De ongebroken eer van België MONUMENT VOOR HELDEN EN SLACHTOFFERS VAN DE EERSTE WERELDOORLOG

VOOR EEN Nederlander in het Vlaamse Overijse was het op die zonnige ochtend van de elfde november 1979 even gissen....

Bij deze Eerste Wereldoorlog was Nederland niet direct betrokken en vandaar dat de elfde november in Nederland geen bijzondere dag is. Maar in België ligt dat totaal anders. Voor de Belgen was deze oorlog een gruwelijke ervaring. Begin augustus 1914 werd het kleine, neutrale land slachtoffer van de Duitse agressie. Het Duitse leger trad vooral in de eerste maanden na de overval zeer wreed op tegen de bevolking. Meestal gebeurde dit uit wraak voor acties van het Belgische leger, dat de opmars van de Duitse troepen naar Frankijk wist te vertragen en aan het riviertje de IJzer vier jaar lang standhield.

In die tijd werd vol bewondering gesproken en geschreven over het dappere België, dat het grote, tot de tanden bewapende Duitsland trotseerde en dat zo erg onder de oorlog moest lijden. Nu, bijna tachtig jaar later, is deze oorlog nog niet vergeten, zeker niet in een stadje als Ieper, dat volledig werd verwoest. Maar betwijfeld mag worden of nog bekend is wat er allemaal tussen 1914 en 1918 is gebeurd.

In die leemte voorziet De Groote Oorlog - Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog van de Belgische historica Sophie De Schaepdrijver. In haar lezenswaardige boek beschrijft zij op heldere, levendige wijze wat er zich in die oorlogsjaren in België heeft afgespeeld en wel voornamelijk onder de bevolking. Want het bijzondere van De Groote Oorlog is dat het gaat over de Belgen: over de Vlaamse soldaten in de modder van het IJzerfont, over de mensen in Brussel en andere steden die honger en gebrek leden, over de oorlogsprofiteurs, over de mannen die als dwangarbeiders werden gedeporteerd naar Duitsland, over de vluchtelingen, over het verzet en over de collaboratie.

De rol van de naar het Franse Le Havre gevluchte regering-De Broqueville, van de Belgische generaals of van koning Albert, de zorgzame opperbevelhebber van het Belgische leger aan het IJzerfront, komt in het boek minder aan de orde. Natuurlijk schrijft De Schaepdrijver over de koning-soldaat, maar hij vormt niet de hoofdpersoon.

Het boek is ook daarom zo informatief, doordat De Schaepdrijver zich niet heeft beperkt tot de jaren van de Eerste Wereldoorlog. In het eerste hoofdstuk schetst zij de politieke, economische en sociale situatie in België vóór 1914. Die situatie werd gekenmerkt door twee grote kwesties: de strijd van de arbeiders tegen uitbuiting en voor sociale verbeteringen en algemeen kiesrecht, en de taalstrijd. Deze strijd van de Vlaamse Beweging voor de feitelijke gelijkstelling van het Nederlands bereikte vóór de Eerste Wereldoorlog een hoogtepunt in Gent, toen de 'vernederlandsing' van de universiteit aan de orde was.

De Vlaamse kwestie bleef ook na de Eerste Wereldoorlog actueel en die ontwikkeling beschrijft De Schaepdrijver in het laatste hoofdstuk. Wat gebeurde er met de Vlaamse collaborateurs, de zogeheten 'activisten'? En hoe ontstond de jaarljkse IJzerbedevaart van Vlaamse nationalisten naar Diksmuide, naar de IJzertoren met de leuze: 'Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Christus'?

De kloof tussen Vlamingen en Walen verdween in de bewogen dagen voor het uitbreken van de oorlog. In die dagen waren er alleen Belgen, verenigd in een gloeiend Belgisch patriottisme. De schrijver Stijn Streuvels schreef in augustus 1914: 'Voor het eerst zie ik het nationaal gevoel bij het volk wakker worden.'

De Schaepdrijver beschrijft beeldend de vierde augustus 1914, toen koning Albert in Brussel Kamer en Senaat toesprak. 'Onder uitzinnige toejuichingen verliet Albert het parlementsgebouw. Nog jaren later zouden getuigen zich herinneren hoe de valse noten van de Brabançonne zich vermengden met het gejuich op straat.' Het enthousiasme van de bevolking bij het uitbreken van de oorlog doet nu vreemd aan. 'De koning-soldaat, het dappere kleine land, de ongebroken eer, niemand denkt en schrijft nog in deze termen. Veel Belgen in 1914 wel.'

