'De natuur vraagt om geduld, niet om spektakel'

Komende week komt het laatste deel uit van de Nederlandse Oecologische Flora. Bij het behoud van plantengemeenschappen dient de mens centraal te staan, meent auteur Eddy Weeda....

PIET VAN SEETERS

IN DE duinen bij Bloemendaal stapt drs E. Weeda van de fiets om een kleinschalig ecologisch proces te laten zien. Onderaan een korte helling is het zand bedekt door twee zeldzame mossoorten, het groot klokhoedje en kalkgoudmos. Daartussen groeien diverse planten: muizeoortje, bosaardbei en de kleine pimpernel. De mossen grijpen hun kans als er open grond is, ze groeien goed op het hellend vlak, waar ze het zand vastleggen. Andere planten profiteren daarvan.

De kleine pimpernel komt al zo'n drieduizend jaar in Nederland voor, zegt Weeda. Uit boringen naar stuifmeel is gebleken dat het plantje al in 800 voor Christus hier stond. 'Het kwam toen alleen voor in de omgeving van Bloemendaal, en dat is nog steeds zo. De soort heeft zich in drieduizend jaar niet kunnen uitbreiden.'

Een fietstocht met Weeda door de duinen bij Heemstede, Zandvoort en Bloemendaal is een belevenis. Geen wilde plant, of hij vertelt er een verhaal over. Hij is een van de grootste kenners van de wilde flora in Nederland. Volgende week verschijnt het vijfde en laatste deel van een imposant werk: de Nederlandse Oecologische Flora, geschreven door Weeda en geïllustreerd door Rein, Taco en Chiel Westra. Het eerste deel verscheen in 1985, het vijfde deel is de kroon op tien jaar werk.

In de ecologische flora worden alle 1400 wilde planten die in Nederland voorkomen, beschreven in hun relatie tot de omgeving. Tien jaar lang heeft Weeda Nederland doorkruist om de planten in het wild te zien. De planten die hij niet zelf heeft gezien, zijn op de vingers van één hand te tellen, zegt hij.

Van de meeste soorten heeft hij minstens twee of drie groeiplaatsen bekeken om inzicht te krijgen in de variatie in groeivormen. De tekst over de grassen in het laatste deel (dat grassen, schijngrassen en orchideeën behandelt), had hij in concept al eind 1992 klaar, zodat hij in de lente en de zomer van 1993 tijdens de bloei kon controleren of alles wel klopte.

Weeda woont in Haarlem en kent de duinen in de buurt op zijn duimpje. Bij Kraantje Lek in Overveen, de drukbezochte uitspanning onderaan waarschijnlijk de meest belopen duinhelling van Nederland, laat Weeda op een populier opnieuw een ecologisch proces zien. De schors van de populier verzuurt niet, doordat het zand op het duin veel kalk bevat. Door wind en bezoekers komt er veel zand op de boom terecht. De kalk neutraliseert daar het zuur van de neerslag.

Op de populier groeit een keur aan zeldzame mossen, onder meer het boomsterretje. 'Dat bladmos is in het binnenland bijna verdwenen; het komt hoofdzakelijk nog aan de kust voor. En hier hebben we een mooie plaat eekhoorntjesmos. In een straal van honderd kilometer is dit de enige plek waar dit mos nog voorkomt. Dit hier is iepenmos. Dit is een van de zes plaatsen in Nederland waar het iepenmos nog kapsels maakt, sporenhoudertjes.'

Het opstuivende zand bij Kraantje Lek is voor Weeda een voorbeeld van menselijk ingrijpen dat de natuur kan verrijken. Het is een centrale stelling in zijn denken: 'Over de verhouding mens en natuur moet je niet moralistisch doen. Ik moet niets hebben van de misantropie van veel natuurbeschermers.'

