De natte volksvijand

Minister Borst wil de drankaccijnzen verhogen om het alcoholmisbruik te bestrijden. Met name jongeren moeten in het gareel. Het is het zoveelste initiatief van de Nederlandse overheid om de bevolking te behoeden voor drankzucht....

'Breng de bekers, breng de kannen

en het volle, volle vat.

Wijn, wij zijn verdroogde mannen.

Maak ons weer eens duchtig nat!'.

Zo dichtte C.J. Kelk opgewekt in 1931. Hij hield wel van een neut. En hij was niet de enige. Je hoeft maar de oogst van vijf eeuwen vaderlandse letteren op te slaan en het bewijs walmt je tegemoet. In de Lage Landen werd eeuwenlang, vaak fanatiek gezopen. Bier en wijn waren vertrouwde consumpties. Lange tijd was de bevolking bij gebrek aan behoorlijk drinkwater zelfs aangewezen op bier als dorstlesser. Daar voer de natie wel bij.

Dat alcoholconsumptie een schaduwzijde had, zag men al vroeg in, maar een werkelijk probleem voor de volksgezondheid werd het pas met de introductie van jenever. Vanuit Schiedam, bakermat van het papegaaienwater, nam de jajemproductie in de tweede helft van de 18de eeuw een enorme vlucht. Daar waren toen al meer dan honderd distilleerderijen actief. En met succes, want jenever bleek uitstekend verhandelbaar op de Amsterdamse beurs.

Al voor de industriële revolutie zich in Nederland liet gelden, leerde men hier goed innemen. Op vrijwel iedere straathoek lag de verleiding op de loer. Kroegen genoeg. Een gemiddelde liefhebber in Utrecht klokte in die tijd jaarlijks 17,5 liter sterke drank naar binnen, terwijl zijn Groningse drinkebroer 23 liter achterover kiepte.

Echt verwoestend trok de sterke drank zijn sporen in de 19de eeuw. Het waren voornamelijk de arbeiders die met hun schamele loontjes, lange werktijden en gammele huisjes troost zochten op de bodem van het glas. Terwijl de beter gesitueerden aan goed gedekte tafels van hun wijn nipten, probeerden de werklieden en dagloners de alomtegenwoordige misère aan de toog te verdrinken. Hun vooruitzichten werden er niet beter op.

Medici en verlichte volksverheffers signaleerden als eersten het gevaar van sterke drank voor de volksgezondheid. De arts Matthias van Geuns wees in een publicatie uit 1801 op de 'volkskracht ondermijnende werking van het geestrijke vocht' en pleitte voor overheidsbemoeienis. De regering diende zich grote zorgen te maken, want de arbeidslieden liepen gevaar lichaam en geest te bederven, het 'huislijke welvaren' te verspelen en zich in de 'deerlijkste armoede' te storten.

De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, die al sinds 1784 op de bres stond voor het zedelijk welzijn van de Nederlandse natie, kwam in 1803 met 't Morgenslokjen, een brochure die nadrukkelijk wees op de nadelen van sterke drank. Wijn was net zo slecht, maar bier was beter, adviseerden de samenstellers. Voor de drankbestrijding markeerde dit tamelijk naieve geschriftje het begin van de kruistocht tegen het alcoholgebruik.

In de tweede helft van de 19de eeuw was er sprake van een beschavingsoffensief, voornamelijk op gang gebracht door burgerlijke groeperingen. Daarbij kreeg drankmisbruik een prominente plaats op de beschavingsagenda. In Rotterdam en Leiden ontstonden radicale verenigingen die pleitten voor een totale verbanning van sterke drank uit de maatschappij. De ordelievende, plichtbewuste en spaarzame burger spande zich in om de arbeider uit de kroeg en dicht bij huis en haard te houden. Alcoholverslaving werd in de eerste plaats gezien als een moreel probleem dat met enige discipline en zelfbeheersing kon worden bestreden.

Het burgerinitiatief bleef niet zonder gevolgen. Dankzij de toegenomen welvaart werden met name de geschoolde arbeiders gemotiveerd het glas te laten staan. Een ijzeren wil zorgde immers voor vast werk en vergrootte de kans op een stabiel bestaan. Op hun beurt gaven zij weer het voorbeeld aan lager opgeleide lotgenoten.

In 1842 namen Nederlandse filantropische notabelen het initiatief tot oprichting van de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank, die binnen een decennium al op 14 duizend leden mocht rekenen. Keer op keer klopte zij aan bij overheid, kerken, leger en medische stand om alcohol volledig uit de samenleving te weren. Vanaf 1875 kreeg de vereniging concurrentie van de meer gematigde Volksbond tegen Drankmisbruik, opgericht door L.P. Philippona, journalist van het liberale Handelsblad. Deze vooruitstrevende bond, waarbij zich tal van prominenten aansloten, zoals de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Goeman Borgesius, was geen voorstander van een totaal drankverbod. Op vergaderingen ging zelfs onbekrompen de wijnfles rond. Ook beijverde de bond zich voor landelijke bierdistributie als alternatief voor de veel venijniger jenever. Goedkoop bier met een laag alcoholpercentage zou volgens de initiatiefnemers overal verkrijgbaar moeten zijn.

Een serieuze aanvraag voor bierkiosken op drukke punten in de stad, die de bond indiende bij het Amsterdamse gemeentebestuur, miste slechts één stem om te worden gehonoreerd.

