DE NIEUWE PRUIKENTIJD

De Nederlandse bestuurlijke elite is een keurig gezelschap dat ook zonder duistere complotten politieke invloed weet uit te oefenen. Het is wel een gesloten, eenzijdig samengestelde en overwegend behoudende groep, verknocht aan de poldercultuur....

Wilco Dekker en Ben van Raaij

Nederland heet een transparant land. Buitenlanders weten beter. Wij vinden onszelf tolerant, democratisch en egalitair. Maar we moeten niets hebben van onruststokers als Ayaan Hirsi Ali, mogen ons staatshoofd, de premier noch de regeringscoalitie kiezen én houden er achter de schermen wel degelijk een elite op na.

Dat het Nederland bijna veertig jaar na de ‘tweehonderd van Mertens’ nog altijd zo’n kleine bovenlaag kent, komt naar voren uit zeven afleveringen Macht & Invloed in Nederland en uit de Top 200 van invloedrijkste Nederlanders. Het is een elite, of liever een stelsel van verknoopte deelelites, van hooguit duizend mensen. Zij zijn vooral achter de schermen zonder veel democratische legitimatie actief in talloze raden, besturen en adviescommissies en hebben zo (de mogelijkheid tot) invloed. ‘Holland’, zeggen buitenlanders, ‘is a club, not a country’.

Wat is het voor een club, en hoe wendt zij haar invloed aan?

Het is, blijkens de enquête die TNS Nipo in opdracht van de Volkskrant hield onder vierhonderd leden van de bestuurlijke elite, een overwegend mannelijk, academisch opgeleid gezelschap, dat met een gemiddelde leeftijd van zestig jaar gerontocratische trekken vertoont. Hun invloed begint meestal met hun (voormalige) hoofdfuncties, vaak in de politiek of het bedrijfsleven, en slaat neer in indrukwekkende cv’s vol bijbanen. Hoe meer verschillende sectoren mensen bestrijken, hoe meer potentiële invloed ze hebben.

De bestuurlijke elite is vergaand partijpolitiek verkaveld en verpolderd. Zij is ingebed in het systeem van politieke partijen (lidmaatschap van CDA, VVD, PvdA of D66 is een must), overleginstellingen en conglomeraten van ambtenaren en belangengroepen dat het land in feite beheert. Veel leden hebben direct toegang tot bewindspersonen. Ook is er een nauwe verwevenheid tussen de top van het bedrijfsleven en de politiek.

Van een klassieke upper class, zoals Engeland of Frankrijk die kennen, is echter geen sprake. Adel, patriciaat en zuilelites hebben hun leidende rol al decennia geleden verloren aan de middenklasse, en aristocratisch geboorterecht heeft plaatsgemaakt voor de burgerlijke ideologie van de meritocratie: wie de kwaliteit heeft (en economie of rechten heeft gestudeerd aan de juiste universiteit) kan tot de elite doordringen.

Het is een door en door Nederlandse, burgerlijke elite, die in gewone auto’s rijdt en net als iedereen in Frankrijk op vakantie gaat. En dat kan ook haast niet anders. ‘Of wij hoog of laag springen’, schreef Johan Huizinga zeventig jaar geleden al, ‘wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van de notaris tot de dichter en van de baron tot de proletariër. Onze nationale cultuur is burgerlijk in elke zin, die men aan het woord hechten wil.’

Ondanks de internationalisering – door de toenemende betekenis van Europa en de mondiale kapitaalmarkten en de opmars van buitenlandse topmanagers in het bedrijfsleven – is het ook nog steeds een overwegend nationale elite. Zij is nog maar beperkt opgenomen in de ‘transnational capitalist class’ van managers, politici en bestuurders die zich volgens veel onderzoekers langzamerhand begint af te tekenen. Zoals een invloedrijke insider zegt: ‘De Nederlanders die internationaal meedoen, zijn op de vingers van twee handen te tellen. We missen de kwaliteit.’

Elites zijn onvermijdelijk en nuttig, stelt de Groningse socioloog Tom Snijders. Een elite met toewijding aan de publieke zaak vervult een cruciale rol in de maatschappij. Zo kan zij in het kleine Nederland veel zaken soepeler regelen dan via de stroperige kanalen van democratie en bureaucratie het geval zou zijn. ‘Maar belangrijk is wel dat zo’n elite openstaat voor nieuwe mensen en nieuwe ideeën, en dat is in Nederland maar zeer ten dele het geval’, aldus Snijders.

Ook insiders wijzen op dat probleem: de elite is een kleine vijver. Toen oud-Unilever-topman Morris Tabaksblat in de jaren negentig na vijftien jaar buitenland terugkwam in Nederland, trof hij in besturen en commissies veelal dezelfde mensen aan als voor zijn vertrek. ‘Nederland was veranderd. De mensen niet’, zegt hij.

