DE ONTAARDING VAN DE UNIVERSITEIT

ACADEMISCHE titels zijn tegenwoordig flink aan inflatie onderhevig. De waarde van de doctorandusgraad is dermate uitgehold, dat je nu al bijna geen drs meer voor je naam durft te zetten....

Devaluatie bedreigt inmiddels eveneens het professorsambt. Leerstoelen schieten als paddestoelen uit de grond, vriendjespolitiek speelt een belangrijke rol bij benoemingen, personen zonder enige wetenschappelijke kwalificaties mogen zich bijzonder hoogleraar noemen.

Journalisten die bekendheid hebben verworven met oppervlakkige stukjes in de krant, dienen ineens studenten te onderrichten in de perswetenschap. Politici die na voltooiing van hun doctoraalscriptie geen vaktijdschrift meer hebben ingekeken, moeten tot hun schrik plotseling op zoek naar citaten en literatuurverwijzingen om hun oratie enig wetenschappelijk aanzien te geven.

Deze ontwikkelingen worden met lede ogen bezien door Hans Daalder, die in zijn pas verschenen boek Universitair panopticum terugblikt op een lange loopbaan aan de universiteit. Daalder is na Lijphart internationaal de meest geciteerde vaderlandse politicoloog. Toch geniet hij, denk ik, bij buitenstaanders niet zo'n grote bekendheid.

Daalder mijdt de opiniepagina's, en zijn genuanceerde analyses en voorzichtige wijze van formuleren, zo schreven Joop van den Berg en Bart Tromp in een inleiding tot een bundel opstellen van de emeritus hoogleraar, maken hem 'minder geschikt voor de moderne etalage die televisie heet en die een premie stelt op one-liners'.

Bovendien heeft Daalder nooit echt een groot, belangrijk boek geschreven. Hij heeft zijn wijsheid verstrooid over artikelen en afzonderlijke hoofdstukken, wat zeker te maken heeft met het feit dat hij sinds zijn benoeming in 1963 tot hoogleraar in de Wetenschap der Politiek in Leiden veel bestuurlijke activiteiten heeft moeten ontplooien.

Zo heeft hij de Leidse afdeling politicologie beschermd tegen velerlei gevaren. Democratisering, bureaucratisering, bezuinigingen: het bestaan van een gewoon hoogleraar gaat geenszins over rozen.

Daalder heeft zeker weinig plezier beleefd aan de vernieuwing van het universitair bestuur, een proces waarbij naïviteit en opportunisme hoogtij vierden. De hervormingsdebatten boden een allesbehalve verheffend schouwspel, constateert hij. Tal van traditionele regenten raakten in een mum van tijd verstrikt in het struikgewas van de democratisering.

Bestuurders die aanvankelijk professionalisering hoog in het vaandel hadden geschreven, weken gemakkelijk voor de eisen van inspraak en de vermeende waarde van 'demokraties' bestuur. Zij pasten zich in kleding en haardgroei razendsnel aan, en verruilden ouderwetse confessionele of liberale opvattingen voor nieuw verworven 'linkse zekerheden'.

De gevolgen van de Wet Universitaire Bestuurshervorming (de WUB, een term die Daalder altijd zou blijven associëren met 'gewiebel' en 'dubben') waren desastreus: het oprukken van vergaderaars en regelaars, een toenemende bureaucratisering van de besluitvorming, complexere verhoudingen tussen de universitaire niveaus, verzwakking van de bestuurskracht, twijfelachtige legitimiteit, daling van het prestige van universiteiten.

In HP/De Tijd van vorige week werd Daalder bijgevallen door J.A.A. van Doorn, die zelf naar eigen zeggen ervaren heeft dat er in ieder geval één ding mooier is dan werken bij een universiteit, namelijk weggaan bij een universiteit.

In 1986, een jaar voordat hij ontgoocheld de handdoek in de ring gooide en voortijdig als hoogleraar opstapte, schreef de socioloog dat degene die als medewerker bij het wetenschappelijk onderwijs de voorafgaande tien jaar met succes had overleefd, even schokbestendig was als de commandant van een tankbataljon die met een gestoorde chef is opgezadeld.

Wat Van Doorn in zijn enthousiaste bespreking overigens vergat te melden, is dat Universitair panopticum een beetje saai en taai boek is. De auteur behandelt uitvoerig al zijn bestuurlijke taken en al zijn gastdocentschappen en deinst er ook niet voor terug zowat al zijn secretaresses, collega's en promovendi de revue te laten passeren.

De enkele aardige anekdote die hij opdist, heeft meestal betrekking op een politicoloog waarvan de niet-ingewijde lezer nog nooit heeft gehoord.

Dat de memoires toch de moeite waard zijn, komt omdat zij een ontluisterend beeld geven van de ontaarding van de universiteit. Alle beleidsspinsels van de democratiseerders en bureaucratiseerders hebben ertoe geleid dat vooraanstaande geleerden als Daalder, wetenschapsmensen in hart en nieren, met een opgelucht gevoel de universiteit verlaten en pas na hun emeritaat aan het schrijven van boeken toekomen.

Dit zou de beleidsmakers in Den Haag en Zoetermeer te denken moeten geven.

Meer over