De ondraaglijke last van de regenboogtrui

Als het weer goed was en hij reed lekker, dan keek Jan Janssen naar beneden en dacht: 'Wat is het toch een mooie trui.' Veel vaker, als het tegen zat, vervloekte Janssen de regenboogtrui die hij een jaar eerder had veroverd....

BART JUNGMANN; JAAP VISSER

Harm Ottenbros (52), wereldkampioen 1969 in Zolder (Bel)

DE GEKWELDE wereldkampioen ging op zoek naar zichzelf. Hij betrok een kraakpand in Sliedrecht, liet zijn haar groeien, een baard staan en begon te tekenen. 'Harm Ottenbros heeft de kolder in zijn kop', zeiden ze in de wereld waarmee hij voorgoed wilde breken, de wielerwereld. Fout, de nieuwe Harm Ottenbros wilde de kolder verdrijven die zo vast in de kop van de oude Harm Ottenbros was gaan zitten.

'Als wielrenner leef je in een schijnwereld, je voelt je verheven boven alles en iedereen, maar die verhevenheid is gebaseerd op niets. In mijn tijd was het beroepswielrennen o zo verneukeratief, want wie geen Jan Janssen of Peter Post heette, moest na zijn carrière gewoon netjes aan het werk in de maatschappij, met nul komma nul dienstjaren.'

Harm Ottenbros tekende als wereldkampioen fraaie contracten, maar omdat hij geen koers meer kon winnen, was het snel gedaan met de voorspoed. Boordevol frustraties stopte hij in 1976. Hij scheidde van zijn vrouw en verliet het huis dat hij in Hoogerheide had laten bouwen en Van Zolder had gedoopt.

Van Brabant trok hij naar Dordrecht waar zijn grote vriend en collega-renner Eef Dolman een baantje voor hem had. 'Omdat ik weer helemaal van onder af aan wilde beginnen, ben ik in dat kraakpand gaan zitten. Terug naar het nulpunt. Het hippie-tijdperk was volledig aan mij voorbijgegaan. Ik had heel wat in te halen. Ik moest weer mens worden.'

Dagen, weken, soms maanden gaan er voorbij zonder dat Ottenbros, al is het maar voor even, terugkeert in zijn verleden. Die enkele keer dat hij er over praat, heeft hij 't over 'mijn vorige leven'.

Daarin was hij een behoorlijk wielrenner die op een bijzondere dag wereldkampioen werd. Op 10 augustus 1969 stond Harm Ottenbros op met een machtig gevoel in hoofd en benen. 'Met zulke goede benen mag je de slag niet missen', sprak hij tot zichzelf en koerste uiterst waakzaam op het vlakke parkoers rond Zolder. 'Het was veertig graden in België, maar ik had nergens geen last van.'

Omdat de heersende klasse Van Looy en de machtige nieuwlichter Merckx elkaar wantrouwend beloerden, konden de mindere goden er tussenuit knijpen. Ottenbros versloeg zijn medevluchter Julien Stevens, een Belg, in de eindspurt en werd de koning te rijk.

'Maar ik kon het niet aan. Ik was in ene burgemeester van Amsterdam geworden, maar van alle problematiek die daarbij hoorde had ik geen flauw benul.'

Er was afgunst bij vooral Belgische en Nederlandse renners. 'Harm Ottenbros is een te kleine coureur om wereldkampioen te kunnen zijn', heette het en het peloton ging op zijn wiel zitten. In de regenboogtrui voelde hij zich als in een veel te krap harnas. De wereldkampioen werd beroofd van zijn bewegingsvrijheid.

Behalve door jaloerse renners werd Ottenbros ook achtervolgd door pech. In de Ronde van Andalusië was hij sterk, maar scheurde een kuitspier. In de Ronde van Vlaanderen brak hij zijn pols. 'En ik kreeg zweertjes aan de dikke darm. M'n gezondheid heeft me toen niet meegezeten.'

Ottenbros keerde terug in de rijen der naamlozen, als 'toevallige wereldkampioen'. 'Gelul natuurlijk, want je wordt niet toevallig wereldkampioen. Ik was op die fantastische dag de beste. Niemand van de 180 coureurs doet een wereldtitel cadeau. Of dachten ze soms dat ik 180 man had omgekocht?'

Zijn wereldtitel beschouwt hij nog altijd als de bekroning van zijn carrière, ook al bleek die het begin van het einde. 'Wat me het zwaarst is gevallen, is dat ik van de ene op de andere dag niet meer lekker wielrenner kon zijn. Kommer en kwel is een zwaar begrip, maar dat werd het wel. Pas toen ik eruit was gestapt en terugkeek dacht ik: jezusmina waar heb je je druk om gemaakt, het was toch allemaal maar poepelagein.'

Sliedrecht werd een periode van loutering waarin, zoals Ottenbros het uitdrukt, 'dingen op zijn plaats vielen'. Vandaar dat hij nu beeldhouwt, veel tennist, op zijn motor toert en met verstandelijk gehandicapten werkt. 'In dit leven ontplooi ik de talenten die ik als wielrenner altijd heb onderdrukt.'

Als vrijwilliger werkte hij in een dagverblijf voor lichamelijk gehandicapten. 'De coördinator daar zei: dit is iets voor jou en ik antwoordde: ja, dit is iets voor mij.' Nu heeft hij een betaalde baan, als groepsleider in een gezinsvervangend tehuis voor verstandelijk gehandicapten. 'Mensen die echt zijn en heel dicht bij zichzelf staan. Ik vind het prachtig werk.'

Naar het wielrennen keek hij jaren niet meer om. Totdat Gerrie Knetemann hem drie jaar geleden uitnodigde om de doorkomst van de Tour in Valkenburg mee te maken. Ottenbros ontmoette er oude bekenden en in de vip-tent, met een biertje in de hand, had hij 't gezellig gevonden.

Vorige week verscheen hij opeens als motard in de koers, volstrekt anoniem, dat wel. 'Ik meldde me aan voor een wedstrijdje in Dronten. Ottenbros, zeiden ze, bent u soms. . . Ja, dat ben ik, maar wilt u daar alstublieft geen ruchtbaarheid aan geven. Dat hebben ze niet gedaan, dus heb ik 's ochtend bij de organisatie een hesje en een pakje brood opgehaald en ben ik heerlijk voor een groepje renners uit gaan rijden. De puurheid van het amateurfietsen, daar zie ik de romantiek nog van in. '

Jarenlang werd Ottenbros geplaagd door een boze droom waarin hij door een dichte mensenmenigte een gat in moest fietsen. 'Maar ik wilde niet, want dat gat was het gat van de waanzin. Vaak werd ik gillend wakker, met kramp in mijn kuiten. Maar nu keert die droom nog maar zelden terug, wanneer ik een spannende koers heb gezien, of herinneringen uit dat andere leven heb opgehaald. Misschien droom ik 'm vannacht weer, maar krampen zal ik 'r niet meer van krijgen. Want ik heb geen angst voor het gat meer.'

Meer over