‘Je komt altijd dezelfde mensen tegen’, erkent topadvocaat en oud-CDA-senator Willem Stevens. Een consultant spreekt van een ‘gesloten kaste’. ‘Je komt er alleen binnen als je je aanpast aan hun normen en waarden.’ En dat bevordert eerder conformisme en behoudzucht dan nieuwe ideeën. ‘Het adagium op weg naar de top is: don’t rock the boat. Dat levert niet zozeer de beste, maar de meest accommoderende mensen op.’

Tevredenheid

Blijkens de TNS Nipo-enquête ziet de meerderheid van de elite het probleem van de ‘closed shop’ niet zo. Acht op de tien constateren met kennelijke tevredenheid dat de elite voldoende openstaat voor nieuwe mensen, en zeven op de tien vinden dat de elite genoeg open staat voor nieuwe ideeën.

Tegelijkertijd vinden acht op de tien, onder wie alle vrouwelijke respondenten, de elite wel te wit en te veel een mannenbolwerk en meent een meerderheid dat de elite onvoldoende ververst. ‘Dat zelfbeeld van openheid klopt blijkbaar niet geheel met de realiteit’, concludeert de Rotterdamse politicoloog Rinus van Schendelen.

Andere criteria dan louter kwaliteit bepalen de toegang tot de elite, geeft 57 procent toe. Respondenten noemen coöptatie bij bestuursfuncties, risicomijdend gedrag, gemakzucht en ‘het overbekende old boys network’. Maar met wat geduld, zegt een van de respondenten, komen die vrouwen en allochtonen er vanzelf. Een proces dat wat vrouwen betreft overigens al aardig op gang is, met nu 29 vrouwen in de Volkskrant-Top 200.

Dat roept de vraag op of de huidige elite, het bolwerk van witte oudere mannen, in deze vorm zijn huidige leden lang zal overleven. Blijft het old boys network, dat in de tijd van de ‘tweehonderd van Mertens’ nog geslotener was dan nu, intact naarmate meer vrouwen, tweeverdienende jongeren en allochtonen met andere levensstijlen en waardenpatronen erin slagen tot de elite door te dringen?

Vooralsnog slaagt de elite er nog uitstekend in onder ons te blijven. Elke nieuwkomer moet langs de ‘ballotagecommissie’, en zo worden andere lieden dan ‘ons soort mensen’ effectief buiten de deur gehouden. ‘Nieuwe Rijken’ en de selfmade ondernemers uit de Quote 500-lijst tref je binnen de elite niet aan. Ook Pim Fortuyn en zijn populistische vastgoedmafia kwamen er in 2002 niet tussen.

Wie erbuiten valt, krijgt dat ondubbelzinnig te verstaan. BN’er Harry Mens: ‘Bij de poloparty van Cor van Zadelhoff (vastgoedmakelaar met goede connecties in de hogere kringen, red.) in Lage Vuursche kom ik er niet in. Dan belt Cor wel dat ik niet word uitgenodigd. Sorry Harry, zegt hij dan, we gaan wel een keer apart eten.’

Het is niet alleen een zaak van erbij komen, ook van erbij blijven. Wie een faux pas begaat, ligt eruit. Reputatie en discretie zijn alles in deze kringen. ‘Cruciaal is het gezag dat je opbouwt’, aldus voormalig AKZO-topman en VNO-NCW-voorzitter Kees van Lede. ‘Men is zéér veroordelend. Je moet dus van onbesproken gedrag zijn.’

Daar kunnen in ongenade gevallen topmannen als Cor Boonstra (ex-Philips) en Cees van der Hoeven (ex-Ahold) van meepraten. Mens: ‘Enkele maanden na zijn val was Cees bij het jubileum van Van Zadelhoff in het Concertgebouw. Gerard Kleisterlee van Philips kwam langs, gaf hem een hand en zei, al wegkijkend: dag Cees, ik zie je straks. Nooit meer gezien, natuurlijk. Rijkman Groenink van ABN Amro behandelde hem net zo.’

De bestuurlijke elite blijkt in de TNS Nipo-enquête even tevreden over de Nederlandse samenleving als over het eigen functioneren. Zo zeggen zeven op de tien dat Nederland geen klassenmaatschappij is en iedereen hier kan slagen als hij wil, al erkent 73 procent wel dat armoede in Nederland bestaat.

Ondanks ergernissen, zoals over de verruwing van de omgangsvormen, zegt 94 procent graag in Nederland te wonen. Men is vooral trots op het bedrijfsleven, het culturele klimaat, de verzorgingsstaat en de tolerantie. ‘Wat een zelfgenoegzaamheid. Alleen die armoede vinden ze dus nog een probleem’, reageert Van Schendelen.