In het duingebied wandelen we langs een omheining, waarachter een voor het publiek gesloten natuurgebied ligt. 'Je ziet dat de vergrassing daar een stuk verder is dan hier. Je hebt hier, aan de vrije kant van het hek, ook meer variatie dan daar. Dat komt doordat hier gelopen wordt. Vaak is het helemaal niet erg en zelfs goed als mensen in een natuurgebied komen. Ook een beetje stikstof van hondepoep kan soms geen kwaad. Probleem is alleen dat je het dikwijls niet hardop kunt zeggen, want anders gaat iedereen er zijn hond uitlaten.'

Weeda is 42 jaar. Hij studeerde scheikunde en theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en biologie in Leiden. Hij is belijdend gereformeerd, actief in zijn kerkelijke gemeente en al jaren lid van een gespreksgroep van natuurwetenschappers en theologen. Sinds achttien jaar werkt hij bij het Rijksherbarium in Leiden.

Er is niet een wilde plant waar hij een hekel aan heeft: 'Er zit altijd wel iets aardigs aan.' Er zijn wel planten waar hij een voorkeur voor heeft, zoals de harlekijn (een orchidee), het zandviooltje (waar hij een boek over geschreven heeft), de rapunzel, de smalle beukvaren en het kegelmos.

De vijfdelige ecologische flora is al betiteld als het levenswerk van Weeda, maar daarvoor vindt hij zich nog te jong: 'Ik heb in de verste verte niet het idee dat dit het eind van mijn botanische werk is.' Er zijn talloze planten waar hij nog een apart boek over zou willen schrijven.

Maar het liefst zou hij de nu voltooide Nederlandse flora uitbreiden tot een flora voor midden- en west-Europa, zeg maar het gebied tussen de Alpen, de Noordzee en de Oostzee. 'Ik denk dat dat met twee medewerkers ook in tien jaar te doen moet zijn. Dan heb je het over dertig manjaren. Maar zie daar maar eens sponsors voor te vinden.'

AAN DE rand van een natte duinvallei in de Kennemerduinen, de Oosterdel, is hij verrast door een groot aantal opkomende rietorchissen. Goed nieuws, zo lijkt het. 'Maar het kan in andere omstandigheden ook een indicatie zijn dat er een vervelende milieufactor aan het werk is.' Zoiets heeft hij eerder meegemaakt.

In Overijssel is enkele jaren geleden de laatste vindplaats van het breed wollegras verdwenen. Dat kwam door verlaging van het grondwaterpeil, waardoor de invloed van regenwater toenam. Dat bleek gunstig voor de gevlekte orchis, die daar duidelijk toenam ten koste van andere soorten zoals de brede en de vleeskleurige orchis.

Weeda kan er boos over worden dat de kostbare plantenrijkdom van zulke plaatsen zomaar aangetast mag worden. 'Bij Poederoijen kende ik een weiland, zo ontzaglijk bloemrijk, het leek wel een alpenwei. Het had de bestemming van natuurreservaat maar het werd verpacht aan een boer, die er een maïsveld van maakte. Langs de rand staan nu alleen nog het kluwenklokje, de brede ereprijs en de driekantige bies, de rest is weg.

'In Twente is dat ook gebeurd met een van de laatste vindplaatsen van de parnassia daar, dat is ook maïsveld geworden. Dat soort dingen zou absoluut niet moeten kunnen. Ik zou graag willen dat de overheid daar krachtiger tegen optreedt'.

Volgens Weeda zijn bloemrijke graslanden een gezamenlijk produkt van natuur en menselijke cultuur. 'Dit soort cultuurbezit moet even hoog worden aangeslagen als kunst.' Weeda moet dan ook niet veel hebben van een nieuwe richting in de natuurbescherming, de natuurontwikkeling, waar wordt gepleit voor een drastische scheiding tussen natuur en landbouw, tussen natuur en cultuur. 'We hebben in Nederland veel minder van die oude graslanden beschermd dan in Engeland. Op Texel zijn nog een paar stukjes. Maar daar staat wel de grootste populatie van de harlekijn van noordwest-Europa. Die plant heeft zulke plekken nodig. Een natuurreservaat is voor haar te schraal en een gewoon grasland te bemest.

