeden dat 'de spruitjeslucht met het op jaren komen van de naoorlogse generatie is verwaaid'?

Het staat er een beetje gratuit, en het wordt ook nergens nader verklaard.

Bedoelt hij dat moderne kinderen (geïndividualiseerd tot hun eigen tv en hun eigen stereotoren in een eigen domein van de eengezinswoning) er niet meer op letten dat hun vader in de suikerpot zit, hun moeder de verkeerde wijn koopt en hun oudere broer al aardig kaal begint te worden?

Wat dat betreft is het jammer dat hij in z'n nieuwe slothoofdstuk geen gebruik meer maakt van letterkundige citaten die hij eerder rijkelijk (maar merkwaardig genoeg nooit uit een eigen paraat boekenplankje, altijd via het speurwerk van derden) heeft verwerkt. Wie weet had hij nog veel illustratiefs kunnen vinden in het post-spruitjesluchttijdperk van een schrijversgeneratie die de benauwenis van de familiebanden minder of helemaal niet heeft ervaren. Of die er - want dat kan ook - in literaire nostalgie naar terug-verlangt.

De familie als bron van heimwee: dat kennen we. Nog helemaal los van de literatuur, waar de tegenbeweging (tegen De avonden) onweerstaanbaar in opmars is, komen we het als het moet elke avond tegen in televisieprogramma's die zijn gespecialiseerd in de verzoening van verbroken gezinsrelaties en waarin verloren gewaande vaders en moeders, broertjes en zusjes worden opgespoord ter leniging van een blijkbaar lang gekoesterd verdriet, want aan het eind van die programma's vallen de herenigde familieleden mekaar altijd huilend in de armen. Terugkeer naar de roots is een mensenrecht omdat het terug naar de eigenlijke identiteit betekent. De oer-familie staat al bijna onder patronage van de Verenigde Naties.

In die zin is het thema van de Boekenweek misschien nog altijd niet feestelijk, maar wel hoogst eigentijds. En in die zin betekent de nieuwe vertaling van Sans famille het perfecte geschenk van 1999. Het leidt niet alleen terug naar ieders oorsprong - altijd eerst Alleen op de wereld en dan pas De avonden - het wijst ook de weg naar alle archetypen van het leven op aarde.

Niet voor niets is het boek - uit een onafzienbaar oeuvre dat verder volstrekt is vergeten - klassiek geworden, zijn er miljoenen kindertranen om geschreid, is het zoete jeugdherinnering gebleven voor honderdduizenden lezers.

Geen familie hebben! Je weet niet wat erger is.

De roman begint even krachtig als zielig: 'Ik ben een vondeling', luidt de eerste zin, en het erbarmen met de 8-jarige Rémi is geboren. Nog meteen in het eerste hoofdstuk begrijpen we dat ons medelijden niet verspild zal zijn. Ogenschijnlijk leeft het kind tamelijk gelukkig in de armoe van moeder Barberin, maar je bent nog niet geneigd je met zijn vondelingenlot te verzoenen, of er staat een lelijke kreupele man in de schamele deur die meteen ook de gaarspetterende flensjes uit de pan gooit en er uiensoep voor in de plaats eist.

'Dit is je vader.'

Het onheil is binnengetreden, en het zal honderden bladzijden lang de brave Rémi begeleiden.

Zoveel bladzijden inderdaad, want Hector Malot schreef het verhaal als een feuilleton, en dan verlies je als auteur weleens het zicht op de omvang.

Zijn ambitie was bovendien de aanschouwelijkheid, die ook in het Frankrijk van honderdtwintig jaar geleden als een opvoedkundig ideaal gold. Hoe meer hij zijn jonge lezers kon laten zien en meebeleven van landbouw, veeteelt en industrie, en hoe groter het aantal dorpen, steden en landstreken dat onderweg werd aangedaan - des te beter. En zo werd Malot, misschien wel zijns ondanks (z'n meer dan zestig overige romans schijnen zich over een veel bescheidener actieradius te voltrekken), de Jack Kerouac van de late negentiende eeuw, en liet z'n boek zich lezen als een road-movie.

Weinig lezers zullen zich al die honderden bladzijden herinneren, want het verhaal is in latere jaren vrijwel overal (ook in Frankrijk) herdrukt in sterk bekorte versies, zodat iedereen zich de artistieke zwerftochten herinnert met Vitalis, de drie hondjes en het aapje Joli-Coeur, en het verlossende einde waarin Rémi z'n echte moeder (geen vader!) vindt, die godzijdank ook nog steenrijk is - maar niet of nauwelijks de duur van alle avonturen, de nooit aflatende spanning of het ooit nog goed kan komen. De ergste ontberingen - in de mijnen, onder de Parijse kinderhandelaren - waren in alle gangbare edities gekuist, bekort of domweg geëlimineerd.

