De NS koesteren hun stijve en bonte wikke

Beheerders van spoorlijnen hebben instructies gekregen om de vaak bijzondere planten en dieren in de spoorbermen en op de emplacementen te ontzien....

PIET VAN SEETERS

IN DE BUURT VAN Linne, onder Roermond, laat bioloog Arie Koster de plek zien waar volgens hem de ecologische omslag bij de Nederlandse Spoorwegen is begonnen. Bovenaan het talud van de spoordijk, die hier een paar meter hoog is, staan opvallende planten met grote lila bloemtrossen van een decimeter lang. 'Het is stijve wikke', zegt Koster, 'een plant die voornamelijk in spoorbermen groeit.'

Negen jaar geleden stond deze spoordijk over tientallen meters vol met deze zeldzame plant, totdat alles opgeruimd werd bij graafwerkzaamheden aan het talud. Er ontstond een relletje, het zoveelste over het natuurbeleid van de NS. Eerder was er bijvoorbeeld in Friesland deining ontstaan over het kapot spuiten van braamstruiken met bestrijdingsmiddelen. 'Na Linne zei de NS-directie dat ze van dat gezeur af wilde. Dat was de omslag', aldus Koster.

Twee jaar geleden is bij Linne de stijve wikke (ook wel tere wikke genoemd) teruggekeerd. Aan de andere kant van de dijk ligt het oostelijke talud in de zon. De berm biedt een ouderwets feestelijke aanblik. Lila plakkaten stijve wikke worden afgewisseld met het paars van de bonte wikke. Tussen klaprozen en margrieten staan de lichtgele wuivende pluimen van de wilde reseda. De wondklaver is er teruggekeerd, net als de akkerhoornbloem en het kroonkruid. En bovenop de dijk - we zijn immers in Limburg - groeien enkele verwilderde aspergeplanten.

Koster is tevreden. 'Het gaat hier de goede kant op, de diversiteit is aan het terugkomen. De wondklaver is een plant die het erg moeilijk heeft. Dat die hier weer staat, is een goed teken. Als er binnenkort een mol begint te graven, kunnen zaden van planten die nog niet terug zijn, weer aan de oppervlakte komen. De NS moeten hier voorlopig niets doen, laat alles maar zijn gang gaan', zegt hij tegen Greet Eijkelenboom en Rita Kuijsters, twee Wageningse ingenieurs die bij de afdeling Milieutechniek van NS Railinfrabeheer verantwoordelijk zijn voor het natuurbeleid.

De NS zijn niet alleen grootgrondbezitter, maar ook beheerder van natuurwaarden. Het spoorwegbedrijf bezit dertienduizend hectare grond, verdeeld over 8.500 hectare spoorlijnen en 4.500 hectare stations en emplacementen. De lengte van het net bedraagt drieduizend kilometer, en dat betekent dat er dus zesduizend kilometer berm is. Het was al lang bekend dat er op die bermen en op grote weinig gebruikte emplacementen veel wilde planten voorkomen, mèt de daarbij behorende dieren zoals insekten, reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren.

In tien jaar tijd, in de jaren tachtig, heeft Arie Koster, onderzoeker bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, op verzoek van de NS de flora en fauna op NS-terreinen in kaart gebracht. De resultaten liggen vast in het boek Spoorwegen, toevluchtsoord voor plant en dier dat in 1991 is uitgegeven door de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Hij noteerde 1.080 soorten planten, waarvan 916 wilde soorten. Dat is 63 procent van de Nederlandse flora.

Daar zijn aardig wat bijzondere planten bij. Er zijn 335 soorten gevonden die vrij zeldzaam, zeer zeldzaam of wettelijk beschermd zijn. Er zijn 49 soorten die voornamelijk op spoorwegterreinen groeien en elders weinig meer te vinden zijn. Meer dan tweehonderd plekken langs de spoorlijn hebben een bijzondere floristische betekenis en datzelfde geldt voor 173 emplacementen.

Er zijn diverse oorzaken waarom spoorwegterreinen zo belangrijk zijn voor de Nederlandse flora. Het spoorwegennet ligt door heel Nederland en bestrijkt dus nagenoeg alle bodemtypen. Zeker in vergelijking met de auto is de trein een schone vorm van vervoer. Het aantal soorten in spoorbermen ligt duidelijk hoger dan dat in wegbermen. Spoorwegterreinen zijn niet voor het publiek toegankelijk. Dat betekent dat de vegetatie weinig verstoord wordt.

En bovendien zijn treinen voor menige plant ook een ideaal vervoermiddel. Lichte zaden blijven aan een trein kleven en kunnen kilometers verder terecht komen.

