De papoea's en de wortels van het volksnationalisme

Wie het gevoel heeft de greep op zijn leven te verliezen en nergens meer bij te horen, grijpt graag terug op de fictieve solidariteit van de eigen etnische gemeenschap....

MEINDERT FENNEMA; JEAN TILLIE

IN ZIJN studie Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (1961) beschrijft Fokke Sierksma de zogenaamde 'Vailala-razernij' in Nieuw-Guinea: 'Het gehele gebied langs de Koraal-Zee en het daarachter liggende binnenland leken in 1919 één gekkenhuis. (. . .) Het leven van individu en samenleving kwam op zijn kop te staan. Niemand werkte meer. Zwarte arbeiders wandelden zo maar de kamers van hun meesters binnen en sloegen daar wartaal uit.

'Wanneer ze dan min of meer tot rust waren gekomen en rekening en verantwoording moesten geven, zeiden ze: 'Ik weet het niet, God weet het.' (. . .) De mannenhuizen, in oude en nieuwe tijd heiligste der heiligen, werden door opgewonden mannen geopend. Zij haalden de sacrale fluiten en maskers en alles wat nooit door een vrouwenoog was aanschouwd, tevoorschijn en schreeuwden tegen de vrouwen: 'Kijk, kijk maar' (. . .)

'De mensen bleven bevangen door een geest, die zij zelf niet kenden, maar die hen dwong te breken met het leven van vóór 1919. Had de profeet immers niet gezegd, dat een zwarte huid waardeloos was en dat de Papoea's een blanke huid zouden krijgen? De profeet had nog veel meer gezegd trouwens.

De voorouders zouden op aarde terugkeren en grote rijkdommen met zich meebrengen. Er zou een nieuwe tijd op aarde aanbreken. Er waren al Papoea's die met eigen ogen het schip met de voorouders voor de kust hadden zien liggen en met eigen oren de ankerkettingen van het schip hadden horen ratelen. Men maakte zich dan ook gereed voor de grote dag.'

De Vailala-razernij was een voorbeeld van een zogenaamde 'cargo-cult': het geloof dat er een groot schip zou arriveren met voedsel en wapens om de blanken eruit te zetten en zo de status quo ante te herstellen. Cargo-cults (die niet alleen in Nieuw-Guinea, maar bijvoorbeeld ook in Mexico voorkwamen) ontstonden als reactie op de sociale desintegratie en desoriëntatie van de autochtone bevolking.

Met de komst van de blanken waren veel oude gemeenschapsverbanden vernietigd. Duizenden Papoea's werkten op de plantages. Zij waren afgesneden van hun eigen dorp, stam en cultuur, en leefden in barakken. Door het vertrek van zoveel mannen was er in de dorpen een tekort aan arbeidskrachten ontstaan met als gevolg een vermindering van de agrarische produktiviteit en hongersnood.

Sierksma noemt een aantal kenmerken van de cargo-cult (en meer in het algemeen messianistische bewegingen): (a) een sterk charismatisch leiderschap door personen met een instabiele 'hysterische' persoonlijkheidsstructuur, (b) de neiging naar een collectief autisme: men raakt 'in zichzelf opgesloten' en leeft van wensfantasieën. Alle informatie wordt getransformeerd tot bewijs van het eigen gelijk. Alle verschijnselen wijzen in de richting van die ene oplossing van de sociale problemen, (c) de aankondiging van een kosmische catastrofe die voorafgaat aan de door de profeet aangekondigde nieuwe wonderwereld die in ieder opzicht van de bestaande verschilt.

De cargo-cult, zo menen cultureel-antropologen, is een pathologisch antwoord op een plotselinge en extreme vorm van sociale desintegratie. Het 'schip met geld en wapens' is een deus ex machina die de bestaande misère, de vernedering en de sociale desintegratie in één klap zal opheffen en de oude samenleving in ere herstelt.

Kenmerken van de cargo-cult zijn ook te vinden bij de huidige extreem-rechtse bewegingen. De meeste extreem-rechtse partijen hebben een sterke en charismatische leider (a) en hun fanatieke aanhangers lijken vaak op een sekte, gekarakteriseerd door een vorm van collectief autisme. Alle sociale problemen kunnen in één keer worden opgelost: Ausländer raus! (b) Er is de aankondiging van een catastrofe die voorafgaat aan de komst van de etnisch zuivere heilstaat (c).

De heilstaat van extreem-rechts is gebaseerd op een radicale vorm van volksnationalisme, waarin het staatsburgerschap een etnische categorie is die op basis van stamverwantschap wordt gedefinieerd. Dat volksnationalisme heeft een historische dimensie, zoals onlangs door de Leidse filosoof Herman Philipse in NRC Handelsblad (22 september) werd benadrukt.