DE PRACHTIGE vertaling van August Willemsen is integraal, en geeft ons tempo en ritme terug van het origineel, waarvan een literaire essentie in al die geamputeerde uitgaven was aangetast. Malot wist waarom je mocht 'rekken' en hoe lang. Heel lang, als je de juiste spanning op de draad houdt, en dat deed hij, hij was een vakman. Zijn inspiratiebronnen reikten van Rousseau tot Dickens, en dat zie je: Vitalis onderwijst als de eerste, en raakt blind en dood met de verteltechniek van de tweede.

'Een queeste in middeleeuwse zin', noemt Willemsen het verhaal in zijn heldere nawoord - en hij vervolgt: 'Het is de allegorie van een overgangsrite: de overgang van Chavanon' - het boerendorp van moeder Barberin - 'naar Frankrijk, van huisje-boompje-beestje naar de wereld, van kindertijd naar volwassenheid. Het is de zoektocht naar een schat, en de schat is de ontdekking van identiteit en van integratie in de samenleving.'

Niets te veel aan gezegd - maar moeten we daarbij de (Franse) samenlevingsconventies van 1878 in aanmerking nemen, of geldt het voor alle tijden? Is het gemak en zelfs de innige tevredenheid waarmee Rémi zich laat 'integreren' in de positie van de welgestelde Engelse landjonker die hij van geboorte blijkt te zijn geweest, nog modern te noemen?

In romantermen is in het laatste hoofdstuk alles dik in orde: de lamme oudere broer heeft leren lopen, het stomme vriendinnetje spreekt weer, de dode Vitalis zal dankzij een dure plaquette in de Parijse Opéra voor eeuwig voortleven als een groot zanger, en de gelouterde Rémi kijkt uit over Milligan Park zoals hij als 8-jarige vondeling uitkeek over het armzalige weilandje van Barberin: paradise regained.

Maar is dat ongeveer wat we hem ook nu nog zouden toewensen? Nee, zou je zeggen, maar dat is buiten het raadselachtige genie van Malot gerekend.

Vanaf de eerste bladzijde ('Ik ben een vondeling') vraagt hij deernis voor z'n kleine held, en het medelijden bereikt ongekende hoogten als Rémi door de lelijke, kreupele pleegvader - sterft later arm en eenzaam, zoals het hoort - min of meer bij opbod wordt verkocht aan een straatmuzikant die er met z'n grote vilten hoed en z'n schapenvacht (en dat aapje in z'n mouw) misschien wel indrukwekkend uitziet, maar toch: hij leidt het kind uit de Hof van Eden (en Rémi krijgt ook kleren, zoals Adam zich schorten van vijgenbladeren moest aangorden toen hij zag dat hij naakt was), dus het geluk is eraf.

Maar Vitalis blijkt alles te vertegenwoordigen wat een gezond jongetje zich maar kan dromen: een aapje, drie honden, een leven in vrijheid, reizen, avonturen, geen school - la vie de bohème kortom, waarin niet getaald wordt naar ouders, gezin, familie of eengezinswoning.

In de late negentiende eeuw was het in de literatuur een geliefde dramatische keuze: die tussen kunstenaarschap en een burgermansleven, tussen onaangepastheid en regel, tussen de goot en een Engels landgoed, tussen krankzinnigheid en genialiteit.

De kleine Rémi van Hector Malot profiteerde - postmodern, zou je haast zeggen - van allebei. Hij liep de halve wereld af op zoek naar een gezin, maar onderweg verzamelde hij meer dierbare pseudo-vaders en -moeders dan een gewoon jongetje ooit gegund zal zijn. Hij was misschien een beetje alleen en had soms honger en leed soms kou, maar het wemelde ten slotte om hem heen van aardige broertjes en zusjes van wie de één een beroemd violist zou worden en de ander zo mooi was dat hij met haar trouwde.

Hij genoot de lusten van het artiestenleven en ontliep de lasten van een saaie burgermansjeugd. Hij eindigde rijk genoeg om 't zich te kunnen veroorloven om nog zo nu en dan als een vagebond op zijn harp te spelen en na afloop het wijze hondje Capi met de centenbak in z'n bek op z'n achterpootjes te laten rondgaan om bij een verrukt en welgesteld publiek nog meer geld op te halen. Hij was, in de typering van August Willemsen, 'vondeling en vinder'.

En net als al die eigentijdse jongelui van Dirk Damsma en het Sociaal en cultureel rapport 1998 heeft hij na al die benijdenswaardige belevenissen nog maar één wens: in het huwelijk te treden en een gezin te stichten.

De Rémi van Hector Malot belichaamde in 1878 al de paradox van de moderne familie.

Meer over