Op politiek vlak is er afstand tussen elite en burger. De elite is veel vaker partijlid (vrijwel uitsluitend CDA, VVD, PvdA en D66) en blijkt daarnaast minder ontevreden over het kabinet-Balkenende dan de gewone kiezer. Ten tijde van de enquête (maart 2006) zei 55 procent van de elite (heel) weinig vertrouwen te hebben in het kabinet.

De elite stelt ook andere politieke prioriteiten. Onderwijs staat met stip bovenaan als probleem dat nu dringend om investeringen vraagt, ver boven gezondheidszorg en welzijn, stimulering van de economie, bestrijding van criminaliteit en terrorisme of de integratie van minderheden, de keuzes van de gewone kiezer. Opmerkelijk, zegt Van Schendelen. ‘Bestuurders lijken te kiezen voor vraagstukken met een lange tijdshorizon, burgers voor de korte termijn. Dat kan spanningen gaan opleveren.’

Die onderwijsfixatie lijkt voort te komen uit zorg over de afkalvende internationale concurrentiepositie van Nederland, waarover de elite blijkens de enquête bijzonder somber is: 61 procent vreest dat Nederland het in de economische wedloop aflegt tegen de VS en Aziatische landen als China en India.

Dit is dan ook de grote, veronachtzaamde kwestie van deze tijd, zegt een invloedrijk lid van de elite. ‘We hebben een paar eeuwen aan de top gestaan, maar gaan onvermijdelijk naar het tweede plan. De vraag die we nu moeten beantwoorden is: waarmee verdienen wij in 2015 ons geld? Niet in 2050, in 2015! Maar daar wordt niet of onvoldoende over nagedacht.’

Kortetermijndenken

Dat ook de elite dit debat nauwelijks voert, komt volgens een insider door kortetermijndenken en scepsis over de mogelijkheden van sturing. ‘De tijd van de sturing van Nederland, zoals in de wederopbouwperiode, ligt ver achter ons. In het bedrijfsleven hebben de kapitaalmarkten het voor het zeggen, in de politiek hebben we onze soevereiniteit aan Brussel overgedragen. We rommelen in de marge, en praten niet over de echte issues.’

De Amerikaanse cultuurcriticus Christopher Lasch benadrukte in zijn boek The Revolt of the Elites and the Betrayal of Democracy de verantwoordelijkheid van elites voor het algemeen belang. Volgens Lasch laten de moderne elites van topmanagers en bestuurders het daarbij vaak afweten. Vanuit hun veelal internationale wereldbeeld laten zij zich te weinig gelegen liggen aan de sores van de gewone burger. En dat is een gevaar voor de democratie, aldus Lasch.

Volgens de norm van Lasch valt de Nederlandse bestuurlijke elite weinig te verwijten. Het is een weldenkend gezelschap dat keurig in bestuurlijke functies zijn maatschappelijke plicht doet, tot op zekere hoogte als cultuurdragers en mecenaat functioneert, en politieke en maatschappelijke problemen agendeert. En het is uiteraard de taak van de politiek, niet van de elite, die problemen langs democratische weg op te lossen.

Poldermentaliteit

Wel is duidelijk dat de elite, gunstige uitzonderingen daargelaten, haar netwerken graag benut om elkaar de bal toe te spelen, dat ze afwijkende buitenstaanders weert, dat ze behoudend is en gevangen blijft in het pappen en nathouden van een regenteske poldermentaliteit. En dat maakt de elite niet bepaald tot een kracht van maatschappelijke vernieuwing.

Een historische parallel dringt zich op. In het tweede kwart van de 18de eeuw, schrijft Jonathan Israel in The Rise and Fall of the Dutch Republic, was de Republiek nog een welvarende handelsnatie. Maar haar lucratieve wereldwijde handelssysteem brokkelde snel af door mercantilistisch protectionisme en de opkomst van nieuwe concurrenten en economische sectoren. Het behoudende regentendom koos de weg van de minste weerstand, en investeerde het in de Gouden Eeuw opgebouwde kapitaal in de economieën van opkomende rivalen. Voor de Republiek betekende dat stagnatie en verval.

Nederland lijkt in een nieuwe pruikentijd beland. Een rijk land dat moet oppassen niet door de internationale concurrentie te worden voorbijgestreefd. Met een behoudende bestuurlijke elite die, hoewel zij anders dan in de 18de eeuw geen uitvoerende macht heeft, met haar invloed op de politiek mede het gepolder in stand houdt dat slagvaardige hervormingen vaak in de weg staat. Elk land krijgt de elite die het verdient.

Meer over