De omroepen kunnen het best zelf

Na meer dan zestien jaar vertrekt Harry Kramer als directeur Media bij het ministerie van OC & W. 'Het omroepbeleid is een giftig mengsel van Haagse en Hilversumse mechanismen.'..

Door Wilma de Rek

Hij liep al een tijdje rond met de gedachte weg te gaan, en toen hij hoorde over plannen om faciliteiten van het NOB weer bij de NOS onder te brengen, hakte hij de knoop door. 'Ik dacht: toen jaren geleden de splitsing van de NOS en het NOB aan de orde was, zat ik ook al hier op het departement. Het werd wel erg déjà vu allemaal.' En dus stopt Harry Kramer per 1 februari 2004 als directeur Media, Letteren en Bibliotheek van het ministerie van OC & W om adviseur te worden.

Ruim zestien jaar heeft hij die functie bekleed. Altijd op de achtergrond, zelden bereid tot interviews. Toch werd hem steevast grote macht toegeschreven. 'Topman bij het ministerie van OC & W en in die hoedanigheid ook wel schaduwminister genoemd', schreef Het Parool begin dit jaar over Kramer.

De topman in kwestie meent dat veel is terug te voeren op het roomse gezegde 'genade door staat'. 'Als je maar lang genoeg blijft zitten, verwerf je vanzelf een bepaald gezag. Mensen groeien in hun vak; een interessante vraag is wat iemand als Balkenende nog via die 'genade door staat' zou kunnen bereiken. Ik ben niet verantwoordelijk voor het beleid maar voor de voorbereiding van het beleid. Als je dat goed doet, krijgt het draagvlak en worden je analyses overgenomen.'

Harry Ype Kramer (Bolsward, 1944, getrouwd en vader van drie kinderen) heeft vele ministers en staatssecretarissen zien komen en gaan: Elco Brinkman, Hedy d'Ancona, Aad Nuis, Rick van der Ploeg, Medy van der Laan. In 1987 trad hij aan als hoofd van de directie Media, Letteren en Bibliotheek, aanvankelijk bij het ministerie van WVC, later OC & W. Kramers beslissing te vertrekken komt op een moment dat bij de publieke omroep diepgravend wordt gediscussieerd over zaken als legitimatie en stevige samenwerking tussen de verschillende omroepinstellingen; zaken die een decennium geleden ook al aan de orde waren.

Kramer plukt een paars met wit mapje uit zijn la. Publieke omroep in Nederland, staat erop. 'Dit is een van de beste werkstukken die we hier ooit hebben gemaakt. Uit 1991, toen Hedy d'Ancona media deed als minister van WVC, maar hij kan nog heel goed mee. Ik zou hele passages zo kunnen overtikken zonder dat iemand merkt dat de zinnen tien jaar oud zijn. Die publieke omroep, dat is Schubert, auf dem Strom. Hedy d'Ancona had behoefte aan een visie, die visie is ontwikkeld en je ziet daarin al een aantal elementen die nu nog steeds spelen. De scheiding tussen omroepverenigingen en het omroepbedrijf, de manier waarop het toezicht is geregeld, de bevoegdheden van de raad van bestuur: die discussies worden al jaren gevoerd. Het gaat uiteindelijk wel een bepaalde richting uit, maar traag: het is twee stappen vooruit en een achteruit. Het omroepbeleid is een giftig mengsel van Haagse en Hilversumse mechanismen met als uitkomst: too little, too late.'

Volgens Kramer is de situatie van de kranten vergelijkbaar met die waar de publieke omroep in 1990 in verkeerde. 'Maar waar de publieke omroep al jaren bezig is met de eigen rol en organisatie, moet dat hele proces bij de kranten nog beginnen. Dagbladen hebben een groot, structureel probleem dat zeer lijkt op dat van de publieke omroep destijds: ze zijn niet opgewassen tegen nieuwe concurrenten. Hun klanten lopen weg. En de kranten zijn ook nog eens in het nadeel door de genadeloze verschuiving van de vroegere leescultuur naar de huidige beeldcultuur. Bovendien zijn ze organisatorisch niet op orde. Wie maakt de dienst uit? De directeur, de hoofdredacteur, de verslaggever?

