De onbarmhartige schoonheid van de misère

Francis Bacon. Tot en met 14 oktober in het Parijse Centre Pompidou. Catalogus: 370 FF...

PAUL DEPONDT

'Schilderen kent zijn eigen taal', zei Francis Bacon over zijn werk, 'als je er iets over zegt, klinkt het altijd als een inferieure vertaling.'

Misschien kan je maar beter niets over kunst zeggen, meende Bacon. En toch is er betrekkelijk veel over zijn werk geschreven en zelf heeft hij er uitvoerig met David Sylvester of Michel Archimbaud over gesproken. Het blijft hoe dan ook een hachelijke onderneming, want elk schilderij of triptiek van Bacon is een ongrijpbaar tafereel met ontredderde en verlaten figuren. Het zijn geen geïdealiseerde lijven, maar portretten van kwetsbare personages in glazen kubussen - zoals een foetus in een fles - of in een somber vertrek of groezelige hotelkamer.

Nu zijn werk overzichtelijk bij elkaar hangt, op het grote Bacon-retrospectief in het Parijse Centre Pompidou, ontwaar je die onmiddellijk herkenbare geur, klank en kleur van elk schilderij van Bacon. Hij wilde 'vlees en bloed' schilderen, een marteling die hij 's nachts trotseerde, niets minder dan de menselijke schreeuw, kortom het abattoir met mensenvlees - zoals vroeger Rembrandt of Chaim Soutine het slachthuis schilderden.

Het is de wreedheid van het leven. Waarom zou je braaksel of speeksel niet met eenzelfde nauwlettendheid kunnen weergeven als waarmee Claude Monet een waterlelie in zijn tuin schilderde? 'We leven, we sterven, en meer stelt het niet voor', vond Bacon. Het driedelige portret van zijn vriend George Dyer, die in een Parijse hotelkamer zelfmoord pleegde, toont een menselijk wrak. Dyer was, net zoals Bacon, een notoir drinker. Twee dagen voor de opening van Bacons expositie in het Parijse Grand Palais in 1972 vond men het lijk van Dyer in een badkamer van het hotel des Saints-Pères.

Het is allemaal bloed en spuug. Bacon schilderde facts of brutality, taferelen vol kommer en kwel. Vele van zijn schilderijen laten je gluren naar de aftakeling of verdierlijking van het menselijk lichaam. De figuren op de doeken hebben soms maar één oor of één oog. Het zijn toegetakelde lichamen, lijkvlees in ontbinding. Het is kotsen, vechten, schijten en vrijen. That's all the facts when you come to brass tacks, schreef Eliot, birth, and copulation, and death. . .

Het zijn de onderwerpen van Bacons schilderijen. Zijn doeken tonen in zichzelf gekeerde anoniemen met uitpuilende ogen, toevallige geliefden - zoals in Last tango in Paris - in een armoedige hotelkamer. Soms zie je een stuk gebit of een paraplu, zoals in Painting, een toiletpot in Three figures in a Room, een asbak in Two studies for a portrait of George Dyer, een hand in Figure in a landscape, een autowiel in Portrait of Sisabel Rawsthorne, een krukje in Figure writing reflected in a mirror of een brilmontuur op zijn bekend portret van een schreeuwende paus. Wat het allemaal betekent, zegt Bacon niet. Het is er. Sam Hunter zag in de paraplu een verwijzing naar de ontmoeting van Chamberlain en Hitler in München. Misschien is het een seksueel attribuut of een afbeelding die hij in zijn atelier aan de muur had gespijkerd. Bacon maakte dikwijls gebruik van foto's. Het is de compost van zijn werk, de foto's van Eadweard Muybridge of de scènes uit films van Eisenstein of Hitchcock.

Het ene schilderij roept het andere op. Ze zijn elkaars spiegelbeelden. 'One suggests the other', zegt Bacon in de beroemde gesprekken met Sylvester. Er zijn verwantschappen. Daardoor lijkt het Centre Pompidou een knekelhuis, waar verwrongen figuren je aankijken. Was Bacon een hypochonder? Sylvester, die lang met hem sprak en veel over hem heeft geschreven, meent dat je zijn werk kunt beschouwen als 'een afrekening met zijn vader' die hem het huis uit had geschopt na een vrijage met een stalknecht. De paus die hij schilderde was il Papa; de kooien waarin zijn figuren zitten opgesloten, waren volgens hem symbolen voor bekrompenheid en kortzichtigheid, de ketenen van het bestaan.

