De nieuwe studenten zijn gewone mensen

De doctorandustitel is gewoontjes geworden en geen werkgever staat meer te springen om de kersverse afgestudeerde. Maar of de waarde van de bul is gedaald, is niet zo eenvoudig vast te stellen....

De doctorandussen bestormen massaal de arbeidsmarkt. Ooit was de doctorandus een held, een uitverkorene. Nu is hij vee. In rotten van tien studeren ze af. Stijf in het pak halen ze hun bul op. En dan? Tja dan. Dan hebben ze geen of nauwelijks werkervaring en staan ze ineens midden op de markt met een waardepapier: een toegangsbewijs tot het walhalla van het menselijk leven, de baan.

De oude garde verliet in de jaren zeventig fluitend de universiteit. Keek op de arbeidsmarkt eens links naar uitgestoken handen en begerige blikken en dan eens rechts naar spectaculaire aanbiedingen. Wikte en woog en koos. En werd directeur.

Minister Ritzen van Onderwijs: 'In mijn Delftse opleiding was duidelijk dat je werd opgeleid als lid van de Raad van Bestuur. Dat lag voor de hand. Er waren weinig ingenieurs. De mijnbouwkundige werd directeur van de mijn.'

Maar de bedrijven zijn niet meer zo onder de indruk van een doctorandus-titel. Die is gewoontjes geworden. Wat zegt de bul over de kwaliteit van de sollicitant? Personeelsmanagers zijn geïnteresseerd in het curriculum vitae: in de persoon zelf. De bul zegt hooguit wat over het doorzettingsvermogen, maar daarmee is al veel gezegd.

Is die bul eigenlijk nog wel wat waard? Kun je net zo goed gelijk gaan werken? Een jaar propedeuse, je storten in bestuurswerk, bijbanen, nog een serie heel interessante en handige vakken volgen en zoeken maar. De bul aan de sul.

Uit Duits onderzoek bleek enige jaren geleden dat gesjeesde studenten een snellere carrière in het bedrijfsleven maken dan hun leeftijdsgenoten die wel doorzetten. Het zijn de inventieven en de energieken die hun studie afbreken, ongeduldig om aan de slag te gaan.

De jonge schrijver Ronald Giphart schreef vorig jaar in een column dat zijn leukste, aardigste en interessantste vrienden niet zijn afgestudeerd. Zij die wel de meet passeren, krijgen saaie banen.

Wat is er de afgelopen jaren met de bul gebeurd nu zij niet meer zo bijzonder is? Is ze in waarde gedaald, heb je er minder aan of is de kwaliteit van het onderwijs dermate toegenomen dat ze juist meer waard is geworden? Of is van beide sprake? We vroegen het minister Ritzen van Onderwijs en prof. J. Leune van de Erasmus Universiteit Rotterdam: experts in en over bullen.

Beide heren noemen onmiddellijk één belangrijke reden voor de wijdverbreide indruk dat de bul minder waard is geworden: de herkomst van de studenten. 'Het percentage studenten afkomstig uit het lagere sociaal-economische milieu is substantieel toegenomen', weet Leune. 'De tijd dat de kinderen van de ongeschoolde handarbeider 6 éa 7 procent van de universitaire bevolking uitmaakten, ligt ver achter ons. Dat is nu zo'n 25 procent, het hoger beroepsonderwijs meegerekend. Ik noem dat vooruitgang. Ook al is het ideaal van gelijke onderwijskansen nog ver weg.'

De nieuwe studenten blijken gewone mensen te zijn. Niet de bal, de hautaine vanaf het balkon pissende lullo, nee: een keurig opgevoede middenklasser. Die pissen niet vanaf het balkon in het broodtrommeltje van de arbeider: de nieuwe student studeert. En regeert de universiteit.

'Of je vader nu hoogleraar was, minister of handarbeider, dat speelt steeds minder een rol. De bul is het belangrijkste', zegt Ritzen stellig. Leune: 'Studenten uit hogere sociale mileus hebben een bepaalde flair. Ze komen met een houding binnen, die ze van huis uit hebben meegekregen en die veel lijkt op gedragspatronen die vroeger op de universiteit dominant waren. Degenen die nu de studenten beoordelen met de maatstaven van toen, lopen het risico te concluderen: zie je wel, het is minder geworden.'

Ritzen zegt: 'De bul wordt het voornaamste referentiekader en dus herkenbaarder. Andere manieren van beoordelen van mensen - de manier waarop ze zich uiten, de manier waarop ze spreken - zijn minder belangrijk geworden.'

En dat nieuwe fenomeen werkt volgens Ritzen door tot bij de werkgevers. 'In de werkomgeving spelen kenmerken als ouderlijke afkomst steeds minder een rol. Vriendjespolitiek, terechtkomen op een plek waar je ouders vandaan kwamen, het doet er nauwelijks meer toe.'

Ritzen kan het weten. Hij haalde zijn eerste bul in april 1970: de ingenieurstitel. 'Het was een triomf op het klasse-systeem', zegt sociaal-democraat Ritzen. 'Mijn vader was boerenzoon en hartstikke slim. Die kon net naar de kweekschool. Voor hem was het een droom dat wij het systeem konden doorbreken waarin slechts kinderen van de rijke mensen kunnen studeren.'

'Studenten zijn vrijpostiger geworden', zegt Leune. 'Brutaler. Ze hebben beter dan andere generaties geleerd om voor hun eigen belangen op te komen. Daarbij vertonen ze meer berekenend gedrag. Het percentage studenten dat hier neerstrijkt met het idee ''we gaan een wetenschappelijke studie volgen, omdat het vak ons boeit'', is bescheiden. Ik zeg er gelijk bij: het tij lijkt te keren.'