'Kijk maar eens naar de vroongronden bij de duinen van Goeree-Overflakkee. Die worden al eeuwenlang begraasd door koeien en paarden, waardoor ze zeer rijk zijn. Op één vierkante meter vind je daar wel veertig soorten. Er kan heel veel naast elkaar leven. Daar vinden we nog de veldgentiaan, die vroeger overal in de duinen voorkwam, nu alleen nog bij Egmond en op Goeree.'

Natuurontwikkeling kan nooit in de plaats komen van de ouderwetse natuurbescherming, want dan leggen zulke kwetsbare gebieden het loodje. Hier en daar in het rivierengebied kan natuurontwikkeling waardevol zijn, vindt hij. Maar als je de oevers van de rivieren aan hun lot overlaat, krijg je monocultures van een paar plantesoorten, van rietgras en brandnetel, 'kapitalistische planten die voedselvoorraden in eigen beheer houden, zodat andere planten er niet meer aan te pas komen. En dan moet je toch weer naar de klassieke natuurbescherming grijpen.'

DE NATUUR in Nederland gaat achteruit, zegt Weeda, 'maar dat heeft voor mij niet veel met cijfers te maken. Er zijn per saldo nu in Nederland nog evenveel plantesoorten als vroeger; misschien wel meer.'

Want er verdwijnen weliswaar een helaas planten, maar er komen ook nieuwe bij. Onderweg wijst hij langs het fietspad zo'n 'neofyt' aan: de glanzige ooievaarsbek, een soort die in middelgebergten voorkomt, onder meer in Luxemburg, en die nu sinds een paar jaar bij Overveen bloeit.

Misschien is het zaad hier terechtgekomen door een trekvogel of een toerist, of zat het in pootgoed. Er zijn meer van zulke planten. Een mooi voorbeeld is het bezemkruiskruid, dat massaal voorkomt bij het Amsterdamse station Sloterdijk. Deze plant hoort thuis in Zuid-Afrika en is met zendingen wol terechtgekomen in Europese wolcentra, onder meer in Verviers in België.

Via de Maas kwam het bezemkruiskruid in Limburg terecht, waar het ging groeien op grindbedden langs de spoorlijnen. Vandaar heeft het zich over Nederland verspreid. 'De eerste plant die ik hier in de buurt gevonden heb, stond op het station Haarlem, pal op de plek waar de locomotief van de trein uit Maastricht stilstaat.'

Maar Weeda vindt wel dat in Nederland natuurwaarden worden bedreigd. 'Ik heb vooral zorgen over het verloren gaan van unieke constellaties met een lange geschiedenis, zoals de blauwgraslanden. Ik maak me meer zorgen over de mens dan over de natuur. Ik denk dat de mens eerder zichzelf naar de bliksem helpt dan de natuur. We zouden niet zo cynisch met onze eigen soort mogen omgaan.

'Er is te veel spektakel in het natuurbeleid. Er moeten zo nodig dijken doorgestoken worden, met het NOS-Journaal erbij. Maar we hebben eerder geduld nodig dan spektakel. Geen enkele levensgemeenschap van planten ontstaat binnen een kabinetsperiode. Waar ik van gruw, is dat bij Staatsbosbeheer terreinbeheerders tegenwoordig om de haverklap overgeplaatst worden. Die mobiliteit vind ik een ramp. Terreinbeheerders moeten jaren in hun gebied werken. Ze moeten de gevolgen leren kennen van strenge en zachte winters, van natte en droge zomers. Pas dan raken ze verknocht aan hun terrein.'

En hij citeert Pascal: 'Gij zult niet binnentreden in de waarheid, tenzij door de liefde'.

Piet van Seeters

Meer over