Bacon maakte vooral triptieken, als het ware stills uit een film. Jacq Firmin Vogelaar noemde die gekooide Bacon-types, opgesloten in kubussen - zoals Adolf Eichman in zijn glazen kooi tijdens het proces in Jeruzalem, 'verdubbelingen'. Het is 'concentratie van het vele in één', vermenigvuldigingen van hybridische figuren en afgrijselijke maskers. 'Goed beschouwd hoort ook het schreeuwen, schijten, braken, vrijen, vechten, kijken, allemaal tot de verdubbelingsbeweging', schrijft Vogelaar. Maar het is niet allemaal kommer en kwel. Bacon schilderde ook enkele hommages. Hij had een grote bewondering voor Vélasquez, misschien wel de allergrootste schilder in zijn ogen, voor Van Gogh en voor Ingres. In Parijs hangt zijn 'Van Gogh op weg naar Tarascon', één van zijn meest kleurrijke en pasteuze doeken.

Misschien moet je het schilderen van Bacon vergelijken met die scène in The Rebel. In een Parijse galerie vragen critici aan Tony Hancock hoe hij een schilderij maakt en zijn kleuren mengt. 'Met een grote stok roer ik in een pot', antwoordt Hancock. Het atelier van Bacon in South Kensington in Londen, waarvan nu een grote foto is te zien bij de ingang van de tentoonstelling, is ooit eens beschreven als 'het slordigste atelier uit de kunstgeschiedenis'. Foto's van Henri Cartier-Bresson of Cecil Beaton onthullen de onbeschrijflijke smeerboel in de tweekamerwoning waar Bacon vele jaren heeft gewoond en gewerkt. Overal staan conservenblikken met verfborstels. Op de vloer liggen aangebroken verftubes. De muur was Bacons palet. Daar mikte hij een klodder verf op.

Het herinnert aan die anekdote van Botticelli over 'het toeval in de schilderkunst'. Wanneer je een spons doordrenkt met verf en tegen de muur smijt, meende Botticelli, ontstaat er een vlek waarin een landschap schuilgaat. Bacon geloofde in zo'n toeval. Hij maakte nooit schetsen of voorstudies. 'Ik teken niet', zei Bacon. 'Ik begin met allerlei vlekken. Ik wacht op wat ik het toeval noem: de vlek vanwaaruit het schilderij gaat beginnen.' Spatten verfbevatten het schilderij al. 'Zo'n vlek is het toeval; ze lijkt altijd ergens op.'

Niet iedereen houdt van Bacon. Sommigen noemden hem 'een gokker op de snobs en hun schijncultuur', een alcoholist en casinobezoeker die toevallig ook nog schilderijen maakte. Natuurlijk was hij een drankorgel. De biografie die Daniel Farson, met wie hij menig glas heeft gedronken, heeft geschreven, is een relaas van een leven in de pub. 'Mijn leven', zei Bacon ooit, 'dat is van de ene bar naar de andere gaan'. Op foto's zie je dat brede, peervormige en bijna nekloos hoofd, met dat ietwat ordinair Teddyboy-kapsel en met door de drank aangetaste diepliggende ogen. Farson beschreef zijn vriend in The Gilded Gutter Life of Francis Bacon als een vrijgevig kroegloper. Bacon dronk sloten champagne. Hij was een liederlijk libertijn, die royaal het eten en de drank van zijn vrienden betaalde.

Was zijn schilderen een maniertje, zoals Clement Greenberg beweerde, 'een geïnspireerde veilige smaak'? Was het sensationele guignol en gemakkelijke figuratie? Wanneer je echter, zoals nu in Parijs, weer lange tijd naar die gruwelijkheden in paars en karmijnrood kijkt, ontdek je die onmiskenbare 'onbarmhartige schoonheid' van zijn doeken. Ze ontroeren mij telkens weer, die karkassen op de ontleedtafel, die menselijke wrakken van de misère des hotels, het knekelhuis van gemangelde figuren. Bacons taferelen zijn 'perverse spaces', het is een morgue - schilderijen vol bloed, braaksel of speeksel.

Zijn werk, zei Robert Hughes, is 'een vliegenvanger'. Er blijen ontelbare beweringen aan kleven. Er zijn nog altijd velen die zijn werk als kil gemaniëreerd, als sensatiebeluste poppenkast beschouwen. 'Sommige kunst is behangselpapier', meent Hughes in Nothing If Not Critical. 'Die van Bacon is vliegenpapier, en talloze claims blijven eraan plakken: in de afgelopen veertig jaar heeft het uitersten aan jubel en gejouw aangetrokken.'

Bacon toont ons het spoor dat de mens achterlaat als het slijm dat de slak op zijn weg laat liggen. Hij schilderde in stukken gereten kadavers, gepijnigde mensen en ontbeende figuren die zich aan een delirium hebben overgeleverd.

Paul Depondt

Meer over