De onnodige medicalisering van ouderdom: verdrietig is sterven sowieso

Frank Kalshoven
null Beeld
Beeld

Bij elke fase in het leven horen - naast echte medische problemen - ook andere verschijnselen en ongemakken en het is een goed idee op te houden met het medicaliseren hiervan. Dit schreef ik vorige week naar aanleiding van het interessante rapport hierover van de Raad voor Volksgezondheid en Zorg (RVS). Jonge kinderen zijn nu eenmaal vaak druk, schreef de raad - bestempel dat niet tot medisch probleem. Pubers zijn nogal eens somber - idem. Veertigers druk. Et cetera.

Maar de raad vergat de laatste levensfase te bespreken - het sterven - terwijl er alle reden is om deze fase ook eens kritisch te bekijken vanuit het perspectief van het gewenste (de)medicaliseren. Laten we daarom deze week die omissie van de RVS samen repareren.

Komen bepaalde 'verschijnselen en ongemakken' in levensfases vaak - maar niet bij iedereen - voor; sterven overkomt ons allemaal. En ook voor de laatste levensfase geldt dat die zwaar is gemedicaliseerd.

Net als bij de andere verschijnselen biedt medicaliseren voordelen voor de betrokkene en de medische professionals. Voor de meeste mensen is sterven een angstaanjagend vooruitzicht, inclusief de menselijke neiging om dat moment zo lang mogelijk te willen uitstellen. Los hiervan is medische begeleiding bij de laatste maanden een geruststellend idee.

Bij het kopen van ons eerste huis schakelen we een makelaar in want die heeft meer ervaring in vastgoedtransacties dan wij. En bij het sterven doen we om dezelfde reden graag een beroep op een ervaringsdeskundige medicus, specialisten immers, niet in vastgoed, maar in ziekte en dood.

De medische professional is ook gebaat bij dienstverlening in de laatste fase. Het is een mix van betrokkenheid (vooral in geval het een huisarts betreft die betrokkene als decennia kent), nieuwsgierigheid naar de behandelopties (zo niet ten bate van deze patiënt, dan allicht voor de volgende), actiegerichtheid (dokters zijn nogal doenerige types), en, ja dokters zijn ook maar mensen, omzetgerichtheid.

Als je een grafiekje tekent van de medische kosten per levensjaar, dan zie je vrij hoge kosten in de beginjaren. Daarna dalen de kosten tot een vrij laag niveau gedurende de tienerjaren en de volwassenheid, om vanaf de pensioengerechtigde leeftijd weer te stijgen. Dat gaat dan heel rap, wat uiteraard samenhangt met allerlei (gemedicaliseerde) ouderdomskwalen en ook met echte medische problemen. De machine begint te haperen. Ons laatste levensjaar is pittig aan de prijs, om niet te zeggen: stervensduur. Voor de medische industrie is dat - spiegelbeeldig - domweg lekkere omzet.

Tegen de medicalisering van het sterven gelden dezelfde bezwaren als tegen het medicaliseren van drukdrukdruk bij veertigers, sombere pubers en drukke schoolkinderen:

Erg 1: We houden onszelf voor de gek. Zware medische ingrepen zijn vanaf zekere leeftijd (samenhangend met de algehele gezondheid) erger dan de kwaal. Een alternatief voor medisch-handelend ingrijpen is mensen met geestelijke bijstand helpen het onvermijdelijke te aanvaarden.

Erg 2: Het kost, als betoogd, klauwen met geld, waar nauwelijks baten tegenover staan in de vorm van gewonnen levensjaren (in goede gezondheid). Inhoudelijke deskundigheid hoort net zo bij het beroep van medicus als medische ethiek en een goed gevoel voor maatschappelijke kosten en baten van het handelen.

Erg 3: Het medicaliseren van het sterven veroorzaakt kosten buiten het medische circuit. Pensioenkosten zijn een plat voorbeeld. Belangrijker zijn de emotionele kosten bij familie en vrienden. Verdrietig is sterven sowieso, waarom ook de lijdensweg van nabestaanden nodeloos verlengen?

Ook voor de laatste levensfase geldt dus: stop de medicalisering.

Frank Kalshoven is directeur van De Argumenten-fabriek.
Reageren? frank@argumentenfabriek.nl

Meer over