Sinds een aantal jaren zijn de NS zich bewust geworden van de floristische waarde van hun terreinen, zegt Koster. Hij heeft in die tien jaar van inventarisatie ongeveer het hele spoorwegnet afgezocht en kreeg als enige onderzoeker overal toegang. Tot het jaar 2000 hebben de NS per jaar tweehonderdduizend gulden uitgetrokken om belangrijke lijngedeelten en emplacementen te beheren. Het bedrijf begon daarmee in 1986. Koster mocht de terreinen aanwijzen en koos daarvoor twintig emplacementen in verschillende delen van het land. Na 1986 zijn daar 22 plekken langs spoorlijnen bijgekomen.

Tegelijk veranderden de NS hun beleid op andere punten. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen werd drastisch teruggebracht. De tien jaar oude sproeitrein waarmee de middelen op en langs de baan werden gespoten, werd buiten bedrijf gesteld, omdat het niet mogelijk was daarmee de beoogde vermindering te halen. Nu sproeien de NS zowel op de spoorlijnen zelf als langs de schouwpaden zeer selectief.

Het nieuwe beleid kreeg enkele maanden geleden een voorlopige afronding met het Naslagwerk fauna- en floravoorzieningen. Dat is een intern document dat de lijnbeheerders moeten gebruiken bij ingrepen aan de lijnen. Uitgelegd wordt bijvoorbeeld op welke manier voorkomen kan worden dat de spoorlijnen voor dieren een belemmering vormen om zich te verplaatsen. Dat kan bijvoorbeeld door duikers geschikt te maken voor dieren. En hoe je een talud zo kunt afwerken dat er natuurwaarden ontstaan.

Arie Koster laat in Limburg een paar hoogtepunten van de NS-flora zien. Boven Maastricht ligt het Bunderbos, een hellingbos waar de spoorlijn pal naast de voet van de helling ligt. Was Linne de omslag in het denken van de NS, Bunde was volgens Koster de doorbraak. Op dit traject is voor de Tweede Wereldoorlog een trein ontspoord, waardoor de aardlagen verstoord raakten. Om de spoorlijn daarna te ontwateren, zijn aan weerskanten diepe putten gegraven zodat het uit de helling komende kwelwater afgevoerd kon worden.

Die putten waren en zijn van groot belang omdat ze een van de weinige plekken in Nederland zijn waar de vuursalamander voorkomt. Bovendien bevatten ze de grootste Nederlandse populatie van de zeldzame steenbreekvaren, en ook de maanvaren groeit er. Eigenlijk moesten de putten dichtgemaakt worden, vonden de NS. Maar op aandrang van Koster en andere natuurminnaars werden ze aan de bovenkant afgedekt met lichtdoorlatende zinken roosters.

Het kostte de NS flink wat geld. Om de salamanders te sparen, werd het werk overdag uitgevoerd in plaats van 's nachts. Daardoor was enkele maanden lang slechts één baan beschikbaar, zodat het regionale treinverkeer vertraagd werd. 'Tien jaar daarvoor was dat bij de NS nog ondenkbaar geweest', zegt Koster. Langs de spoorlijn wijst hij en passant op een paar zeldzame planten, de hangende zegge en de zwartblauwe rapunzel.

In Simpelveld ligt een groot emplacement dat buiten gebruik is, 'het Mekka van de spoorwegflora'. Het terrein hoorde bij het miljoenenlijntje voor het kolenvervoer. De lijn is niet meer bij de NS in gebruik. Eens per week rijdt er een stoomtrein voor toeristen. Hier groeit het kandelaartje, het grijs havikskruid en de behaarde boterbloem. Er staan meters vol wilde marjolein en bergsteentijm. Als we erdoorheen lopen, geurt het naar de Provence.

Maar het mooiste heeft Koster voor het laatst bewaard. Bij Eys ligt de spoorlijn tussen twee taluds van minstens vijftien meter hoog. De taluds zijn veranderd in kalkgraslanden, die nu door de NS als natuurterrein worden beheerd. Hier groeit de ene na de andere bedreigde en zeldzame soort. De harige ratelaar, hoog op de rode lijst, kleurt grote oppervlakten lichtgeel. Het kalkwalstro staat er, de grote centaurie, duifkruid, herfsttijloos en kleine pimpernel. Tussen het gras staat een bijna uitgebloeid exemplaar van het soldaatje, een orchideeënsoort. Het is geen wonder dat alle biologische faculteiten van Nederland hier met hun studenten naar toe komen.

Het natuurbeheer van NS gaat de goede kant op, zegt Koster. 'Er zijn af en toe nog wat communicatiestoornissen, maar de structuur is er nu. Het proces gaat goed. Als ze bij de NS zo doorgaan, slagen ze voor het examen.'

Piet van Seeters

Meer over