Interessant gegeven is dat de vwo-leerling een van de best opgeleide ter wereld is. Leune: 'Ik heb geen enkele aanwijzing dat het niveau zou zijn gedaald. Het niveau is zelfs pittiger geworden. Deskundigen, docenten in het voortgezet onderwijs, zijn eensgezind: het vwo is zwaarder dan ooit.'

Wordt dat niveau op de universiteit gehandhaafd? Ritzen is kritisch: 'We zouden op de universiteit meer kunnen voortbouwen op de internationale voorsprong die we in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs hebben opgebouwd.'

Leune: 'We hoeven ons niet te generen. We scoren hoog op internationale ranglijsten. Opleidingen worden op de snijtafel gelegd, streng beoordeeld door commissies met internationale experts. Het komt sporadisch voor dat er een vernietigend oordeel wordt geveld.'

Een algemeen oordeel lijkt niet te geven. Sociologie in Rotterdam is heel wat anders dan sterrenkunde in Amsterdam. Ander vakgebied, andere tradities, andere internationale setting. Leune: 'Er zijn grote verschillen tussen opleidingen en universiteiten. Dat bleek onlangs weer uit een enquête onder werkgevers.' Noot: Leunes Erasmus Universiteit werd nummer één.

Ritzen: 'De vraag is: zijn er nu zo veel mensen doctorandus geworden die vroeger nooit de meet zouden hebben gepasseerd? Voor de bèta-studies is er geen sprake van. Voor de gamma- en alfa-studies geldt iets anders.'

Die zijn minder? 'Bij de alfa- en gamma-richtingen - zoals economie - is er geen sprake van mindere kwaliteit', weet Ritzen, 'Bij de alfa-studies zijn er af en toe grote vragen over de samenhang van het programma. Die vragen hebben zich ook in het verleden voorgedaan. Ik ga hier af op de visitatiecommissies.' Dat zijn commissies met experts, ook uit het buitenland, die de wetenschappelijke studierichtingen regelmatig tegen het licht houden.

Het brengt Ritzen op een van zijn stokpaardjes: het bindend studie-advies. Dat moet ervoor zorgen dat ongemotiveerde studenten niet de gelegenheid krijgen het einde te halen. 'Is de selectiefunctie bij alfa- en gamma-studies wel voldoende aan de orde?' vraag Ritzen zich openlijk af. Ofwel: halen niet te veel mindere goden hun bul, terwijl twijfelachtig is of ze die wel echt verdienen?

Of, zoals Ritzen het stelt: zou de studie niet aan kracht winnen als de ongemotiveerden vroegtijdig de wacht krijgen aangezegd? 'Zijn de alfa's wel voldoende ingericht op selectie? Ik snap al te goed dat men niet al te gemakkelijk durft met bindende adviezen te werken. Met zo'n advies moet je ook tegen studenten zeggen: je krijgt een goede begeleiding. In de alfa- en gammawetenschappen moet sterker worden geselecteerd.'

Dertig en ook twintig jaar geleden was de bul een schaars goed. Sinds de jaren tachtig overstromen studenten de universiteiten. Democratisering heet dat: de toegang is niet langer voorbehouden aan een kleine club in de samenleving. De poorten gaan open. Behalve een wijziging in de cultuur had het ook gevolgen voor het aantal afstudeerders. Dat nam flink toe, later nog gestimuleerd door de invoering van de tempobeurs: de beurs die van de student eist snel te studeren op straffe van hoge schulden.

'In tien jaar is het aantal mensen op de arbeidsmarkt met zo'n ding verdubbeld', zegt Ritzen over de bullen. 'Dan gaat meer concurrentie ontstaan. En dus komt er een grotere variatie in beroepsloopbanen van mensen met hetzelfde diploma. Dat betekent dat niet iedereen vanzelfsprekend directeur wordt. Doctorandussen kom je nu overal tegen. Het zal steeds vaker voorkomen dat de directeur een lagere opleiding heeft dan de doctorandus die onder hem werkt.'

Dat er meer doctorandussen zijn gekomen, was ook hard nodig. De ingewikkeldere maatschappij lokte vraag naar hoger opgeleiden uit. 'Er is waardevermindering, want er komen steeds meer doctorandussen. Maar de waarde neemt ook toe, omdat er meer hoger opgeleiden worden gevraagd. Uiteindelijk denk ik dat er nu meer doctorandussen worden afgeleverd dan gevraagd', zegt Ritzen.

Leune wijst erop dat er in Nederland eind jaren zeventig wel erg weinig doctorandussen werden opgeleid. 'Nederland had in dat opzicht een achterstand in te lopen. De expansie die zich vooral na 1989 heeft voltrokken, is voor een deel ook het inlopen van een achterstand. We lijken nu op het buitenland als het gaat om het percentage vwo'ers dat doorleert op de universiteit.'

Het aantal universitaire studenten stabiliseert en de berekenende student is op zijn retour, denkt Leune. Ze gaan weer terug naar de roots van de wetenschap. 'Het idee komt terug dat je je op de universiteit primair moet bekwamen in een wetenschap. Het aantal studenten dat geïnteresseerd is in de wetenschap neemt toe. Het aantal studenten met facultatieve vakken, bovenop het curriculum, zie ik toenemen. Dat is hoopvol. Een berekenende student doet dat niet. Die zegt: ik heb aan mijn verplichtingen voldaan en soit. Even een paar maanden naar het buitenland, een extra vak wiskunde. . . zo'n studente kwam net binnen. Toen zei ik: goh, zo mag ik het graag zien.'

Meer over