'De wendingen die de geschreven pers moet maken, zijn buitengewoon ingewikkeld. Uitgeverij PCM is in feite een soort publieke omroep met drie VPRO's erin. Kranten zijn nu nog aanbodgericht; ze moeten leren vraaggericht te worden. Dat levert heikele punten op. Het echte debat moet de komende jaren gaan over de vraag wie de baas is over de informatievoorziening in Nederland. Wie bepaalt wat er gezien wordt? De staat moet dat niet zijn. De commercie ook niet. Daarom hecht ik aan vrije toegang tot de kabel, daarom hecht ik ook aan omroepen.'

Kramer vindt dat te gemakkelijk wordt geroepen dat de Mediawet gewijzigd moet worden. 'Bijvoorbeeld als het gaat over de soms moeizame relatie tussen de raad van toezicht en de raad van bestuur. Natuurlijk moeten de omroepvoorzitters zich in de raad van toezicht als toezichthouders opstellen en niet als bestuurders. Maar dat heeft die raad van toezicht zelf in de hand. En wat de raad van bestuur betreft: die moet de mogelijkheden die de Mediawet biedt, eerst maar eens toepassen voordat over een verandering van die wet gesproken wordt. Er is nog ruimte zat; de raad van bestuur mag begrotingen opstellen per net, en hij kan 25 procent van het totale omroepbudget naar eigen inzicht besteden in plaats van tien procent, zoals nu gebeurt. Structuur is niet allesbepalend. Als een organisatie zelf niet loopt, wordt het nooit wat, hoe je het ook inricht. Een schillenboer moet ook niet, elke keer als hij een deur verder moet, zijn paard op de kont hoeven slaan; dan komt zo'n man doodmoe thuis.'

Kramer heeft veel vertrouwen in de raad van bestuur van de Publieke Omroep. Hij kent de drie leden goed: voorzitter Harm Bruins Slot was directeur-generaal op zijn eigen ministerie voor hij naar Hilversum vertrok, met Cees Vis is hij sinds hun studententijd bevriend.

'Ik denk dat het een goeie combi is. Harm is een goed bestuurder, Cees kun je overal mee naaroe nemen, Ruurd Bierman weet veel van het bedrijf. Je mag ze niet vergelijken met de vorige raad van bestuur, ze zijn nog maar net begonnen. Het is zoals Henk Hofland zei over het kabinet: aan het begin staan die ministers opgepoetst en met gekamde haartjes op het bordes, na vier jaar staat de bril scheef op hun neus en zitten die haren in de war. Ik heb deze raad van bestuur één advies gegeven: zorg dat je altijd met zijn drieën één standpunt inneemt.'

Waar gaat de publieke omroep naartoe, wat is het eindpunt? Kramer: 'Iedereen doet nu ineens heel opgewonden over de visitatiecommissie onder leiding van Alexander Rinnooy Kan, die in april met haar rapport komt. Maar die commissie is niet bedoeld voor de politiek, die commissie is een intern instrument, bedoeld voor de publieke omroep zelf.

'Natuurlijk, de commissie licht de omroepverenigingen door omdat hun erkenning in 2005 afloopt, en ze zal ook wel met kritiek komen. Maar het zou me zeer verbazen als niet alle omroepen erin slagen voldoende leden te houden om die erkenning te verlengen. Want leden zijn nog steeds het belangrijkste criterium.

'De verlenging van de erkenningen is een tussenstapje; de publieke omroep als geheel heeft een uitzendconcessie tot 2010. Dat betekent dat de discussie over de vraag wat voor publieke omroep Nederland nodig heeft, pas in 2008 echt wordt afgerond. Als dan zou worden besloten tot fusie van de omroepen per net, waarover nu wordt nagedacht, heb je een wijziging van de Mediawet nodig. We gaan dat model hier wel onderzoeken.

'Maar ik zou tegen de omroepen willen zeggen: als u nou begint met net te doen of u goed met elkaar kan opschieten, en alvast zoveel mogelijk gaat samenwerken, zou dat dan niet enorm veel schelen? U kunt het allemaal best zelf.'

Meer over