De Nachtwacht is alleen op afstand mooi

Rembrandt Tower, Amsterdam. Architect: ZZP Architecten, P. de Clerq Zubli. Opdrachtgever: Sedijko...

Sinds de Toren van Babel, dus zeg maar sinds mensenheugenis, spreken wolkenkrabbers sterk tot de verbeelding. Wanneer is een groot gebouw een wolkenkrabber? De Amerikaanse architect Louis H. Sullivan (1865-1924) noemde al in 1896 een paar voorwaarden waaraan zo'n gebouw in ieder geval moest voldoen: 'Het moet groot zijn, every inch of it. Het moet de kracht en het gezag uitstralen die passen bij zijn hoogte, en er moet een verheven trots en fierheid vanuit gaan. Ook moet het van top tot teen een eenheid vormen, zonder afwijkende onderdelen, die in pure vervoering oprijst - dat is het nieuwe, het onverwachte ervan: dat het op welsprekende wijze de onopgesmukte, sinistere en grimmige omstandigheden samenvat'.

De mooiste wolkenkrabbers zijn pas van na Sullivan's tijd. Die ontstonden pas rond 1910 toen men hoge kantoorgebouwen zoals Sullivan ze ontwierp, combineerde met de bruidstaart-gedachte. Voortaan werd op straatniveau een extra brede onderkant gemaakt en daarop kwam dan een hoge, in verhouding smalle toren, waarop dan weer een duidelijke bekroning werd gezet. Dit wedding cake-model had zijn glorietijd in de jaren twintig en dertig, en leverde prachtige gebouwen op als het Empire State Building en het Chrysler Building, bouwwerken die als krachtige persoonlijkheden nog steeds New York City domineren.

De wolkenkrabber als Grote Vriendelijke Reus. Die associatie moet er verantwoordelijk voor zijn dat nu al de meeste, anders zo lastige Amsterdammers hun eerste echte torengebouw in het hart hebben gesloten. Want kregen grote doosvormige kolossen direct bijnamen als het Maupoleum, de Doodskist of de Bunker (AMC); dit bouwwerk heet al liefdevol De Nachtwacht.

En inderdaad: vooral 's avonds staat het ding er indrukwekkend bij, vertrouwd als een vuurtoren die telkens opduikt aan het eind van grachten en straten; een baken dat een amorfe straat als de Wibautstraat een duidelijke beëindiging geeft; een toren die langs de oever van de Amstel de begrenzing van de stad markeert.

Zo 'menselijk' ook zijn de proporties, dat de toch reusachtige hoogte van 135 meter gemakkelijk op de koop toe wordt genomen. Voor een deel komt dat natuurlijk doordat hij aan de rand van de stad, en aan de overkant van de Amstel staat. Daardoor lijkt hij vanuit het eigenlijke centrum niet eens zo idioot hoog boven de bestaande bebouwing uit te torenen. Maar vooral komt het doordat hij er, van een afstand, zo bijzonder vriendelijk uitziet. Lang en slank, met smalle schouders, een aandoenlijk kleine kop, en daarop een mal mutsje, daar kun je haast niet kwaad op worden.

Maar ach, wat jammer dat zo weinig Amsterdammers ooit eens goed naar echte wolkenkrabbers hebben kunnen kijken. Wie ooit in New York is geweest, en onder de grote wedding cakes heeft doorgelopen die onmiskenbaar als voorbeeld voor het Amsterdamse geval hebben gediend, krijgt in De Omval tranen in de ogen. Zo blijkt dat de ontwerpers van de wolkenkrabber in Amsterdammer bitter weinig hebben begrepen van de manier waarop de drie schaalniveaus - straat, toren en bekroning - elk volkomen andere eisen stellen.

Er is wel wat geprobeerd: zo hebben de eerste acht verdiepingen een zweem van decoratie op de natuurstenen gevelplaten, terwijl er ook ramen van verschillende grootte zijn, en de plint met een schijngevel wordt geaccentueerd. Maar dat is wel een erg armetierig aftreksel van de manier waarop een echte bruidstaart in New York werd vorm gegeven. De basisgedachte was daar dat de straatgevel eenzelfde rijkdom aan materialen en detaillering, en een vergelijke maatvoering diende te krijgen, als iedere andere gevel. Het zou, in Amsterdam, zo aange naam moeten zijn als een gevel in de Beethovenstraat.

Bij het Chrysler Building of Empire State merk je op straatniveau niet dat je langs een wolkenkrabber loopt; een grote variëteit aan winkels op de begane grond geeft je de illusie in een normale winkelstraat te lopen. Wat dat betreft zijn ZZP Architecten terug bij Sullivan, die nog niet begreep hoe je de sinistere, grimmige uitdaging van zijn tijd, het massale kantoor, ook een menselijk gezicht kon geven.

De luifel en het scherm die in Amsterdam door de architecten zijn aangebracht om de last van wind te verhinderen, helpen wel het buitenklimaat minder onaangenaam te maken, maar maken het nog niet aangenaam. En ook binnen is niets gedaan om aan een platvloerse, risicoloze projectontwikkelaarsarchitectuur te ontkomen. De onpersoonlijke chique van wit marmer, witte bordessen en hoge vides straalt vooral kilte uit. De enige persoonlijke toets is de frivole Engelse trap in de hal: een soort wenteltrap met glazen borstwering die tegendraads vanaf de halfronde bordessen naar beneden komt zetten.

Het zou niet zo erg zijn als de Rembrandt Tower alleen stond. Maar hij staat aan het begin van een veel uitgebreider plan dat op het punt staat te worden gerealiseerd. Aan de Omval komen nog twee torens, een van 115 meter hoog die eveneens is ontworpen door ZZP en een van 95 meter hoog die door het Amerikaanse architectenbureau Skidmore Owings & Merrill is bedacht. De drie torens zullen samen een plein omvatten terwijl daarnaast nog twee appartementsgebouwen van ZZP en urban villa's van Cees Dam zullen verrijzen.

Een van de allermooiste lokaties van de stad loopt het gevaar te worden overgeleverd aan ontwikkelaars voor wie rendement belangrijker is dan het maken van een evenwichtig stadsdeel. En dat soort volksverlakkerij krijgen ze voor elkaar door een toren te maken die heel in de verte gelijkenis vertoont met de mooiste gebouwen ter wereld.

Amsterdam, open je ogen voor dit boerenbedrog. Eén Rembrandt Tower is tot daar aan toe, en het is echt erg leuk om van het uitzicht te genieten. Maar in het land der blinden kan zo'n verfoeilijk eenoog koning worden en als dat de trend wordt, is het einde zoek.

Ids Haagsma

Hilde de Haan

Meer over