De Groote Oorlog is deels een geschreven monument voor de helden en slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Het Belgische leger, in het geheel niet opgewassen tegen het 'ijzig professionalisme' van het veel sterkere Duitse leger, verzette zich moedig en was in staat de opmars van de Duitsers te vertragen. Bruggen werden opgeblazen en de Luikse forten hielden enkele weken stand. Vanuit het 'nationale bolwerk' Antwerpen werden enkele succesvolle uitvallen gedaan - Mechelen werd even heroverd op de Duitsers - maar uiteindelijk viel ook Antwerpen en moest het Belgische veldleger zich in oktober terugtrekken achter de IJzer, waar het mede dankzij het water standhield.

De Schaepdrijver: 'Op de vaderlandse vervoering van de zomer volgde een bittere herfst.' Ze laat de mannen herleven die het wapen van het water gingen inzetten. Emeric Feys, een jurist uit Veurne met historische kennis, herinnerde de generale staf eraan hoe in 1600 het beleg van Nieuwpoort moest worden gestaakt, omdat de verdedigers van de stad de sluizen hadden opengezet. Op 28 oktober opende sluiswachter Karel Cogge de sluis van Veurne-Sas en een dag later deed schipper Hendrik Geeraert 's avonds hetzelfde met de sluizen van de Noordvaart. 'Op 2 november stond de hele vlakte blank en was de slag om de IJzer voorbij.'

De Schaepdrijver beschrijft uitvoerig de Duitse wraakacties. In Visé, in Aarschot, in Dinant, in Andenne, in Mélen, in Leuven, in Tamines, in Aalst - in al deze steden en dorpen werden burgers mishandeld en gedood, huizen geplunderd en platgebrand. Zij citeert de schrijver en pacifist Romain Rolland, die in 1914 in Zwitserland noteerde: 'Wat voor waanzin drijft de Duitsers in dit morele verderf?' En de geallieerden spraken over de 'terugkeer van de Teutoonse barbarij'.

In Leuven hadden Duitse soldaten onder meer de Lakenhal in brand gestoken, een grote gotische hal uit 1317, waarin de universiteitsbibliotheek was gevestigd, die kostbare oude manuscripten bevatte. De Schaepdrijver: 'Een week later vond de bibliothecaris niets meer dan een puinhoop van gebroken pijlers en stenen en verkoolde banken, waarbinnen tienduizenden boeken nasmeulden. Door de verlaten straten vlogen half verbrande bladzijden tot in de weilanden buiten de stad.'

De Eerste Wereldoorlog was ook een propagandaslag. Berlijn ontkende de in België begane misdaden en schiep de legende van de Belgische sluipschutters die het overal op Duitse soldaten hadden gemunt. Ook vooraanstaande Duitse kunstenaars en intellectuelen lieten zich gewillig voor de propagandakar spannen. Zo verscheen in oktober 1914 de 'Aufruf an die Kulturwelt', ondertekend door onder anderen de schrijver Gerhart Hauptmann en de natuurkundige Max Planck. Daarin werd beweerd dat 'van geen enkele Belgische burger leven en eigendom waren aangetast'.

De Groote Oorlog handelt ook over de Duitse pogingen een wig te drijven tussen Vlamingen en Walen door in te gaan op de oude Vlaamse eisen aangaande het gebruik van het Nederlands en meer autonomie. Deze 'Flamenpolitik', die onder meer leidde tot de opening van een Nederlandstalige universiteit in Gent, sloeg niet erg aan.

Er waren Vlamingen die, soms uit opportunisme, collaboreerden met de Duitsers. Maar volgens De Schaepdrijver was dit een minderheid. 'De meerderheid van de Vlaamsgezinden bleef de Duitse instelling afwijzen, en verschillende Vlaamsgezinden distantieerden zich met grote nadruk van de Hogeschool en van haar medewerkers.' Een hoofdstuk apart vormt in deze context de Vlaamse Frontbeweging aan de IJzer.

Oorlog en bezetting hebben in de jaren 1914-1918 in België zeer veel ellende veroorzaakt. Maar, aldus De Schaepdrijver, 'de repressie en het leed van de Grote Oorlog verbleken bij de massamoorden, de Gestapo-terreur en de honger van de Tweede Wereldoorlog'.

Jan Luijten

Sophie De Schaepdrijver: De Groote Oorlog - Het Koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Atlas; 365 pagina's; ¿ 49,90.

ISBN 90 254 2432 5.

Meer over