'Traditionele Nederlandse deugden als eerlijkheid, vlijt, ondernemingslust en solidariteit zijn ontstaan onder pressie van zeer moeilijke omstandigheden: een handelsnatie, nauwelijks voorzien van natuurlijke hulpbronnen, die haar vrijheid moest bevechten op machtige tegenstanders, en haar grondgebied op de zee. Deze normen en attitudes zijn vitaal voor het handhaven van de Nederlandse verzorgingsstaat, terwijl onze democratische en economische instituties, mits ze voortdurend worden onderhouden en verbeterd, de welvaart produceren die de verzorgingsstaat vereist. (. . .)

'Denkt men nu werkelijk dat onze kwetsbare instituties, en de verzorgingsstaat in zijn geheel, kunnen overleven indien er een omvangrijke toestroom komt van mensen die de bijbehorende morele attitudes niet met de paplepel hebben binnengekregen?'

De opvatting dat de aanwezigheid van migranten niet alleen om financiële, maar ook om culturele redenen tot een crisis op sociaal, moreel en ecnonomisch terrein leidt, is klaarblijkelijk niet beperkt tot extreem-rechtse kringen. 'Mijn opvatting is denk ik onmiskenbaar juist', schrijft Philipse en om elk misverstand uit te sluiten verwijst hij daarbij naar Nietzsche.

Extreem-rechts heeft dus niet het alleenvertoningsrecht op het volksnationalisme. Ook in de Nederlandse wetgeving wordt de nationaliteit overwegend op het volksnationalistisch principe gebaseerd. Het Nederlanderschap wordt allereerst bepaald op grond van het afstammingsprincipe (jus sanguinis).

Maar terwijl het afstammingsprincipe een centrale rol speelt bij de definitie van nationaliteit, wordt het bij de vraag of men recht heeft op sociale voorzieningen maar in beperkte mate toegepast. Ook buitenlanders kunnen er een beroep op doen, mits zij een verblijfsvergunning hebben, en in het onderwijs is zelfs dat niet nodig.

Nu de verzorgingsstaat in het ongerede is geraakt, lijkt het voor de autochtone Nederlanders aantrekkelijk om de toegang tot voorzieningen voor buitenlanders af te sluiten. Dat is dan ook al enige jaren het officiële regeringsbeleid. Maar waar de regering haar anti-immigratiebeleid als een onderdeel ziet van een beleid ter bestrijding van de werkloosheid, gaat extreem-rechts veel verder. Werkloosheid, criminaliteit en de crisis van de verzorgingsstaat worden uitsluitend en ten principale aan de immigratie geweten. Hun uitzetting is de oplossing van alle problemen.

Wat is de verklaring van de spectaculaire opkomst van partijen die met 'een grote kuis' de politieke Augiasstal van de multi-culturele samenleving willen uitmesten? Waarom die aantrekkingskracht van partijen wier leiders zo openlijk hun paranoïde fantasieën etaleren?

DE cargo-cult ontstond als reactie op sociale desoriëntatie als gevolg van de koloniale overheersing. De opkomst van extreem-rechts heeft eveneens een relatie met fundamentele desoriëntatie. Plotselinge veranderingen vernietigen bestaande structuren. Massale werkloosheid lijdt bij velen tot sociaal isolement. De kloof tussen ideaal en werkelijkheid wordt voor veel mensen snel groter. De naleving van traditionele normen wordt onmogelijk gemaakt maar ook moderne aspiraties die het traditionele waardenstelsel overstijgen, worden geblokkeerd.

De plotselinge versnelling die aan het begin van de jaren zestig in de Nederlandse samenleving optrad, leidde in 1965 tot de opkomst van de Boerenpartij, die kenmerken van een sekte vertoonde. Boer Koekoek was een charismatisch leider die voor alle maatschappelijke problemen een simpele oplossing had.

Zijn agrarisch fundamentalisme was een uiting van verzet tegen de modernisering. Zo repliceerde Koekoek op een met veel statistisch materiaal doorspekt antwoord op zijn kamervragen met de woorden: 'Cijfers, meneer de minister, daar hebben we niks aan. Bewijzen wil ik hebben.' Ad Nooy schrijft in zijn studie over de aanhang van de Boerenpartij (1969): 'Niet de boer die traditioneel tout-court is, zal naar wij veronderstellen sympathiseren met de Boerenpartij, maar wèl de boer die modern is wat betreft zijn aspiraties maar tegelijkertijd traditioneel wat betreft zijn handelen. Wanneer deze discrepantie tussen aspiratieniveau en realiseringsmogelijkheden wordt ervaren als een persoonlijke mislukking, waarvoor niet hijzelf maar de onbetrouwbare maatschappij verantwoordelijk wordt gesteld, is er sprake van een 'fundamentele desoriëntatie'.