De Vereeniging tot Afschaffing groeide later uit tot de belangrijkste blauwe club van Nederland, die haar leden informeerde via het weekblad De Blauwe Vaan. Met een veelvoud aan propagandistische brochures trachtte de vereniging de massa te wijzen op het leed dat alcohol veroorzaakte. Een belangrijke doelgroep was de jeugd. Geschriften werden verspreid onder jongens en meisjes die op het punt stonden de lagere school te verlaten en de maatschappij in te gaan. Daarin was sprake van alcoholgif dat de wording van een 'goed en edel mensch' in de weg stond: 'Want de alcohol maakt, dat we minder baas over onszelf zijn. Een edel karakter beheerscht zijn driften en zijn hartstochten; daar is het beter ik, het gevoel voor al wat goed en rein is, koning. Maar de drank is een oproermaker, die dezen koning wil onttronen.'

Na lange politieke debatten kreeg Nederland in 1881 eindelijk zijn eerste Drankwet, waarmee het aantal verkooppunten van gedistilleerd beperkt werd en openbare dronkenschap strafbaar werd gesteld. De aan jenever verslingerde, laveloze dronkelap verdween uit het straatbeeld en ook waren er minder knokpartijen, zodat het erop leek dat het drankprobleem volledig verdwenen was. Dat was slechts schijn, want weliswaar nam het kroegbezoek aanzienlijk af, maar de alcoholconsumptie werd onbekommerd in huiselijke kring voortgezet. Voor de drankbestrijders bleef er dus nog genoeg werk over.

Inmiddels was drankbestrijding niet langer een zaak van gegoede filantropen. Vrijwel iedere ideologische of religieuze groepering maakte er werk van. De protestanten hadden sinds 1881 hun Nationale Christen Geheel-Onthouders Vereeniging (NCGOV), die met de leuze 'Voor godsdienst, huisgezin en vaderland' Nederland vooral nuchter probeerde te krijgen met het schenken van koffie in speciale gelegenheden. Deze groepering voerde tevens het beheer over een opvanghuis voor drankzuchtigen. D. Noordam van de NCGOV schreef in 1925 een brochure waarin hij wees op de gevaren van de drankduivel. In het verlengde van de drank lag verwaarlozing en misdaad, waarschuwde Noordam: 'Niet alleen een verloren jeugd heeft het dronkemanskind te boeken als gevolg van den alcohol. Een zeer groot aantal kinderen uit alcoholisten gaan door het leven als debielen, imbecielen, idioten.' Bovendien lag een seksuele verwording op de loer: 'Zonder overdrijving meen ik te mogen beweren, dat het dronkemanskind een leven van staag onaneeren leidt. Bij zeer velen (...) is het geworden mutueele onanie. Alle schaamtegevoel is dan vaak uitgeschud en in versnellend tempo sloopt men het lichaam en verschrompelt de geest.'

Katholieken lieten zich minder vlot overhalen tot georganiseerde drankbestrijding. Pas in 1895 namen de roomsen - nota bene in Twente - het initiatief tot oprichting van het Kruisverbond. Drie jaar daarna kreeg dit navolging met Sobriëtas, de Federatie van R.K. Diocesane Bonden tot bevordering der Christelijke Matigheid en tot bestrijding van het Alcoholisme. Bij Sobriëtas vonden zowel de afschaffers van sterke drank als de geheelonthouders onderdak. Er was zelfs ruimte voor zogenaamde 'halfdaagse' afschaffers, die alleen 's middags de drankkelk onberoerd wilden laten.

De socialisten dachten aanvankelijk dat met de verdwijning van het kapitalisme ook het drankprobleem wel zou worden opgelost. Pas later kwam men van die gedachte terug. Tegen het einde van de 19de eeuw werden er socialistische geheelonthoudersverenigingen opgericht. De socialistische voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis beschouwde alcohol als een kapitalistische handlanger. Drank maakte mensen immers tot willoze slaven, 'die zich laten uitzuigen en onderdrukken en voor een borrel tevreden weer buigen onder hun slavenjuk', zoals hij in zijn brochure Geheelonthouding en Socialisme betoogde.

Enkele decennia later liet G. Horreüs de Haas een brochure bij de Arbeiderspers drukken waaruit bleek dat het alcoholische gevaar voor de arbeider nog niet geweken was. Hij herinnerde nog eens aan het oude socialistische motto 'drinkende arbeiders denken niet, denkende arbeiders drinken niet'. 'Wij begrijpen dat het vaandel der sociaal-democratie alleen ter overwinning kan worden gevoerd, wanneer het gedragen wordt door sterke armen en loutere gedachten. Dat een genotzuchtige, veralcoholiseerde massa dat niet zou kunnen, zien wij klaar.'

In de jaren twintig was de alcoholconsumptie aanzienlijk gedaald en twijfelden velen aan het bestaansrecht van de drankbestrijding. Menig lid hield het voor gezien. Dat de verenigingen niet helemaal van het toneel verdwenen, was mede te danken aan de vele culturele nevenactiviteiten die de clubs organiseerden. Voor de echte aanhanger van de blauwe knoop bleef er altijd wel iets te verbeteren over.

Wie zich verdiept in de geschiedenis van de drankbestrijding komt onvermijdelijk terecht bij het zeer uitvoerige proefschrift Drinken, drank en dronkenschap dat J. van der Stel in 1995 over het onderwerp schreef. Wat zijn boek onder meer duidelijk maakt, is dat de overheid nooit met maatregelen alleen een succesvolle strijd tegen de drank wist te voeren. Hij verwacht dan ook weinig heil van de voorgenomen maatregelen. 'Mensen hebben nu veel geld, ook jongeren, terwijl de drankprijzen relatief laag zijn', meent Van der Stel. 'Waarschijnlijk zullen de maatregelen daarom een marginaal effect hebben. Alle succes bij de drankbestrijding was in het verleden toe te schrijven aan een breed maatschappelijk draagvlak. De uitwerking van alleen overheidsmaatregelen was altijd betrekkelijk gering.'

Meer over