Die fundamentele desoriëntatie heeft anno 1994 beangstigende vormen aangenomen. De hang naar luxe consumptie wordt tot het uiterste geprikkeld door steeds agressievere reclame, de mogelijkheden om die te realiseren worden echter steeds verder beperkt.

De roofoverval van kinderen op kinderen met als buit de peperdure merkschoenen van het slachtoffer, ooit het symbool van de verloedering van de Amerikaanse maatschappij, behoort ook in de Nederlandse steden al tot het straatbeeld. Geen wonder dat bijna een kwart van de schooljeugd in de steden is gewapend. Terwijl 25 procent van de beroepsbevolking geen betaalde arbeid kan vinden, wordt door de overheid de suggestie gewekt dat iedereen die wil kan werken.

Het sociale cynisme neemt daardoor geweldig toe. Als invaliden door overheidsinstanties aangeraden wordt om een baan te zoeken als bonsai-boomkweker wekt dat nauwelijks nog verontwaardiging. Een grote afstand tussen aspiraties en mogelijkheden leidt onvermijdelijk tot sociale desoriëntatie. De sociale marginalisering van een werkloze onderklasse zonder enig perspectief leidt tot sociaal isolement.

Dat alles vindt plaats in een periode waarin de immigratie grote omvang heeft aangenomen. Die immigratie heeft in de grote steden een spectaculaire bijdrage geleverd aan het uiteenvallen van traditionele gemeenschappen. In die omstandigheden neemt het volksnationalisme sociaal-pathologische vormen aan en fungeert het als surrogaat voor de verdwijnende sociale verbanden.

Op het moment dat mensen het gevoel hebben de greep op hun leven te verliezen en nergens meer bij te horen, grijpen zij terug op de fictieve solidariteit van de verdwenen etnische gemeenschap. Recent onderzoek onder de autochtone bewoners in Amsterdam, uitgevoerd door het Amsterdams Bureau voor Onderzoek en Statistiek, toont dat aan. Er blijkt een direct, zij het zwak verband te bestaan tussen volksnationalistische opvattingen en sympathie voor de Centrumdemocraten. Dat verband is echter aanzienlijk sterker bij mensen die blijk geven van gevoelens van sociaal isolement. Het gebrek aan sociaal zelfvertrouwen, dat tot uitdrukking komt in: 'Als je werkelijk in de problemen zit, is er niemand die je helpt', wordt getransformeerd in een even simpele als radicale oplossing: alle buitenlanders eruit.

NAAST overeenkomsten tussen de cargo-cult van de Papoea's begin van deze eeuw en de huidige opkomst van extreem-rechts in Nederland, zijn er belangrijke verschillen.

Ten eerste. Voor extreem-rechts bestaat de cargo niet uit voedsel en wapens maar uit migranten. En, wat belangrijker is, het schip komt niet maar vertrekt. Zo stelde Hans Janmaat in een interview met Elsevier (22 januari) dat migranten niet per vliegtuig het land moesten worden uitgezet, zoals het Vlaams Blok heeft voorgesteld, omdat dit 'uiteraard' nooit mocht landen in het land van herkomst. Een schip is beter. Dit schip moet tot aan de grens van de territoriale wateren varen waarna de migranten in roeibootjes worden gezet. Extreem-rechts kan dus worden gezien als een omgekeerde cargo-cult.

Ten tweede. Waar de komst van de blanke kolonisator achteraf als de belangrijkste oorzaak kan worden beschouwd van de desintegratie van de traditionele gemeenschap, is de huidige immigratie slechts een aspect van een veel omvattender desintegratieproces. Waar de aanhangers van de cargo-cult op Nieuw-Guinea een juiste diagnose verbonden met een onwerkelijke therapie, baseren de huidige aanhangers van extreem-rechts een verkeerde therapie op een onvolledige diagnose.

Ten derde. Op Nieuw-Guinea beweerden de profeten dat een zwarte huid waardeloos was en dat de Papoea's een blanke huid zouden krijgen. De cultus van extreem-rechts impliceert echter dat de volksgemeenschap blank moet blijven en dat alle mensen met een andere huidskleur het land moeten verlaten. De cultus van extreem-rechts kan helaas makkelijker werkelijkheid worden dan die van de Papoea's aan het begin van deze eeuw.

Meindert Fennema en Jean Tillie zijn verbonden aan de vakgroep politicologie van de Universiteit van Amsterdam.

Meer over